Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2011-113

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 113
d.d. 28 april 2011
(mevrouw mr. E.M. Dil-Stork, voorzitter, mr. W.F.C. Baars en mr. J.Th. de Wit)

Samenvatting

Spaartegoed van spaarbankboekje. Consument kan geen rechtsgeldige aanspraak doen op uitkering van spaartegoed. Aangeslotene kan niet worden gehouden om na het verstrijken van de wettelijke bewaartermijn aan te tonen dat zij het spaartegoed reeds hebben uitgekeerd. Afgezien daarvan is de vordering van Consument verjaard, waarbij wordt uitgegaan van een verjaringstermijn van 20 jaar.

1. Procedure

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:
– het dossier van de Ombudsman Financiële Dienstverlening;
– het door Consument ingevulde vragenformulier, voorzien van een toelichting d.d.
7 september 2010;
– het antwoord van Aangeslotene d.d. 5 november 2010;
– de repliek van Consument d.d. 23 november 2010;
– de dupliek van Aangeslotene d.d. 13 december 2010.
De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.
De Commissie heeft vastgesteld dat beide partijen het advies als bindend zullen aanvaarden.
De Commissie heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling te Den Haag op 4 maart 2011. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten:
– Consument heeft in 1983 met Aangeslotene een spaarovereenkomst gesloten in het kader waarvan hem een spaarbankboekje met nummer 4479701werd uitgereikt.
– Uit de vermeldingen in dat boekje blijkt dat er op 14 oktober 1983 stortingen zijn gedaan van in totaal ƒ 5.273,67.
– Op 7 juli 2009 heeft Consument aanspraak gemaakt op uitkering van het spaartegoed.
– Aangeslotene heeft per brief van 21 juli 2009 aan Consument meegedeeld dat het in het spaarbankboekje vermelde spaartegoed niet meer als tegoed in de administratie van de bank voor komt.
– Op de spaarovereenkomst tussen Consument en Aangeslotene zijn de Algemene Bankvoorwaarden en het Reglement Stichting Spaarbank (hierna te noemen de voorwaarden en het reglement) van toepassing.

3. Geschil

3.1. Consument vordert de uitbetaling van zijn spaartegoed van € 2.393,09 vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2. Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslagen.
– Op 7 juli 2009 heeft Consument bij een lokale bank aanspraak gemaakt op het uitkeren van zijn spaartegoed. Hierbij heeft hij een gaaf spaarbankboekje overgelegd waaruit de storting van het gevorderde bedrag op de bewuste spaarrekening blijkt. Andere transacties zijn niet genoteerd.
– Consument verwijst naar een uitspraak van het Kantongerecht Zaandam van 17 mei 2001 (LJN AB1633), waarin ondanks de formeel wettelijk verstreken verjaringstermijn, de uitkering van een spaartegoed is toegewezen. Het overhandigen van een spaarbankboekje waarop door de bank geen aantekeningen waren gemaakt van het opnemen van het spaarbedrag op enig moment en het ontbreken van een uitkeringskwitantie in de administratie van de bank, zijn in die zaak van doorslaggevende betekenis geweest.
– In het reglement dat van toepassing is op de spaarovereenkomst van Consument is een verjaringstermijn van 30 jaar opgenomen indien in de tussentijd geen mutaties hebben plaatsgevonden. Verder is bepaald dat elke transactie door Aangeslotene genoteerd dient te worden in het boekje en dat het boekje wordt ingenomen als het volledige spaarbedrag is uitgekeerd. Nu in zijn situatie van deze aspecten niet is gebleken en hij het verzoek tot uitkering binnen 30 jaar heeft ingediend mag aldus Consument hij er op vertrouwen dat zijn verzoek wordt gehonoreerd door Aangeslotene.
3.3 Aangeslotene heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd.
– Na het verzoek van Consument tot uitbetaling van het in het spaarbankboekje aangetekende saldo, heeft Aangeslotene een onderzoek ingesteld. Hieruit is gebleken dat het spaartegoed niet meer als tegoed in de administratie van Aangeslote voorkomt. Aangeslotene heeft Consument hierover op 21 juli 2009 schriftelijk geïnformeerd.
– Met betrekking tot de gang van zaken omtrent spaarboekjes merkt Aangeslotene het volgende op. Eind jaren ’80 zijn alle bestaande tegoeden op spaarrekeningen die nog geadministreerd werden door middel van boekjes, collectief omgezet naar spaarrekeningen met rekeningafschriften. Alle rekeninghouders zijn hierover destijds geïnformeerd. In die gevallen waarin het voor Aangeslotene niet mogelijk was om de rekeninghouder te bereiken, zijn de tegoeden overgemaakt naar de zogenoemde “kerkhofrekening”. Op deze rekening werden niet opgeëiste tegoeden geadministreerd.
– Uit het spaarbankboekje van Consument blijkt dat de laatste mutatie zich heeft voorgedaan in 1983. Aangeslotene heeft niet kunnen achterhalen of dit boekje is omgezet naar een spaarrekening met rekeningafschriften. Aangezien de laatste mutatie in het spaarboekje heeft plaatsgevonden ruim vóór de collectieve omzetting en de gegevens van Consument niet op enige andere wijze in de administratie zijn terug te vinden, gaat Aangeslotene er van uit dat het spaartegoed ten tijde van de omzetting reeds was opgenomen en de spaarrekening was opgeheven.
– In die gevallen dat het spaarbankboekje bij relaties was zoekgeraakt, is het spaarsaldo tegen ondertekening van een kwitantie uitbetaald. Vanwege de zeer ruime termijn
(26 jaar) die al was verstreken na de laatste mutaties in het boekje van Consument, kan van Aangeslotene niet worden verwacht om nog een eventuele kwitantie uit haar administratie over te leggen. De wettelijke bewaartermijn voor administratieve bescheiden van zeven jaar is immers al ruimschoots overschreden.
– Gelet op het voorgaande kan Aangeslotene niet anders concluderen dan dat er geen aanwijzingen zijn dat Consument nog een vordering heeft uit hoofde van het spaarbankboekje.
– Ondanks dat Aangeslotene zich uit serviceoverwegingen niet wil beroepen op verjaring van de vordering van Consument, stelt zij dat de verjaringstermijn waarnaar wordt verwezen in het reglement – te weten dertig jaar – door de inwerkingtreding van het Nieuw Burgerlijk Wetboek is verkort naar twintig jaar.
3.4 Ter zitting zijn de standpunten van partijen over en weer herhaald en toegelicht.

4. Beoordeling

Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde en hetgeen door hen tijdens de hoorzitting naar voor is gebracht, overweegt de Commissie als volgt.
4.1 De Commissie stelt vast dat het hier gaat om een spaarbankboekje op naam van
Consument dat per 14 oktober 1983 een inlage vermeldt vanƒ 5.273,67. Nadien zijn er in het boekje geen mutaties genoteerd in de vorm van bijstortingen, afboekingen of bijschrijvingen van rente.
– De Commissie staat voor de vraag of Consument bij Aangeslotene een geslaagd beroep kan doen op het uitkeren van zijn spaartegoed van € 2.393,09 vermeerderd met de wettelijke rente.
– In artikel 23 van het reglement is opgenomen: “Ingeval van verschil tussen de boeken der spaarbank en het spaarbankboekje beslissen de boeken der spaarbank behoudens door de spaarder te leveren tegenbewijs.” Aangeslotene heeft gesteld dat in haar administratie het spaartegoed niet meer voorkomt; noch op de conversielijsten van de besproken collectieve omzetting, noch in de administratie van de zogenoemde kerkhofrekening komt het spaarbankboekje van Consument voor. De Commissie is van oordeel dat daarmee aannemelijk is geworden dat, gelet op het bepaalde in artikel 23 van het reglement, Aangeslotene het spaartegoed voor het einde van de periode waarin de spaarbankboekjes zijn omgezet in spaarrekeningen met rekeningafschriften, heeft uitgekeerd.
– Voorts is de Commissie van oordeel dat van Aangeslotene in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij, gezien de wettelijke bewaartermijn ex artikel 2:10 lid 3 Burgerlijk Wetboek van zeven jaar, nog in staat is om – na het verstrijken van 26 jaar – aan te tonen op welke wijze en aan wie destijds het spaartegoed is uitgekeerd.
– Afgezien van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de vordering van Consument is verjaard. In artikel 20 van het reglement is bepaald: “Indien op een spaarrekening gedurende 30 jaar geen inlagen of terugbetalingen hebben plaatsgevonden, vervalt het tegoed aan de spaarbank.” Door de inwerkingtreding van het Nieuw Burgerlijk Wetboek is deze verjaringstermijn ex artikel 71 Overgangswet NBW, verkort naar 20 jaar. De aanspraak van Consument was op basis hiervan reeds op 14 oktober 2003 verjaard.
– Dat in de uitspraak van het Kantongerecht Zaandam van 17 mei 2001, zoals door Consument is aangehaald, anders is beslist, is voor de Commissie niet van beslissende betekenis geweest. Dat geschil betrof andere partijen, andere feiten en andere standpunten.
– Gelet op bovenstaande overwegingen is de Commissie van oordeel dat Consument geen rechtsgeldige aanspraak kan maken op het uitkeren van het gestelde spaartegoed door Aangeslotene.

5. Beslissing

De Commissie wijst, als bindend advies, de vordering af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 13:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact