Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2014-038

Uitspraak Commissie van Beroep 2014-038 d.d. 24 december 2014
(W.J.J. Los, voorzitter, mr. A. Bus, mr. J.B. Fleers, mr. F.P. Peijster en mr. A. Smeeïng-van Hees, leden, en mr. M.J. Drijftholt, secretaris)

Samenvatting

Hypotheekrente. Wijziging variabele rente gebaseerd op het Euribortarief in een vaste rente na belactie van de bank. Niet aannemelijk dat de bank al dan niet bewust een onjuist of onvolledig beeld van de renteontwikkeling heeft gegeven om belanghebbende ertoe te bewegen de variabele rente te wijzigen in een vaste rente, en evenmin dat de bank belanghebbende onjuist heeft geïnformeerd over de geldende rentetarieven. Niet aannemelijk dat de bank mededelingen heeft gedaan waaruit belanghebbende redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat bij terugkeer naar een variabele rente, de oude, op het Euribortarief gebaseerde variabele rente weer zou gelden, ook als de bank die rente tijdens de rentebedenktijd niet meer zou aanbieden.

Klik hier voor de uitspraak in eerste aanleg.

1. De procedure in hoger beroep

1.1 Bij een op 15 juli 2014 door de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening (verder: Commissie van Beroep) ontvangen beroepschrift met bijlagen heeft Belanghebbende een uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (verder: Geschillencommissie) van 24 juni 2014 (kenmerk [nummer]) ter toetsing voorgelegd.

1.2 De Bank heeft een op 5 oktober 2014 gedateerd verweerschrift ingediend.

1.3 De Commissie van Beroep heeft het beroep mondeling behandeld op 10 november 2014. Beide partijen waren aanwezig en hebben een pleitnotitie overgelegd.

2. De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst de Commissie van Beroep naar de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van de Geschillencommissie.

3. Inleiding op de beoordeling van het beroep

3.1 De Commissie van Beroep gaat uit van de door de Geschillencommissie onder 3.1 tot en met 3.5 van haar uitspraak vermelde feiten, met dien verstande dat Belanghebbende anders dan in 3.1 is vermeld de daar genoemde hypothecaire geldlening niet in 2005 maar in 2001 heeft afgesloten, en voor zover relevant aangevuld met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.

3.2 Kort gezegd gaat het om het volgende.

3.2.1 Belanghebbende had in 2008 aflossingsvrije hypothecaire geldleningen bij de Bank van in hoofdsom € 115.000,- en € 160.000,-, met een variabele rente, gebaseerd op het éénmaands Euribortarief. Met betrekking tot de rente is, na wijziging van de condities, bij brieven van de Bank van 8 november 2005 en 14 juli 2006 het volgende vermeld:
‘basisrentepercentage 2,13 % (2,78 %)
opslag 0,70 % (0,70 %)
rentepercentage 2,83 % (3,48 %)
rentevastperiode Euribor (variabel)’

3.2.2 Op 27 oktober 2008 heeft een medewerker van de Bank in het kader van een ‘belactie’ Belanghebbende telefonisch benaderd met het voorstel de rente op de geldleningen te wijzigen in een vaste rente. Belanghebbende heeft dat voorstel aanvaard, waarna, blijkens een brief van de Bank van 13 november 2008, vanaf 1 november 2008 een rentevaste periode gold van drie jaar, met twee jaar rentebedenktijd.

3.2.3 De Bank heeft vanaf maart 2009 geen hypothecaire geldleningen met een op het Euribortarief gebaseerde variabele rente meer aangeboden.

3.2.4 In oktober 2009 heeft Belanghebbende de Bank verzocht de rente op zijn leningen weer variabel te maken. De Bank heeft op 9 oktober 2009 daarvoor een offerte uitgebracht, die Belanghebbende op 10 oktober 2009 heeft ondertekend. Met betrekking tot de rente is in de offerte vermeld:
‘Nominaal rentepercentage 3,800 %
Rentevastperiode 1 maand
Effectief rentepercentage 3,9 %’

3.3 Belanghebbende heeft gevorderd, kort gezegd, dat de Bank hem als schade zal vergoeden het verschil tussen de rente die hij over de geldleningen heeft betaald in de periode van
1 november 2008 tot 1 januari 2014 (in beroep: 1 januari 2015) en de rente die hij zou hebben betaald indien in die periode de onder 3.2.1 genoemde, op het Euribortarief gebaseerde variabele rente zou hebben gegolden. Het verschil heeft Belanghebbende berekend op € 36.343,- (tot 1 januari 2015: € 41.233,-). Belanghebbende verlangt daarnaast dat de Bank de rente wijzigt in een op het Euribortarief gebaseerde variabele rente, althans dat de Bank hem zal vergoeden de schade die hij vanaf 1 januari 2014 (in beroep: 1 januari 2015) lijdt en zal lijden.

3.4 De Geschillencommissie heeft overwogen, samengevat, dat het de eigen beslissing van Belanghebbende is geweest om de variabele rente op de geldleningen te wijzigen in een vaste rente en dat de omstandigheid dat het Euribortarief daarna alleen maar is gedaald, de Bank niet kan worden aangerekend. De Geschillencommissie heeft verder onvoldoende aannemelijk geacht dat de Bank Belanghebbende heeft toegezegd dat de rente gedurende de rentebedenktijd weer kon worden gewijzigd in de oude, op het Euribortarief

gebaseerde variabele rente. Als een dergelijke toezegging voor Belanghebbende cruciaal zou zijn geweest, had hij daarover na ontvangst van de brief van de Bank van 13 november 2008 contact moeten opnemen met de Bank. De klacht van Belanghebbende is ongegrond verklaard.

4. Beoordeling van het beroep

4.1 De klacht van Belanghebbende, die in beroep is gehandhaafd, bestaat uit twee onderdelen. In de eerste plaats stelt Belanghebbende dat de medewerker van de Bank in het telefoon-gesprek van 27 oktober 2008 een onjuiste en/of onvolledige voorstelling van zaken over de renteontwikkeling heeft gegeven en dat die hem ertoe heeft bewogen in te gaan op het voorstel om de variabele rente te wijzigen in een vaste rente. Het komt kort gezegd erop neer dat de medewerker van de Bank volgens Belanghebbende een alarmerende situatie heeft geschetst van stijgende variabele rentes waardoor Belanghebbende uiteindelijk, tegen zijn gevoel in, gedurende een jaar de rente heeft willen vastzetten, in de veronderstelling dat hij daarna de oude variabele rente weer zou kunnen terugkrijgen.
Die veronderstelling was volgens Belanghebbende gebaseerd op een toezegging van de bedoelde medewerker naar aanleiding van de vraag van Belanghebbende of hij zonder kosten kon terugkeren naar zijn huidige hypotheek: ‘ja, met rentebedenktijd kunt u zonder kosten terug’. Het tweede onderdeel van de klacht betreft die toezegging. Volgens Belanghebbende is de Bank de toezegging niet nagekomen, omdat hij wel weer een variabele rente heeft gekregen, maar niet een op het Euribortarief gebaseerde variabele rente zoals voorheen.

4.2 Wat betreft het eerste klachtonderdeel geldt het volgende. Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken is naar het oordeel van de Commissie van Beroep niet aannemelijk geworden dat de medewerker van de Bank al dan niet bewust een onjuist of onvolledig beeld van de renteontwikkeling heeft gegeven, teneinde Belanghebbende ertoe te bewegen de variabele rente te wijzigen in een vaste rente. Er is geen reden om aan te nemen dat de Bank in oktober 2008 heeft moeten voorzien dat het Euribortarief zou (blijven) dalen, temeer nu de economische situatie erg onzeker was en de daling van het Euribortarief mede het gevolg is van latere beslissingen van de Europese Centrale Bank over de zo¬genoemde her- of refinancieringsrente. Ook als juist is dat de medewerker van de Bank Belanghebbende indringend heeft gewaarschuwd voor stijging van zijn variabele rente, kan dat daarom niet worden aangemerkt als een tekortkoming van de Bank. Verder is evenmin aannemelijk geworden dat de medewerker van de Bank Belanghebbende onjuist heeft geïnformeerd over de toen geldende rentetarieven. Belanghebbende heeft in zijn beroep¬schrift enkele mededelingen genoemd die, volgens hem, de medewerker van de Bank heeft gedaan en onjuist zijn. Er is echter geen enkele aanwijzing dat die mededelingen zijn gedaan en Belanghebbende heeft niet aangegeven hoe hij daarvan bewijs zou kunnen leveren. Bovendien duidt de nadere toelichting die Belanghebbende tijdens de mondelinge behandeling in beroep heeft gegeven er niet op dat hij bij het einde van het gesprek een onjuist beeld had van de geldende rentetarieven: ‘Ik wilde precies weten wat er speelde, dus ik bleef goed doorvragen. Toen mij uiteindelijk glashelder was uitgelegd wat de rente-stand was op 27 oktober en wat de rente ontwikkeling was, begon ik over terugkeren zonder kosten naar mijn huidige hypotheek’ (pleitnotitie pagina 3).

4.3 Het tweede klachtonderdeel betreft de beweerde toezegging dat Belanghebbende de op het Euribortarief gebaseerde variabele rente kon terugkrijgen. Hetgeen partijen over het telefoongesprek van 27 oktober 2008 hebben verklaard, maakt aannemelijk dat is besproken dat Belanghebbende de vaste rente in de rentebedenktijd zonder kosten weer zou kunnen wijzigen in een variabele rente, maar niet dat de medewerker van de Bank mededelingen heeft gedaan waaruit Belanghebbende redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat die rente de oude, op het Euribortarief gebaseerde variabele rente zou zijn, ook als de Bank die rente tijdens de rentebedenktijd niet meer zou aanbieden. Een dergelijke toe-zegging is ook niet te vinden in de brief van de Bank van 13 november 2008 of in enig ander document. Wat verder onaannemelijk maakt dat sprake is van een dergelijke toezegging,
is dat de offerte van 9 oktober 2009, in tegenstelling tot de brieven van de Bank van
8 november 2005 en 14 juli 2006, geen enkele verwijzing bevat naar het Euribortarief en dat Belanghebbende die offerte zonder enig protest heeft aanvaard.

4.4 Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de klacht op beide onderdelen ongegrond is. Dat brengt mee dat het beroep van Belanghebbende niet kan leiden tot een andere beslissing dan de Geschillencommissie heeft gegeven. De niet-besproken verweren van de Bank, waaronder die met betrekking tot de verplichting om tijdig te klagen, behoeven daarom geen behandeling.

5. Beslissing

De Commissie van Beroep handhaaft de bestreden beslissing.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 13:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact