Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2014-440 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2014-440 d.d.
16 december 2014
(mr. A.W.H. Vink, voorzitter en mr. M. van Pelt, secretaris)

Samenvatting

Consument doet een beroep op de WAM-verzekering van de persoon die hem in de auto heeft aangereden. De WAM-verzekeraar wijst zijn schadeclaim af op grond van artikel 7:941 lid 5 BW, omdat Consument opzet zou hebben gehad de verzekeraar te misleiden. De Commissie oordeelt dat niet is gebleken dat Consument opzet heeft gehad de verzekeraar te misleiden. Nu opzet niet is vastgesteld moet Aangeslotene overgaan tot het vergoeden van de schade en moeten de registraties van de persoonsgegevens ongedaan worden gemaakt.

Consument,

tegen

Allianz Nederland Schadeverzekeringen N.V., gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen Aangeslotene.

1. Procedure

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:
– het dossier van de Ombudsman Financiële Dienstverlening;
– het verzoek tot geschilbeslechting van Consument met bijlagen, ontvangen op 22 januari 2014;
– het verweerschrift van Aangeslotene met bijlagen;
– de repliek van Consument met bijlagen;
– de dupliek van Aangeslotene.

De Commissie stelt vast dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening (hierna: de Ombudsman) niet tot oplossing van het geschil heeft geleid en dat partijen het advies van de Commissie als bindend zullen aanvaarden.
Partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 28 oktober 2014 te Den Haag en zijn aldaar verschenen.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.
2.1 Consument heeft op 10 november 2010 met zijn auto (Mercedes C220) een aanrijding gehad met de bij Aangeslotene verzekerde auto (Volkswagen Passat) die werd bestuurd door de heer [X]. Gelet op de situatie ter plaatse was [X] gehouden aan Consument voorrang te verlenen. De schade is bij Aangeslotene gemeld.
2.2 Aangeslotene heeft naar aanleiding van de schademelding een onderzoek laten uitvoeren voor de schadevaststelling door expertisebureau ITEB en een verkeersongevallenanalyse door MVOA. In het rapport van 23 december 2010 van MVOA is als vraagstelling opgenomen:
“Gevraagd werd om vanuit technische zin te beoordelen of het schadebeeld der voertuigen kan passen bij de toedracht zoals geschetst door betrokken partijen.”
De expert schrijft verder het volgende:
“Kortom, de door de betrokken bestuurders geschetste snelheden van ± 50 km/h [Volkswagen] enerzijds en ± 30 km/h [Mercedes] anderzijds zouden tot een beduidend hoger schadebeeld aan de betrokken voertuigen hebben moeten leiden, dan het beeld dat ons thans voorligt. Deze geschetste snelheden kunnen schadetechnisch aldus niet kloppen. Wat dat betreft ben ik van mening, dat als de Volkswagen tegen de Mercedes is gebotst, dan kan dat alleen mogelijk zijn geweest, indien de snelheid van de Volkswagen tijdens de botsing ± 30 km/h en waarschijnlijk zelfs lager dan ± 30 km/h is geweest en de Mercedes tijdens de botsing stil heeft gestaan dan wel nagenoeg stil heeft gestaan. (…)
Uit het onderzoek van de heer Kooijman van ITEB kan herleid worden, dat door de Volkswagenbestuurder geschetst en gesteld wordt, dat de Mercedes en de Volkswagen op het kruisingsvlak tot stilstand kwamen, in een onderlinge positie zoals is weergegeven op het SAF. Zie nevenstaande afdruk. Dit wijst naar mijn overtuiging alleen op de omstandigheid, dat de Volkswagen met een lagere snelheid dan 50 km/h tegen een stilstaande Mercedes is gebotst. In ieder geval niet tegen een Mercedes die daar met een snelheid van 30 km/h reed. (…)
A. Conclusies: (…)
 De door partijen geschetste snelheden tijdens de botsing van ± 50 km/h voor de Volkswagen en ± 30 km/h voor de Mercedes kunnen echter niet kloppen en zijn derhalve onjuist. Deze botssnelheden komen immers niet overeen met het thans voorliggende schadebeeld én ook niet met de geschetste eindposities.”
2.3 Bij brief van 6 januari 2011 heeft Aangeslotene aan Consument medegedeeld dat zij van mening is dat Consument haar een onjuiste voorstelling van zaken heeft voorgehouden en dat Consument daarom geen recht heeft op een vergoeding. Tevens maakt Aangeslotene melding dat de gegevens van Consument opgenomen worden in het Incidentenregister en dat dat gemeld wordt aan het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude (CVB) van het Verbond van Verzekeraars.
2.4 Na een oproep in een krant heeft een getuige bij brief van 26 januari 2011 de volgende verklaring opgesteld.
“Hiermede verklaar ik (…) dat ik op 10/11/2010 een aanrijding heb zien gebeuren op de [straat] te hoogte van huis nr … te [plaats].
Omstreeks 1 uur zag ik een auto aan de linkerkant van de weg op mij afkomen, ik reed op de rechterkant van de weg op mijn fiets. Het viel mij namelijk op omdat deze auto met zijn grote licht aan reed. Plotseling zag ik dat er links een andere auto aan kwam en recht op de auto in reed de auto met de lichten bleek een zilvergrijze Mercedes te zijn en de andere een donkere auto waarvan ik het type niet weet. Ik was op dat moment verbaast door de harde klap die ik hoorde, ik stopte en zag de twee bestuurders uitstappen en die liepen naar elkaar toe, gelukkig was er niemand gewond en ik weer verder gegaan op mijn fiets. Toen ik in het weekend de telegraaf las kwam ik bij de speurders uit en las de oproep waar ik op gereageerd heb.”
2.5 Consument heeft een contra-expertise laten verrichten door Ongevallenanalyse Apeldoorn VOF. Op 14 augustus 2012 rapporteerde deze expert onder meer het volgende.
“Korte inleiding: Nadat in een vooronderzoek twijfels waren gerezen over de toedracht in relatie tot de gemelde toedracht werd aan MVOA de opdracht verstrekt tot het uitbrengen van een ongevallenanalyse rapport. Thans wordt mij gevraagd met het beschikbare materiaal een contra expertise uit te voeren. Hierbij moet vooraf worden vermeld, dat de inhoud van het dossier beperkter is dan het materiaal wat MVOA voor de expertise ter beschikking had. (…)
Als beide bestuurders na de botsing met hun voertuigen nog op de kruising zijn gebleven, kan dat worden geïnterpreteerd als: ze waren volledig op de kruising tot stilstand gekomen of ze waren grotendeels op de kruising tot stilstand gekomen. Ik zeg hier bewust als, want op het aanrijdingsformulier wordt door de bestuurders een schets gemaakt van de aanrijding en niet van de posities van de voertuigen na de aanrijding. Nergens in de mij verstrekte documentatie trof ik een aanduiding van de eindposities van de voertuigen aan, zodat deze niet bekend zijn geworden. (…) Verder kan rekening worden gehouden met het feit dat de schaden van de voertuigen beide ergens tussen EES 15 km/h en EES 25 km/h kunnen hebben gelegen. (…) De conclusie die ik na enige simulaties van de botsing heb zijn de volgende. De Volkswagen kan met een snelheid van 30 tot 35 km/h in botsing met de Mercedes zijn gekomen. De Mercedes kan eveneens met een snelheid van 30 tot 35 km/h in botsing zijn gekomen. Hierbij treden EES waarden op die niet boven de hiervoor gestelde waarden uitkomgen. Bij alle simulaties bleven de voertuigen grotendeels op de weg en daarmee tevens ook op de kruising. Vanuit de simulaties kan tevens worden beoordeeld of de schade aan de Mercedes, die zich over een lengte van circa 2,00 m uitstrekte, wel tijdens deze aanrijding kon worden veroorzaakt. Daarbij zag ik, dat tijdens de uitloopbewegingen de rechter voorzijde van de Volkswagen contact had met de Mercedes nabij het rechter voor spatscherm en achter het rechter voorwiel van de Mercedes. Daarmee is duidelijk, dat de schade aan de Mercedes vanuit een dergelijke botsing tussen beide voertuigen in beweging met de snelheden hierboven genoemd kon ontstaan. (…) De conclusie [van MVOA] dat de schade aan de ongevalsvoertuigen niet overeenkomt met de resultaten (schade) van de testvoertuigen is door mij te bevestigen. De oorzaak daarvan is de aanname van de botssnelheid van de Volkswagen van 50 km/h.
Hierna wordt een proef met een stilstaand en een rijdend voertuig aangehaald. Hierover wordt verklaard, dat er overeenkomst te constateren valt met de schade aan de ongevalsvoertuigen en dat daarom de Mercedes stilgestaan moet hebben tijdens de botsing met de Volkswagen. Dat kan ik niet bevestigen. De schade aan de ongevalsvoertuigen kan ook optreden bij een botsing met beiden voertuigen rijdend. Daartoe dienen de bots snelheden echter niet 50 km/h en 30 km/h te zijn. (…)
De Conclusies in de Mvoa rapportage: (…) De door partijen geschetste snelheden tijdens de botsing van circa 50 km/h voor de Volkswagen en circa 30 km/h voor de Mercedes kunnen echter niet kloppen en zijn derhalve onjuist. Deze bots snelheden komen immers niet overeen met het thans voorliggende schadebeeld én ook niet met de geschetste eindposities. Dit kan door mij niet worden bevestigd omdat de eindposities in de mij verstrekte documentatie niet voorkomen en daarbij de schadebeelden bij bots snelheden van 30 km/h van de Mercedes en 35 km/h van de Volkswagen wel degelijk overeen kunnen komen.”
2.6 De expert van Aangeslotene heeft hierop gereageerd bij brief van 22 september 2012. Daarin schrijft hij onder meer het volgende.
“Resumé:
Kortom en afsluitend, het rapport van de heer [Y] bevestigd in principe, dat de verklaarde snelheden (50 – 30 km/h) niet kunnen kloppen, zoals door mij indertijd ook al werd geconcludeerd.
Naast dit is de heer [Y] het kennelijk ook met mij eens, dat de snelheid van de Volkswagen rond de 30 á 35 km/h zal hebben gelegen. (…)
De heer [Y] meent de verklaarde snelheid van de Mercedes kloppend te houden, door met name de verklaarde eindposities in twijfel te trekken. Zoals gezegd ben ik indertijd uitgegaan van hetgeen mij hierover door de heer Kooijman van ITEB werd medegedeeld. (…)
Tot zover mijn reactie/commentaar.
Het rapport van de heer [Y] is thans geen reden om het indertijd door mij opgestelde rapport MVOA1026300 bij te moeten stellen. Ik persisteer bij de daarin vermelde conclusies en de verdere inhoud van dat rapport.”
2.7 In het destijds geldende Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (hierna: het Protocol) van 27 juli 2004 is – voor zover relevant – het volgende bepaald.
“4. Incidentenregister
4.1 Doel incidentenregister
Met het oog op het kunnen deelnemen aan het incidentenwaarschuwingssysteem, financiële Instellingen is iedere deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het incidentenregister te hanteren:
“Het geheel aan verwerkingen heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:
– op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van financiële instellingen;
– op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, haar cliënten en medewerkers;
– op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.”
4.2 Vastlegging
In het incidentenregister worden slechts gegevens opgenomen van (rechts)personen, indien er naar het oordeel van de deelnemers sprake is van een gerede aanleiding, een en ander met inachtneming van de in 4.1 genoemde doelstelling.
5. Intern verwijzingsregister (IVR)
5.2 Vastlegging
In het intern verwijzingsregister kunnen uitsluitend verwijzingsgegevens worden opgenomen van (rechts)personen waarvan gegevens zijn vastgelegd in het incidentenregister en die een risico vormen voor (de organisatie van) de deelnemer. Daarbij kunnen de volgende criteria als richtsnoer gelden:
– (redelijk vermoeden van) opzettelijke benadeling van de deelnemer, oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of poging daartoe;
– (redelijk vermoeden van) het plegen van strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften dan wel pogingen daartoe, gericht tegen de deelnemer, de organisatie van de deelnemer, haar cliënten en medewerkers.
6. Extern verwijzingsregister (EVR/EVI)
6.2 Vastlegging
Deelnemers dragen er voor zorg dat verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna vermelde criteria voldoen worden opgenomen in het extern verwijzingsregister. Opname geschiedt in beginsel door de financiële instelling die benadeeld is. Andere bij het incident betrokken deelnemers kunnen echter ook tot opname van gegevens overgaan, indien het nadeel de financiële sector in zijn algemeenheid treft.
De beslissing tot vastlegging wordt genomen door daartoe aangewezen medewerkers van de veiligheidsafdeling of daartoe geautoriseerde functionaris van de deelnemer. Voor opname in het extern verwijzingsregister gelden de volgende opnamecriteria:
1. De activiteiten van de (rechts)persoon kunnen een bedreiging vormen voor de continuïteit en de integriteit van financiële instellingen, de financiële belangen van cliënten en/of de financiële belangen van de (organisatie van de) deelnemer.
2. Er dient een proportionaliteitsafweging plaats te vinden, waarbij de betreffende functionaris vaststelt, dat het belang van de opname in het verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor betrokkene als gevolg van de opname van zijn gegevens.
3. De betreffende (rechts)persoon moet betrokken zijn bij een benadeling van enige financiële instelling (of poging daartoe) of bij onoorbaar gebruik (of poging daartoe) van het financieel stelsel van zodanige aard
– dat aangifte bij een opsporingsinstantie is gedaan of kan worden gedaan of
– de relatie of overeenkomst is opgezegd of het besluit daartoe is of
– is geweigerd om een relatie of overeenkomst aan te gaan.”

3. Geschil

3.1 Consument vordert dat Aangeslotene de door hem geleden schade vergoedt. Door hem begroot op:
– € 2.400,- voor de schade aan zijn auto, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de schadedatum;
– € 83,30 taxatiekosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de factuurdatum;
– € 833,- kosten voor een huurauto, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de factuurdatum;
– € 496,- proceskosten, inclusief eigen bijdrage aan Kifid ad € 50,-.
Daarnaast vordert Consument van Aangeslotene doorhaling van de interne en externe registraties en ongedaan making van de melding bij Centrum Bestrijding
Verzekeringsfraude (CVB).
3.2 Aan deze vordering legt hij ten grondslag dat:
– de verzekerde van Aangeslotene aansprakelijk is voor de aanrijding en Consument op grond van artikel 6 WAM een eigen recht op schadevergoeding heeft jegens Aangeslotene. Aangeslotene weigert de uitkering ten onrechte op grond van artikel 7:941 lid 5 BW. De conclusies van de contra-expert onderbouwen echter dat geen sprake is geweest van opzet tot misleiding.
– nu geen sprake is van opzet tot misleiding bestaat voor de registraties geen goede grond, althans zijn deze disproportioneel.
3.3 Aangeslotene heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd.
– er is sprake van opzet tot misleiding zoals bedoeld in artikel 7:941 lid 5 BW, zodat Aangeslotene op die grond uitkering kan weigeren. De opzet tot misleiding volgt uit de expertiserapporten waaruit naar voren komt dat de opgegeven snelheden van de auto’s niet kloppen. Deze snelheden sluiten niet aan bij de opgegeven eindsituatie van de auto’s en de ontstane schade. Consument heeft opgegeven dat hij ongeveer 30 km per uur reed op het moment van de aanrijding. Uit de expertise volgt dat dit niet juist kan zijn. Aldus staat vast dat Consument opzettelijk een onjuiste opgave heeft gedaan over de snelheid waarmee hij reed.
– doordat opzet tot misleiden is aangetoond, is de registratie in de registers terecht geschied.

4. Beoordeling

4.1 Tussen partijen is niet in geschil dat de verzekerde van Aangeslotene aansprakelijk is voor de aanrijding met de auto van Consument en Consument op grond van artikel 6 WAM een directe actie jegens Aangeslotene heeft.
4.2 Aangeslotene voert aan dat zij desondanks niet tot uitkering onder de verzekering gehouden kan worden en beroept zich daartoe op het bepaalde in artikel 7:941 BW. Dit artikel houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:
Lid 2: “De verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde zijn verplicht binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen.”
Lid 5: “Het recht op uitkering vervalt indien de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde een verplichting als bedoeld in de leden 1 en 2 niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden, behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt.”
4.3 Aan de orde is dan de vraag of Consument (i) zijn verplichting om Aangeslotene alle inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor de beoordeling van diens uitkeringsplicht niet is nagekomen (ii) of Consument daarbij de opzet had Aangeslotenen te misleiden en (iii) of deze misleiding het verval van uitkering kan rechtvaardigen. Uitgangspunt is dat daarbij telkens op Aangeslotene de last rust feiten en omstandigheden te stellen en, bij voldoende betwisting te bewijzen waaruit kan volgen dat aan elk van de voorwaarden voor een geslaagd beroep op artikel 7:941 lid 5 BW is voldaan.
4.4 De Commissie stelt vast dat beide partijen het er over eens zijn dat de in eerste instantie opgegeven snelheden van 50 en 30 km per uur niet kunnen kloppen. Daarmee staat vast dat de door Consument verstrekte informatie over de gereden snelheid niet juist was. Voor opzet tot misleiding moet Consument echter geweten hebben dat de door hem opgegeven snelheid niet klopte. Aangeslotene stelt daartoe dat uit de rapporten van de door haar ingeschakelde experts volgt dat de auto van Consument stilstond ten tijde van de aanrijding, dat Consument daarom moet hebben geweten dat de door hem opgegeven snelheid niet klopte, en dat hij dus opzettelijk een onjuiste mededeling heeft gedaan. Consument heeft op zijn beurt een getuigenverklaring overgelegd waaruit volgt dat een getuige heeft gezien dat partijen niet stil, dan wel nagenoeg stil stonden, maar elkaar tegemoet reden. Bovendien stelt Consument dat, zoals uit het rapport van de contra-expert volgt, ook bij een langzamere snelheid dan werd opgegeven de bewuste schade kan zijn ontstaan. Consument stelt dat hij zich wellicht kan hebben vergist in zijn snelheid ten tijde van de aanrijding maar dat hij zeker niet stilstond. De Commissie stelt vast dat deze lezing door de inhoud van de door Aangeslotene overgelegde expertiserapporten niet, althans niet voldoende wordt weerlegd.
4.5 Ook uit het rapport van MVOA volgt niet dat Consument stil moet hebben gestaan, maar slechts dat de Mercedes tijdens de botsing stil heeft gestaan dan wel nagenoeg stil heeft gestaan. Verder blijkt uit het rapport van MVOA dat zij haar conclusie met name baseert op de eindposities van de voertuigen, waarvoor wordt aangeknoopt bij de op het schade aangifte formulier gemaakte schets waarvan door [X] zou zijn verklaard dat het de eindposities betreft. Consument heeft echter betwist dat de schets de eindposities zou weergeven, terwijl uit het schadeformulier zelf volgt dat daarop de posities op het moment van botsing moeten worden ingetekend.
Dit brengt mee dat, zoals ook de contra-expert opmerkt, niet met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat de schets op het schade aangifte formulier de eindposities van de voertuigen na de botsing juist weergeeft. Tegen die achtergrond acht de Commissie de conclusies van de expert van Aangeslotene, mede gelet op de daarvan afwijkende conclusie van de contra-expert, onvoldoende zeker om – zoals Aangeslotene doet – als vaststaand te kunnen aannemen dat Consument ten tijde van de aanrijding moet hebben stilgestaan en dat hij dus opzettelijk onwaarheid moet hebben gesproken over zijn snelheid ten tijde van de aanrijding. Bij dit alles komt nog dat op geen enkele wijze is gesteld of gebleken dat en, zo ja, hoe Consument met het afleggen van een onjuiste verklaring over zijn snelheid Aangeslotene zou hebben willen of kunnen bewegen tot het doen van een uitkering waarop hij anders geen recht zou hebben gehad.
4.6 De slotsom is dan ook dat Aangeslotene niet in het door haar te leveren bewijs van opzet tot misleiding is geslaagd en zij dus ten onrechte met een beroep op artikel 7:941 lid 5 BW dekking heeft geweigerd.
4.7 Aangeslotene heeft geen andere gronden aangevoerd om de schadevordering van Consument geheel of gedeeltelijk af te wijzen. Noch heeft Aangeslotene de hoogte van de gevorderde schadeposten betwist. De vordering van Consument kan derhalve worden toegewezen. Wat betreft de proceskosten, oordeelt de Commissie dat de Commissie normaliter aansluiting zoekt bij het liquidatietarief van Rechtbanken. Nu de gevorderde proceskosten hieronder blijven, kan de volledige € 446,- worden toegewezen. Omdat Consument in het gelijk wordt gesteld, dient Aangeslotene tevens het door Consument betaalde klachtgeld ad € 50,- voor de behandeling van dit geschil aan Consument te vergoeden.
4.8 Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente, geldt voor de schade aan de auto als startdatum 10 november 2010, de datum van het ongeval. Voor de andere schadeposten geldt als startdatum voor de wettelijke rente steeds de datum waarop de betreffende factuur is voldaan door of namens Consument. Dat was voor de facturen van € 83,30 en € 833,- beiden op 3 december 2010.
4.9 Tot slot verzoekt Consument ongedaan making van de registraties van zijn persoonsgegevens. Nu niet is komen vast te staan dat Consument met de schadeopgave opzet had Aangeslotene te misleiden en bovendien door Aangeslotene niet aannemelijk is gemaakt dat door voormelde gebeurtenis het belang, de integriteit en de veiligheid van Aangeslotene, althans de financiële sector, in het geding kunnen zijn, zodat naar het oordeel van de Commissie opname van de persoonsgegevens van Consument in het Incidentenregister, het Intern Verwijzingsregister, en het Externe Verwijzingsregister blijkens de artikelen 4.2, 5.2 en 6.2 van het Protocol niet aanvaardbaar is en de gegevens daaruit dienen te worden verwijderd. De melding aan het CVB is daarmee ook niet terecht gedaan en zal ongedaan moeten worden gemaakt.

5. Beslissing

De Commissie beslist bij bindend advies dat Aangeslotene binnen vier weken na de dag waarop een afschrift van deze beslissing aan partijen is verstuurd, aan Consument vergoedt
– een bedrag van € 2.400,- met rente gelijk aan de wettelijke rente vanaf 10 november 2010 tot aan de dag van algehele voldoening en
– een bedrag van € 916,30 met rente gelijk aan de wettelijke rente vanaf 3 december 2010 tot aan de dag van algehele voldoening en
– met vergoeding aan de Consument van diens eigen bijdrage aan de behandeling van deze klacht, zijnde € 50,- en een proceskostenvergoeding van € 446,-.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/wie-behandelt-mijn-klacht-1/4#stappen-plan.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact