Mijn Kifid
Mijn Kifid

Beslissing 2014-340

Beslissing Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2014-340
d.d. 25 september 2014
(mr. J. Wortel, voorzitter, terwijl mr. J.J. Guijt als secretaris)

Samenvatting

Aandelenlease. Naar het oordeel van de Commissie moet het ervoor worden gehouden dat
het enige, volgens Consument nog bestaande, punt van geschil is gelegen in de proceskosten.
De Commissie is met Aangeslotene van oordeel dat een aanspraak op vergoeding van
proceskosten, meer in het bijzonder de kosten van deskundige bijstand, niet is aan te
merken als een geschil over een financiële dienst in de zin van het Reglement Ombudsman
en Geschillencommissie Financiële Dienstverlening. Er is dus niet voldaan aan de in dit
Reglement gestelde voorwaarden voor het in behandeling nemen van een klacht.

Consument,

tegen

Aegon Financiële Diensten B.V., gevestigd te Leeuwarden, hierna te noemen Aangeslotene.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:
– het dossier van de Ombudsman Financiële Dienstverlening;
– het verzoek tot geschilbeslechting met bijlagen, ontvangen op 13 juli 2012;
– het verweerschrift van Aangeslotene met bijlagen;
– de repliek van Consument met bijlage;
– de dupliek van Aangeslotene.

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.De Commissie heeft vastgesteld dat beide partijen het advies van de Commissie als bindend zullen aanvaarden. De Commissie heeft vastgesteld dat het geschil zich leent voor schriftelijke afdoening als bedoeld in artikel 37 van haar Reglement.

2. Feiten

2.1. De toenmalige echtgenoot van Consument heeft als wettelijk vertegenwoordiger voor hun destijds minderjarige dochter via een tussenpersoon met Aangeslotene een overeenkomst gesloten van het effectenleaseproduct Junior Vliegwiel met nummer [..1..] (hierna: ‘de Overeenkomst’), per 20 juni 2000 met een looptijd van tien jaar.
2.2. Consument heeft bij brief van 10 juni 2010 ingevolge artikel 1:88 BW de nietigheid van de Overeenkomst ingeroepen. Als reactie daarop heeft Aangeslotene Consument medegedeeld dat zij de vernietiging van de Overeenkomst niet erkent.
2.3. In het kader van schikkingsonderhandelingen hebben diverse gesprekken tussen partijen plaatsgevonden. Op 30 oktober 2012 heeft Aangeslotene Consument mondeling een schikkingsvoorstel gedaan en dat bij brief van 31 oktober 2012 bevestigd in een aan Consument toegezonden vaststellingsovereenkomst. Deze overeenkomst heeft Consument niet ondertekend.
2.4. De vaststellingsovereenkomst luidt voor zover van belang als volgt:
“Partijen (…) nemen in aanmerking dat:
(…)
C. Contractant heeft aangegeven van mening te zijn dat de aandelenlease-overeenkomst niet rechtsgeldig tot stand gekomen is;
D. (Aangeslotene) heeft aangegeven bereid te zijn om, coulancehalve en rechtens geheel
onverplicht, mede gezien de omstandigheden van het geval, mee te werken aan een
minnelijke regeling;
en komen het volgende overeen:
1. de aandelenlease-overeenkomst is beëindigd per 21 juni 2010;
2. (Aangeslotene) zal de restschuld voor haar rekening nemen;
3. (Aangeslotene) zal coulancehalve en rechtens geheel onverplicht een bedrag van in
totaal € 9.650,- aan contractant betalen (het schikkingsbedrag). (Aangeslotene) zal het schikkingsbedrag betalen na ontvangst van de door contractant getekende vaststellingsovereenkomst (…)
5. partijen hebben over en weer niets meer van elkaar te vorderen en verlenen elkaar over en weer algehele en finale kwijting met betrekking tot alle vorderingen, welke direct dan wel indirect, voortvloeien uit, dan wel verband houden met de aandelenlease-overeenkomst met nummer [..2..], zulks met uitzondering van de vordering genoemd onder punt drie.”
2.5. Bij e-mailbericht van 12 februari 2013 heeft de gemachtigde van Consument Aangeslotene onder meer het volgende medegedeeld:
“Tussen partijen bestaat overeenstemming over de vergoeding van de inleg vermeerderd met wettelijke rente, het enige geschilpunt betreft vergoeding van (juridische) kosten”.

3. De vordering en grondslagen

3.1. Consument vordert vergoeding van haar schade door ongedaanmaking van het verlies dat op de Overeenkomst is geleden. Deze schade betreft de inleg (door haar begroot op € 8.079,60), vermeerderd met wettelijke rente en de kosten van rechtsbijstand.
3.2. Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslagen.
Er is rechtsgeldig de vernietiging ingeroepen van de Overeenkomst op grond van artikel 1:88 BW.
Bovendien is de Overeenkomst vernietigbaar wegens het ontbreken van de toestemming van de kantonrechter.
Daarnaast verwijt Consument Aangeslotene dat zij is tekortgeschoten in de klachtbehandeling.
3.3. Op de stellingen die Aangeslotene aan haar verweer ten grondslag legt, wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Beoordeling

4.1. Aangeslotene heeft aangevoerd dat de Commissie de klacht niet in behandeling kan nemen omdat die geen betrekking heeft op een financiële dienst in de zin van het Reglement Ombudsman en Geschillencommissie Financiële Dienstverlening. Dit verweer treft doel. Tussen partijen staat vast dat het aanbod dat Aangeslotene in de bij 2.3. hiervoor genoemde vaststellingsovereenkomst heeft gedaan – Aangeslotene neemt de uit de effectenleaseovereenkomst voortvloeiende restschuld voor haar rekening en vergoedt Consument een bedrag dat volgens haar gelijk is aan 100% van de (in termijnen) betaalde inleg, met aftrek van uitgekeerde dividenden doch vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop Consument de desbetreffende termijnen heeft voldaan – geëigend is alle door Consument ondervonden nadelen van de effectenleaseovereenkomst weg te nemen, en haar in de situatie te brengen waarin zij zou hebben verkeerd indien de effectenleaseovereenkomst niet was aangegaan.
4.2. De omstandigheid dat de vaststellingsovereenkomst niet door beide partijen is getekend, is in dit geval geen reden om aan te nemen dat een geschil betreffende (de gevolgen van) de effectenleaseovereenkomst is blijven voortbestaan. Blijkens haar verweerschrift is Aangeslotene nog immer bereid het in de vaststellingsovereenkomst gedane aanbod gestand te doen. Weliswaar heeft Consument in haar schriftelijke repliek medegedeeld dat zij het geschil in volle omvang aan de Commissie wenst voor te leggen, maar daarbij is geen concrete aanduiding gegeven van door de Commissie te beslissen geschilpunten. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het enige, volgens Consument nog bestaande, punt van geschil is gelegen in de proceskosten, zoals haar gemachtigde ook heeft opgemerkt in diens hiervoor bij 2.4. genoemde e-mailbericht.
4.3. De Commissie is met Aangeslotene van oordeel dat een aanspraak op vergoeding van proceskosten, meer in het bijzonder de kosten van deskundige bijstand, niet is aan te merken als een geschil over een financiële dienst in de zin van het Reglement Ombudsman en Geschillencommissie Financiële Dienstverlening. Er is dus niet voldaan aan de in dit Reglement gestelde voorwaarden voor het in behandeling nemen van een klacht.

5. Beslissing

De Commissie bepaalt dat de klacht buiten behandeling blijft.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor kifid.nl/consumenten/wie-behandelt-mijn-klacht/4#stappen-plan.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact