Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2014-425 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2014-425 d.d.
2 december 2014
(mr. J.S.W. Holtrop, voorzitter, terwijl mr. E.C. Aarts als secretaris)

Samenvatting

Op de betaalrekening van Consument is een bedrag bijgeschreven dat van fraude afkomstig was. Dit bedrag is vervolgens overgeboekt dan wel opgenomen van de betaalrekening van Consument met gebruikmaking van zijn betaalpas en de juiste pincode. Naar aanleiding hiervan heeft de bank de persoonsgegevens van Consument in het (interne) Incidentenregister en het Externe Verwijzingsregister opgenomen en de bancaire relatie met Consument beëindigd. De Commissie is van oordeel dat, op basis van de omstandigheden in het onderhavige geval, het vermoeden dat Consument betrokken is geweest bij de frauduleuze handelingen die hebben plaatsgevonden met zijn betaalrekening zo sterk is dat Aangeslotene in redelijkheid tot registratie van de persoonsgegevens van Consument in het Incidentenregister en het Externe Verwijzingsregister heeft mogen overgaan. Naar het oordeel van de Commissie dient bij de afweging van de belangen van partijen het belang van Aangeslotene te prevaleren nu zij voldoende ernstige bezwaren heeft aangevoerd om handhaving van de persoonsgegevens van Consument in het Externe Verwijzingsregister te rechtvaardigen. Consument heeft niet althans onvoldoende gesteld dat hij disproportioneel wordt geraakt in zijn belangen door opname van zijn gegevens in het Externe Verwijzingsregister. De vordering van Consument wordt afgewezen.

Consument,

tegen

de naamloze vennootschap ING Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen Aangeslotene.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:
– het dossier van de Ombudsman Financiële Dienstverlening;
– het door Consument op 18 mei 2013 ondertekende klachtformulier;
– de brieven van de gemachtigde van Consument van 14 januari 2014 en 11 april 2014;
– het verweerschrift van Aangeslotene.

2. Overwegingen

De Commissie heeft het volgende vastgesteld.
Tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening heeft niet tot oplossing van het geschil geleid. Beide partijen zullen het advies van de Commissie als bindend aanvaarden.
Partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 14 november 2014 en zijn aldaar verschenen.

3. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten:
3.1. Consument houdt bij Aangeslotene en bij ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ‘ABN AMRO’) een betaalrekening aan. De betaalrekening bij ABN AMRO heeft Consument sinds mei 2011 niet meer actief gebruikt.
3.2. Op 31 juli 2012 heeft Consument een nieuwe bankpas en pincode aangevraagd bij ABN AMRO. De bankpas met nummer [..1..] en de bijbehorende pincode heeft Consument ontvangen.
3.3. Consument heeft op 8 augustus 2012 wederom een bankpas en pincode aangevraagd bij ABN AMRO. De pincode heeft ABN AMRO op 9 augustus 2012 naar Consument verzonden en de bankpas, met nummer [..2..], op 13 augustus 2012.
3.4. Op 3 september 2012 is van een ING betaalrekening van een derde, zonder toestemming van de rekeninghouder, een totaalbedrag van € 6.880,- overgeboekt naar een ING betaalrekening van een andere derde (hierna: ‘begunstigde 1’). Vervolgens is van de betaalrekening van begunstigde 1 een totaalbedrag van € 6.805,- bijgeschreven op de ABN AMRO betaalrekening van Consument (begunstigde 2). Diezelfde dag is een bedrag van
€ 3.100,- van de ABN AMRO betaalrekening van Consument door geboekt naar een betaalrekening op naam van weer een andere derde (hierna: ‘begunstigde 3’). Daarnaast zijn er verschillende opnames en betalingen verricht ten laste van de ABN AMRO betaalrekening van Consument voor een totaalbedrag van € 3.700,-, een en ander met behulp van de bankpas van Consument met nummer [..2..] en de bijbehorende pincode.
3.5. Bij brief van 7 september 2012 heeft ABN AMRO Consument bericht dat zijn betaalrekening betrokken is geweest bij frauduleuze handelingen, waarna Consument contact heeft opgenomen met ABN AMRO. Op 25 september 2012 heeft Consument aangifte van oplichting gedaan bij de politie.
3.6. Aangeslotene heeft de bancaire relatie met Consument opgezegd en zijn persoonsgegevens voor de duur van 8 jaar opgenomen in het (interne) Incidentenregister met het daaraan gekoppelde Externe Verwijzingsregister (hierna: ‘het EVR’).
3.7. Aangeslotene heeft de bepalingen van het Protocol ‘Incidentenwaarschuwings – systeem Financiële instellingen’ van 3 maart 2011 (hierna: ‘Protocol’) onderschreven, is daarmee Deelnemer geworden en is op grond daarvan gerechtigd om onder bepaalde voorwaarden gegevens van haar cliënten vast te leggen in het daarbij behorende Incidentenregister en EVR. Het Protocol bevat onder meer de volgende bepalingen:
Artikel 2 Begripsbepaling
[…]
Incident een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding.

Incidentenregister de gegevensverzameling(en) van de Deelnemer, waarin gegevens zijn vastgelegd voor het in artikel 4.1.1 Protocol genoemde doel, naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) Incident;
[…]

3.1 Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister
3.1.1 Iedere Deelnemer heeft een Incidentenregister, waarin door de betreffende Deelnemer gegevens van
(rechts)personen worden vastgelegd ten behoeve van het in artikel 4.1.1 Protocol genoemde doel, naar
aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) Incident. Dit Incidentenregister is door de
betreffende Deelnemer gemeld bij het CBP. Onder verantwoordelijkheid van de Deelnemer treedt
Veiligheidszaken op als (sub)beheerder van het Incidentenregister.
3.1.2 Aan het Incidentenregister is het Extern Verwijzingsregister gekoppeld. Dit Extern Verwijzingsregister is raadpleegbaar door de Deelnemers, alsmede de Organisatie van de Deelnemers via een Verwijzingsapplicatie en bevat uitsluitend Verwijzingsgegevens die onder strikte voorwaarden conform artikel 5.2 Protocol door de Deelnemers mogen worden opgenomen.
[…]
4.1 Doel Incidentenregister
4.1.1Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden
de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incidentenregister te hanteren:
“Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:
• op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers;
• op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers;
• op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.
[…]
5.2 Vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister
5.2.1 De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.
a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.
b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.
c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.

4. De vordering en grondslagen

4.1. Consument vordert dat Aangeslotene wordt veroordeeld tot verwijdering van de persoonsgegevens van Consument uit het Incidentenregister en het EVR.
4.2. Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslagen.
– Consument ontkent betrokken te zijn geweest bij de frauduleuze handelingen die hebben plaatsgevonden met zijn betaalrekening, bankpas en pincode. Consument is zelf het slachtoffer geworden van frauduleuze handelingen van derden.
– De bij de fraude betrokken bankpas met nummer [..2..] en de bijbehorende pincode zijn niet door Consument ontvangen. Consument vermoedt dat de bankpas en pincode uit zijn brievenbus zijn ontvreemd.
– Ondanks dat Consument niet strafrechtelijk is vervolgd of veroordeeld, is Aangeslotene overgegaan tot registratie van de persoonsgegevens van Consument in het Incidentenregister en het EVR.
4.3. Aangeslotene heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd.
– Aangeslotene heeft een meer dan gegronde verdenking dat Consument betrokken is geweest bij de frauduleuze handelingen die hebben plaatsgevonden met zijn betaalrekening.
– Consument heeft de vermissing van de bankpas pas bij ABN AMRO gemeld nadat de fraude heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft Consument geen plausibele verklaring gegeven hoe derden buiten zijn medeweten om een spoedopdracht ten laste van zijn ABN AMRO betaalrekening hebben kunnen geven.
– Vanwege het belang van Aangeslotene bij het handhaven van de integriteit van het financiële stelsel en het voorkomen en bestrijden van fraude, acht Aangeslotene het noodzakelijk om de persoonsgegevens van Consument op te nemen in het Incidentenregister en het EVR.

5. Beoordeling

5.1. De Commissie dient te beoordelen of Aangeslotene in redelijkheid heeft mogen overgaan tot het opnemen van de persoonsgegevens van Consument in het Incidentenregister en het EVR.
5.2. Hoewel Consument iedere betrokkenheid bij de frauduleuze handelingen die hebben plaatsgevonden met zijn ABN AMRO betaalrekening ontkent, staat tussen partijen niet ter discussie dat de bedragen die van de rekening van begunstigde 1 naar de ABN AMRO betaalrekening van Consument zijn overgeschreven van fraude afkomstig waren. Vrijwel direct na deze bijboeking is het bijgeschreven bedrag, via diverse transacties, van de ABN AMRO betaalrekening van Consument overgeboekt dan wel opgenomen, waarbij gebruik is gemaakt van de bankpas van Consument met nummer [..2..] en de bijbehorende pincode. Consument heeft gesteld dat hij de bankpas met nummer [..2..] en de bijbehorende pincode nimmer heeft ontvangen en dat deze vermoedelijk uit zijn brievenbus zijn ontvreemd. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de gemachtigde van Consument tijdens de hoorzitting een ‘reconstructie’ video getoond. De Commissie acht het, gelet op de hoogte van de brievenbussleuf en de grootte van de achterliggende postbak zoals op de video vertoond, onwaarschijnlijk dat een onbevoegde derde zowel de bankpas als de pincode, welke op afzonderlijke momenten aan Consument zijn verstuurd, uit de brievenbus van Consument heeft kunnen ontvreemden. Het is de Commissie overigens gebleken dat Consument de vermissing van de bankpas pas bij Aangeslotene heeft gemeld nadat de fraude heeft plaatsgevonden. Ook is opmerkelijk dat de ABN AMRO betaalrekening van Consument sinds mei 2011 niet meer actief werd gebruikt.
5.3. De Commissie is van oordeel dat op basis van de in rechtsoverweging 5.2. genoemde omstandigheden het vermoeden dat Consument betrokken is geweest bij de frauduleuze handelingen die hebben plaatsgevonden met zijn ABN AMRO betaalrekening zo sterk is dat Aangeslotene in redelijkheid tot registratie van de persoonsgegevens van Consument in het Incidentenregister en het EVR heeft mogen overgaan. Nader onderzoek, zoals door Consument tijdens de hoorzitting gesuggereerd, is naar het oordeel van de Commissie dan ook niet nodig. Ook aan het feit dat strafrechtelijk nog geen vervolging of veroordeling heeft plaatsgevonden kan in deze klachtprocedure geen consequentie ten gunste van klager worden verbonden.
5.4. Ingevolge artikel 5.2.1. van het Protocol dient bij de registratie van persoonsgegevens in het EVR het proportionaliteitsbeginsel in acht te worden genomen. De Commissie is van oordeel dat bij de afweging van de belangen het belang van Aangeslotene dient te prevaleren nu zij voldoende ernstige bezwaren heeft aangevoerd om handhaving van de persoonsgegevens van Consument in het EVR te rechtvaardigen. Consument heeft niet althans onvoldoende gesteld dat hij disproportioneel wordt geraakt in zijn belangen door opname van zijn gegevens in het EVR. De Commissie neemt daarbij in aanmerking dat Consument eventueel een zogeheten convenantenrekening kan openen.
5.5. Resumerend is de Commissie van oordeel dat Aangeslotene heeft mogen overgaan tot het opnemen van de persoonsgegevens van Consument in het Incidentenregister en het EVR en de vordering van Consument dient te worden afgewezen. Alle overige door partijen ingebrachte stellingen en argumenten kunnen niet tot een ander oordeel leiden en zullen derhalve onbesproken blijven.

6. Beslissing

De Commissie stelt bij bindend advies vast dat de vordering van Consument wordt afgewezen.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/wie-behandelt-mijn-klacht-1/4#stappen-plan.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 13:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact