Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2014-317 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2014-317
d.d. 28 augustus 2014
(mr. C.E. du Perron, voorzitter, mr. J.S.W. Holtrop en drs. L.B. Lauwaars leden en mevrouw mr. I.M.L. Venker, secretaris)

Samenvatting

Motorrijtuigverzekering. Diefstal personenauto. Kernvraag in dit geschil is of Consument recht heeft op vergoeding van de schade op basis van de occasionregeling. De Commissie stelt voorop dat het doel van de regeling is om verzekerden in staat te stellen na diefstal van het verzekerde voertuig een vergelijkbaar voertuig ter vervanging te kopen zonder nadeel te ondervinden van de afschrijving op de waarde van het verzekerde voertuig. Naar het oordeel van de Commissie is aan de voorwaarden in de occasionregeling voor uitkering van de aankoopprijs van de gestolen auto voldaan. Vordering toegewezen.

Consument,

tegen

N.V. Schadeverzekeringsmaatschappij Bovemij, gevestigd te Nijmegen, hierna te noemen Aangeslotene.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:
– het dossier van de Ombudsman Financiële Dienstverlening;
– de brief van de gemachtigde van Consument met daarbij het door Consument ondertekende vragenformulier, ingekomen op 26 november 2013;
– het verweerschrift van Aangeslotene.

2. Overwegingen

De Commissie heeft het volgende vastgesteld.
Tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening heeft niet tot oplossing van het geschil geleid.
Beide partijen zullen het advies van de Commissie als bindend aanvaarden.
Partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 14 mei 2014 en zijn aldaar verschenen.

3. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende erkende dan wel niet of onvoldoende betwiste feiten:
3.1. Consument heeft voor een totaalprijs van € 19.950,- een personenauto van het merk XX, type Y, gekocht bij het autobedrijf van zijn zoon (hierna: het autobedrijf) waar Consument in dienst was. Consument en het autobedrijf hebben op 1 april 2010 een overeenkomst van geldlening gesloten op grond waarvan het autobedrijf aan Consument een bedrag van € 19.950,- heeft geleend en Consument gehouden is jaarlijks minimaal een bedrag van € 5.000,- af te lossen. Op de aankoopfactuur van de auto van 21 april 2010 staat aangetekend: “Per kas betaald 01-04-2011 € 5000,-“, voorzien van paraaf.
3.2. De auto is op 19 april 2010 bij Aangeslotene tegen wettelijke aansprakelijkheid en volledig casco verzekerd. De op de polis toepasselijke clausule 00262 Bosch Car Service Autoverzekering bepaalt:
“In afwijking van de polisvoorwaarden met betrekking tot ‘vergoeding van schade’ onderdeel ‘vaststelling van de waarde bij totaalverlies’ geldt bij:
a. Nieuwwaarderegeling
1. (…)
b. Occasionregeling:
1. de aankoopprijs zoals vermeld op de koopovereenkomst als maximale waarde geldt indien aan de volgende voorwaarden is voldaan;
a. het verzekerde motorrijtuig is als occasion gekocht;
b. het verzekerde voertuig is volledig casco verzekerd;
c. het verzekerde motorrijtuig is niet ouder dan 84 maanden;
d. gedurende de eerste 25 maanden na aanschafdatum (occasionregeling).
Indien het motorrijtuig op de aanschafdatum 60 maanden of ouder is dan is de occasionregeling gemaximeerd tot het motorrijtuig de leeftijd van 84 maanden heeft bereikt.
2. na 24 maanden geldt de dagwaarde als maximale waarde.
Schadevergoeding op basis van de occasionregeling wordt alleen verleend als ook daadwerkelijk een ander motorrijtuig geleverd wordt door de op de groene kaart vermelde Bosch Car Service. Op het moment van schade dient de aankoopnota aan de verzekeraar te worden overlegd. In alle andere gevallen geldt de dagwaarde als maximale waarde.”
Artikel 7 van de toepasselijke algemene voorwaarden bepaalt:
“Artikel 7 Duur en einde van de verzekering
(…)
2 Aanvang en einde van de verzekering
(…)
De verzekering dan wel productmodule(s) eindigt/eindigen door een schriftelijke opzegging door verzekeraar:
(…)
b onmiddellijk bij opzet van een verzekerde de verzekeraar te misleiden;
(…)”

3.3. Op 16 februari 2011 is de XX, type Y gestolen. Consument heeft diezelfde dag van de diefstal aangifte gedaan, de schade bij Aangeslotene gemeld en de eigendom van de XX, type Y op 2 maart 2011 overgedragen aan Aangeslotene.
3.4. Op 10 maart 2011 is het autobedrijf van de zoon van Consument overgenomen door een personeelslid van het autobedrijf. Consument is, in de functie van verkoper, in dienst van het autobedrijf gebleven.
3.5. In opdracht van Aangeslotene heeft een onderzoeksbureau onderzoek naar de schade gedaan. Per e-mail van 17 juni 2011 heeft Aangeslotene Consument meegedeeld dat zij voornemens is de schade af te wikkelen conform de dagwaarde. Consument was het hiermee niet eens en heeft een beroep op de occasionregeling gedaan. Aangeslotene heeft vervolgens nader onderzoek laten doen naar de verkoopwaarde van de XX, type Y ten tijde van de aankoop door Consument.
3.6. Bij brief van 22 juli 2011 heeft de gemachtigde van Consument Aangeslotene aansprakelijk gesteld voor de door Consument geleden schade en een termijn van 5 werkdagen gesteld om voor betaling zorg te dragen waarna Consument tevens aanspraak maakt op wettelijke rente.
3.7. Op 23 december 2011 heeft Consument een auto van het merk ZZ gekocht bij het autobedrijf en verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid.
3.8. Op 20 januari 2012 heeft de expert een aanvullend rapport uitgebracht over de verkoopwaarde van de XX, type Y. Bij brief van 26 januari 2012 heeft Aangeslotene aan Consument bericht dat zij dekking verleent en de dagwaarde, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten, en wettelijke rente en inhouding van het eigen risico, uitkeert. Aangeslotene heeft Consument er op gewezen dat, wanneer hij aanspraak wil maken op de occasionregeling, sprake moet zijn van levering van een ander motorrijtuig door de op de groene kaart vermelde Bosch Car Service. Op 12 maart 2012 heeft Aangeslotene aan Consument een bedrag uitgekeerd van € 12.785,67.
3.9. Op 1 mei 2012 heeft Consument een auto AA gekocht bij het autobedrijf voor een totaalprijs, inclusief € 300,- afleverkosten, van € 19.750,- en daarmee een beroep op de occasionregeling gedaan. Consument heeft zowel de ZZ als de AA te koop aangeboden. Consument en het autobedrijf zijn op 1 mei 2012 overeengekomen dat Consument als consignatiegever en eigenaar van ‘betrokken automobielen’ deze automobielen aan het autobedrijf in consignatie geeft voor de duur van 12 maanden. Op grond van de overeenkomst mogen de in consignatie gegeven auto’s niet worden bereden.
3.10. Aangeslotene heeft de verzekering per 14 mei 2012 beëindigd met een beroep op artikel 7.2 van de verzekeringsvoorwaarden.
3.11. De expert heeft op 24 mei 2012 aanvullend gerapporteerd over de aankoop van de AA door Consument bij het autobedrijf. In het rapport staat, voor zover van belang, dat de AA in de showroom van het autobedrijf te koop werd aangeboden voor een bedrag van € 19.450,-, dat de kilometerstand volgens het opschrift van de auto in de showroom afwijkt van de gegevens op internet en verder dat Consument de auto na aankoop nog niet heeft gebruikt en voor de auto nog geen betaling heeft verricht.

3.12. Per brief van 1 september 2012 heeft de eigenaar van het autobedrijf verklaard dat Consument de AA bij zijn autobedrijf heeft gekocht en per 1 mei 2012 eigenaar is van deze auto. Hij heeft verder verklaard:
“Deze auto heeft [Consument] sinds die tijd in mijn bedrijf in consignatie laten staan voor verkoop dit omdat [Consument] na diefstal van zijn vorige auto een andere auto had gekocht ter overbrugging van de lange tijd die Bovemij nodig had voor een onderzoek hieromtrent.
De betaling van de [auto AA] met kenteken [kenteken] heeft inmiddels plaatsgevonden per bank.
(…) De betaling is met beider goedvinden later uitgevoerd.”
Bij de verklaring is een bankafschrift gevoegd waarin staat dat het autobedrijf op 30 augustus 2012 van Consument een bedrag van € 19.750,- heeft ontvangen.

4. De vordering en grondslagen

4.1. Consument vordert aanvullende uitkering van € 7.164,33 en betaling van een bedrag van € 1.050,- voor de kosten van een leenauto, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2011. Consument vordert subsidiair vaststelling van de dagwaarde op € 15.000,- en aanvullende uitkering tot dat bedrag. Indien Aangeslotene de persoonsgegevens van Consument heeft laten registreren in openbare registers vordert Consument doorhaling van deze registratie. Ter zitting heeft Aangeslotene verklaard dat zij geen registratie heeft gedaan, althans deze zal doorhalen. Consument heeft deze vordering ter zitting ingetrokken.
4.2. De vordering van Consument steunt kort en zakelijk op de volgende grondslagen:
– Consument heeft recht op uitkering van de aankoopwaarde van de XX, type Y omdat aan de voorwaarden van de occasionregeling is voldaan. De auto werd binnen 12 maanden na aankoop gestolen en Consument heeft een vervangende auto gekocht bij de op de groene kaart vermelde Bosch Car Service. Na de diefstal van de XX, type Y heeft Consument gebruik gemaakt van een leenauto van het bedrijf in afwachting van de uitkomst van de discussie met Aangeslotene over de dekking. Ter zitting is door Consument toegelicht dat hij, om te voorkomen dat de kosten van de leenauto te veel zouden oplopen, als tijdelijke oplossing en in afwachting van het definitieve standpunt van Aangeslotene over de dekking, op 23 december 2011 bij het autobedrijf een auto, van het merk ZZ, heeft gekocht. Consument heeft ongeveer anderhalf jaar in de ZZ gereden. Met de aankoop van die auto voldeed hij reeds aan de occasionregeling. Omdat Consument een kleinere auto wilde heeft hij daarna een AA gekocht en met de aankoop van deze auto een beroep op de occasionregeling gedaan. Het aankoopbedrag heeft hij later aan het autobedrijf voldaan. De omstandigheid dat de koop op het moment van het onderzoek nog niet in de boekhouding van het autobedrijf was verwerkt, doet niet af aan de geldigheid van de koop. Omdat Consument een lening aan het autobedrijf moest afbetalen, heeft hij zowel de ZZ als de AA te koop aangeboden. Beide auto’s zijn om die reden in consignatie aan het autobedrijf gegeven.
Consument had wel de beschikking over de sleutels en kon te allen tijde van de auto’s gebruik maken. De auto’s zijn inmiddels verkocht. Consument is werkzaam in de autobranche en een hogere omloopsnelheid van auto’s is dan niet ongebruikelijk.
– De prijs vermeld op de factuur van de AA is correct. Op het moment van de koop van deze auto was het autobedrijf niet meer in eigendom van de zoon. De afwijking van de kilometerstand is logisch omdat er met de auto werd gereden. Van een schijnconstructie om een uitkering op grond van de occasionregeling te ontvangen terwijl hij daarop geen recht had, is geen sprake.
– Consument had mogen vertrouwen op de tekst van de occasionregeling. Hierin is niet opgenomen dat een vervangende auto moet zijn gekocht met een gebruiksdoel en evenmin dat het niet is toegestaan de vervangende auto na aankoop in consignatie te geven of te koop aan te bieden.
– Indien de Commissie oordeelt dat Aangeslotene terecht de dagwaarde van de XX, type Y heeft uitgekeerd, geldt dat deze te laag is vastgesteld. De dagwaarde diende te worden vastgesteld op ten minste € 15.000,- zodat de uitkering tot dat bedrag dient te worden aangevuld.
4.3. Aangeslotene heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
– Consument kan geen aanspraak maken op uitkering volgens de occasionregeling. De AA, die door Consument is opgegeven als vervangende auto en waarmee hij zou hebben voldaan aan de occasionregeling, is op naam van Consument gezet maar hij heeft pas een eerste betaling voor deze auto verricht een half jaar na het onderzoek naar de aankoop van deze auto. De aankoopnota is niet in de boekhouding van het autobedrijf verwerkt en de prijs volgens de nota wijkt af van de verkoopprijs van de auto in de showroom. De auto is direct na aankoop in consignatie gegeven en in de showroom van het autobedrijf te koop aangeboden. De kilometerstand vertoonde een afwijking maar dit was niet controleerbaar omdat de accu leeg was op het moment van het onderzoek. Op grond van de consignatieovereenkomst mocht Consument niet in de in consignatie gegeven auto’s rijden. Uit deze omstandigheden blijkt dat Consument op het moment van de koop geen betaling heeft verricht, hij de auto niet in gebruik heeft genomen en Consument niet het doel had met de AA te rijden waardoor de aankoop een schijnconstructie was en aan de voorwaarden voor uitkering volgens de occasionregeling niet is voldaan. De aankoop van de ZZ is niet bij Aangeslotene opgegeven als gekocht volgens de occasionregeling.
– De auto is slechts gekocht om een uitkering volgens de occasionregeling te kunnen ontvangen. Consument heeft Aangeslotene opzettelijk willen misleiden.
– Consument heeft in strijd met de verzekeringsvoorwaarden gehandeld. Er bestaat dus ook geen grond voor vergoeding van de kosten van de leenauto. Indien Aangeslotene naar het oordeel van de Commissie is gehouden tot het doen van uitkering op basis van de occasionregeling zal zij de kosten van leenauto vermeerderd met wettelijke rente aan Consument vergoeden.

5. Beoordeling

5.1. Kernvraag in dit geschil is of Consument recht heeft op vergoeding van de schade op basis van de occasionregeling. De Commissie stelt voorop dat het doel van de regeling onder meer is om verzekerden in staat te stellen na diefstal van het verzekerde voertuig een vergelijkbaar voertuig ter vervanging te kopen zonder nadeel te ondervinden van de afschrijving op de waarde van het verzekerde voertuig.
5.2. Consument stelt dat met de aankoop van de ZZ bij het autobedrijf feitelijk al aan de voorwaarden van de occasionregeling was voldaan. Hij stelt verder dat hij ongeveer anderhalf jaar in deze auto heeft gereden. Dit is door Aangeslotene niet betwist. Het is naar het oordeel van de Commissie voldoende aannemelijk dat Consument de ZZ heeft gekocht ter vervanging van de XX, type Y en ook dat Consument na aankoop van de ZZ geruime tijd van deze auto gebruik heeft gemaakt. De Commissie is van oordeel dat dit meebrengt dat aan de voorwaarden voor uitkering op basis van de occasionregeling is voldaan. Het argument van Aangeslotene dat Consument met de aankoop van de ZZ niet een beroep op de occasionregeling heeft gedaan kan haar niet baten. Aangeslotene heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat Consument met de aankoop van de AA heeft geprobeerd een uitkering op basis van de occasionregeling te ontvangen terwijl hij aan de voorwaarden van die regeling niet had voldaan. Consument heeft in reactie daarop uitgelegd dat hij, in afwachting van het definitieve standpunt van Aangeslotene, in december 2011 de ZZ had gekocht om niet langer gebruik te hoeven maken van een leenauto van het autobedrijf en dat hij met die aankoop feitelijk reeds aan de voorwaarden van de occasionregeling voldeed. De ZZ was evenwel bedoeld als tijdelijke auto waardoor Consument niet met de aankoop van de ZZ maar met de aankoop van de AA een beroep op de occasionregeling heeft gedaan. Hieruit volgt reeds dat Consument de AA niet uitsluitend heeft gekocht teneinde uitkering op basis van de occasionregeling te ontvangen terwijl hij daarop geen recht had. Consument had er, gelet op het doel van de occasionregeling, ook geen belang bij om een duurdere auto te kopen omdat de waarde van het vervangend voertuig voor de hoogte van de uitkering volgens de occasionregeling niet uitmaakt. De omstandigheid dat Consument na de ZZ ook een AA heeft gekocht en beide auto’s te koop heeft aangeboden, brengt onder de bijzondere omstandigheid van dit geval dat Consument nauw betrokken was bij de ‘garagewereld’ waarin een hogere omloopsnelheid van auto’s niet ongebruikelijk is, niet mee dat niet is voldaan aan de voorwaarden in de occasionregeling.
5.3. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat Consument met de aankoop van de ZZ reeds had voldaan aan de in de occasionregeling gestelde voorwaarden voor uitkering van de aankoopprijs van de XX, type Y. Dit brengt mee dat de vordering van Consument tot aanvullende uitkering tot het bedrag van € 19.950,-, te weten
€ 7.164,33, zal worden toegewezen met aftrek van het eigen risico van
€ 135,- en, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 juli 2011, en dat de vordering tot vergoeding van de kosten van de leenauto van € 1.050,- vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 december 2011 eveneens zal worden toegewezen.
Omdat de vordering van Consument wordt toegewezen dient Aangeslotene aan Consument tevens te vergoeden de door hem betaalde eigen bijdrage aan de behandeling van deze klacht van € 50,-. Al hetgeen partijen verder nog hebben gesteld, kan niet tot een andere beslissing leiden en zal onbesproken blijven.

6. Beslissing

De Commissie stelt bij bindend advies vast dat Aangeslotene binnen een termijn van twee weken na de dag waarop een afschrift van deze beslissing aan partijen is verstuurd aan de Consument vergoedt een bedrag van € 7.029,33 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2011 en een bedrag van € 1.050,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 december 2011 tot aan de dag van algehele voldoening, en met vergoeding aan de Consument van diens eigen bijdrage aan de behandeling van deze klacht, zijnde € 50,-.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor kifid.nl/consumenten/wie-behandelt-mijn-klacht/4#stappen-plan.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact