Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2014-445 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2014-445 d.d.
18 december 2014
(mr. A.W.H. Vink, voorzitter en mr. F.E. Uijleman, secretaris)

Samenvatting

Consument ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Tussen consument en de verzekeraar is in geschil wat de juiste aanvullingsrente is die moet worden toegepast voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering. Consument stelt dat de aanvullingsrente 10% is en beroept zich daarbij op de verzekeringsvoorwaarden uit 2007. De verzekeraar beroept zich op de verzekeringsvoorwaarden uit 1996 waarin wordt uitgegaan van een aanvullingsrente van 5%. De commissie oordeelt dat consument geen beroep toekomt op de verzekeringsvoorwaarden uit 2007 omdat deze uitsluitend van toepassing zijn op verzekerden die in het geval van arbeidsongeschiktheid aanspraak kunnen maken op een uitkering krachtens de Wet Werk en inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Verder oordeelt de commissie dat de door de verzekeraar gemaakte keuze om ten aanzien van verzekerden die die in het geval van arbeidsongeschiktheid aanspraak kunnen maken op een uitkering krachtens de WIA een hogere aanvullingsrente te hanteren, binnen de grenzen van de hem toekomende beleidsvrijheid valt en dat ook niet gebleken is dat de verzekeraar in redelijkheid niet op de door hem aangedragen gronden tot die keuze heeft kunnen komen.
De commissie wijst de vordering af.

Consument,

tegen

Loyalis Schade N.V., gevestigd te Heerlen, hierna te noemen Aangeslotene.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:

– het dossier van de Ombudsman Financiële Dienstverlening;
– het door Consument ondertekende klachtformulier Geschillencommissie;
– de brief van Consument met bijlagen van 2 januari 2014;
– het verweerschrift van Aangeslotene met bijlagen van 18 maart 2014;
– de repliek van Consument met bijlagen van 23 maart 2014;
– de dupliek van Aangeslotene van 25 april 2014.

2. Overwegingen

De Commissie heeft het volgende vastgesteld.
Tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening heeft niet tot oplossing van het geschil geleid.

Beide partijen zullen het advies van de Commissie als bindend aanvaarden.
Partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 28 oktober 2014 en zij aldaar verschenen.

3. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten:
3.1. Consument heeft met ingang van 1 januari 1996 bij Aangeslotene een IP Aanvullingsplan (IPAP) (hierna genoemd: de verzekering) afgesloten. Op het ten name van Consument gestelde verzekeringscertificaat is vermeld dat de verzekering voorziet in een uitkering bij gedeeltelijke en volledige arbeidsongeschiktheid.
3.2. Bij aanvang van de verzekering zijn de Algemene en Speciale Verzekeringsvoorwaarden Arbeidsongeschiktheid (model: 95.0163.98) van toepassing. In de Speciale Verzekeringsvoorwaarden Volledige Arbeidsongeschiktheid is, voor zover relevant, het volgende vermeld:
“Artikel 3 Omvang van de dekking
a. Dekking van inkomensverlies in geval van volledige arbeidsongeschiktheid:
1. (…)
2. Indien arbeidsongeschiktheid (eerste verzuimdag) aanvangt of een bij de aanvang van de verzekering bestaande gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid toeneemt tijdens een wachttermijn:
Indien sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid van de Verzekerde bestaat vanaf de aanvangsdatum van de uitkering (zie artikel 4) recht op een aanvullingsrente. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de leeftijd van de gerechtigde in de periode waarover de uitkeringsrente wordt betaald. Zolang de Verzekerde de 55 jarige leeftijd nog niet heeft bereikt bedraagt de aanvullingsrente 10% van het verzekerde jaarinkomen. Daarna bedraagt de aanvullingsrente 5% van het verzekerde jaarinkomen.
(…)
Artikel 4 Aanvang van de uitkering
De uitkering vangt aan op het moment van ontslag mits er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. (…).”
3.3. In 2002 heeft Consument een nieuwe versie van de Algemene en Speciale Verzekeringsvoorwaarden (model: IPAP Werkgever/01012002) ontvangen. Deze voorwaarden zijn ingegaan per 1 januari 2001.
3.4. Artikel 3 en 4 van de Speciale Verzekeringsvoorwaarden voor de dekking bij volledige arbeidsongeschiktheid luiden als volgt:
“Artikel 3 Omvang van de dekking
Dekking van inkomensverlies in geval van volledige arbeidsongeschiktheid:
a. Indien arbeidsongeschiktheid (eerste ziekteverzuimdag) is aangevangen, bestaat vanaf de aanvangsdatum van de uitkering (zie artikel 4 hierna) recht op uitkering in de vorm van een aanvullingspensioen van 10% van het verzekerde jaarinkomen tot en met de maand waarin de verzekerde de 55 jarige leeftijd heeft bereikt. Het aanvullingspensioen aan verzekerde van 55 jaar en ouder bedraagt vanaf de eerste dag van de maand na de maand waarin de leeftijd van 55 is bereikt 5% van het verzekerde jaarinkomen.
b. (…)

Artikel 4 Voorwaarden voor de uitkering van het aanvullingspensioen
Behoudens het overige in deze polisvoorwaarden gestelde, komt de verzekering slechts tot uitkering indien aan de navolgende voorwaarden is voldaan:
a. verzekerde is ontslag verleend op grond van arbeidsongeschiktheid (…)
(…)”
3.5. In 2007 heeft Consument weer nieuwe Algemene en Speciale Verzekeringsvoorwaarden ontvangen (model: IPAP Werkgever 01/01/2007). In de inleiding bij de voorwaarden is vermeld dat deze voorwaarden uitsluitend van toepassing zijn op verzekerden die in het geval van arbeidsongeschiktheid aanspraak kunnen maken op een uitkering krachtens de Wet Werk en inkomen naar Arbeidsvermogen (hierna genoemd: WIA). Verder vermeldt de inleiding dat de voorwaarden van kracht zijn per 1 januari 2007 en dat de Algemene Voorwaarden op alle afgesloten dekkingen van toepassing zijn.
3.6. Artikel 3 van de Speciale Verzekeringsvoorwaarden voor de dekking bij volledige en (niet) duurzame arbeidsongeschiktheid bepaalt het volgende:
“Artikel 3 Omvang van de dekking
Dekking van inkomensverlies in geval van volledige en (niet) duurzame arbeidsongeschiktheid:
a. Indien aan de voorwaarden voor de uitkering is voldaan (zie hierna artikel 4) bestaat vanaf de aanvangsdatum van de uitkering (zie hierna artikel 5) recht op uitkering in de vorm van een aanvullingsrente van 10% van het verzekerde jaarinkomen tot de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de 65 jarige leeftijd bereikt;
(…)”
3.7. Met ingang van 1 januari 2011 is Consument ontslag verleend door haar voormalige werkgever wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Met het oog op het ontslag heeft Consument in 2010 een beroep gedaan op de verzekering.
3.8. Bij brief van 6 december 2010 heeft Aangeslotene Consument bericht dat zij vanaf 1 januari 2011 recht heeft op een IPAP-uitkering. Ten aanzien van de hoogte en duur van de uitkering heeft Aangeslotene het volgende vermeld:
“Hoogte en duur van de uitkering
U ontvangt tot de leeftijd van 65 jaar 5% van uw verzekerde jaarinkomen.
Onder voorwaarde dat uw arbeidsongeschiktheidspercentage niet wijzigt. Dit betekent voor u het volgende:
U hebt recht op deze uitkering vanaf 1 januari 2011
(…)
Het uitkeringspercentage is 5%”

4. De vordering en grondslagen

4.1. Consument vordert dat Aangeslotene de hoogte van de aanvullingsrente met terugwerkende kracht vaststelt op 10% van het verzekerde jaarinkomen.
4.2. Deze vordering steunt kort en zakelijk op de volgende grondslagen:
– Op de verzekering zijn de Algemene en Speciale verzekeringsvoorwaarden uit 2007 van toepassing. Consument leidt dit af uit de inleiding bij de voorwaarden, waarin is vermeld dat de Algemene Voorwaarden op alle afgesloten dekkingen van toepassing zijn. Omdat in artikel 3 van de Speciale Voorwaarden voor de dekking bij volledige en (niet) duurzame arbeidsongeschiktheid is bepaald dat de aanvullingsrente in geval van volledige arbeidsongeschiktheid 10% van het verzekerde jaarinkomen bedraagt, had Aangeslotene geen aanvullingsrente van 5% mogen toepassen.
– Aangeslotene maakt voor de hoogte van de aanvullingsrente ten onrechte onderscheid tussen enerzijds verzekeringnemers die een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna genoemd: WAO) ontvangen en anderzijds verzekeringsnemers die een uitkering op grond van de WIA ontvangen. Consument stelt daartoe dat de WAO en WIA in feite dezelfde wetten zijn en dat daarom sprake is van een gelijkwaardige situatie. Aangeslotene maakt zich dan ook schuldig aan willekeur door voor verzekeringnemers die een WIA-uitkering ontvangen een hogere aanvullingsrente te hanteren vanaf de leeftijd van 55 jaar dan ten aanzien van de verzekeringsnemers met een WAO-uitkering.
4.3. Aangeslotene voert tegen de stellingen van Consument verweer en verzoekt afwijzing van de vordering. Op de stellingen die Aangeslotene aan haar verweer ten grondslag legt wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. Beoordeling

5.1. In geschil is het antwoord op de vraag welke verzekeringsvoorwaarden van toepassing zijn en daarmee welke aanvullingsrente door Aangeslotene dient te worden toegepast. Consument stelt dat de Algemene en Speciale verzekeringsvoorwaarden uit 2007 van toepassing zijn en dat Aangeslotene op grond van artikel 3 van de Speciale Verzekeringsvoorwaarden gehouden is een aanvullingsrente van 10% van het verzekerde jaarinkomen toe te passen. Aangeslotene heeft dit gemotiveerd betwist. Zij stelt kort gezegd dat de Algemene en Speciale verzekeringsvoorwaarden uit 1996 (model: 95.0163.98) van toepassing zijn en dat Consument ingevolge artikel 3 van de Speciale voorwaarden recht heeft op een aanvullingsrente die gelijk is aan 5% van het verzekerde jaarinkomen.
5.2. In de inleiding van de laatste versie van de Algemene en Speciale Verzekeringsvoorwaarden (model: IPAP Werkgever 01/01/2007) is bepaald dat de verzekeringsvoorwaarden uitsluitend van toepassing zijn op verzekerden die in het geval van arbeidsongeschiktheid aanspraak kunnen maken op een uitkering krachtens de WIA. Aan dit laatste vereiste is in het onderhavige geval niet voldaan. Consument heeft immers ter zitting verklaard dat zij ten behoeve van haar arbeidsongeschiktheid een uitkering ontvangt uit hoofde van de WAO, de voorloper van de WIA. Met Aangeslotene is de Commissie daarom van oordeel dat de bepalingen in de Algemene en Speciale Verzekeringsvoorwaarden uit 2007 niet van toepassing zijn op de arbeidsongeschiktheidsclaim van Consument.
5.3. Het voorgaande brengt mee dat ofwel de verzekeringsvoorwaarden uit 1996 (model: 95.0163.98) ofwel die uit 2002 (model: IPAP Werkgever/01012002) van toepassing zijn. De Commissie kan dit echter niet precies vaststellen nu zij daarvoor niet over alle relevante informatie beschikt. Wat hier ook van zij, vaststaat dat in beide versies van de Speciale Verzekeringsvoorwaarden is bepaald dat de verzekerde van 55 jaar en ouder recht heeft op een aanvullingsrente die overeenkomst met 5% van het verzekerde jaarinkomen. Gelet hierop heeft Aangeslotene zich naar het oordeel van de Commissie dan ook terecht op het standpunt gesteld dat Consument recht heeft op een aanvullingsrente van 5% van het verzekerde jaarinkomen.
5.4. Tot slot overweegt de Commissie dat de invoering van de WIA voor Aangeslotene aanleiding is geweest om in 2007 nieuwe verzekeringsvoorwaarden in te voeren en daarin de aanvullingsrente voor verzekerden die in het geval van arbeidsongeschikt-heid aanspraak kunnen maken op een uitkering krachtens de WIA van 55 jaar en ouder te verhogen naar 10%. Aangeslotene heeft ter zitting toegelicht dat deze wijziging verband houdt met de ten opzichte van de WAO strengere toelatingscriteria onder de WIA en de verwachting dat om die reden onder de WIA minder aanspraak op de aanvullingsrente gemaakt zou gaan worden, hetgeen voor de betreffende categorie verzekerden bij een gelijkblijvende premie een hogere dekking rechtvaardigt. Consument voert daartegenover aan dat de WIA en de WAO in feite dezelfde wetten zijn en dat het daarom onrechtvaardig is dat Aangeslotene voor verzekeringnemers die een WIA-uitkering ontvangen een hogere aanvullingsrente hanteert dan ten aanzien van de verzekeringsnemers met een WAO-uitkering.
De Commissie is van oordeel dat de door Aangeslotene gemaakte keuze ter zake van de hoogte van de aanvullingsrente voor verzekerden die in het geval van arbeidsongeschiktheid aanspraak kunnen maken op een uitkering krachtens de WIA binnen de grenzen van de haar toekomende beleidsvrijheid valt en dat overigens ook niet gebleken is dat Aangeslotene in redelijkheid niet op de door haar aangedragen gronden tot die keuze heeft kunnen komen. Onder die omstandigheden kan Consument niet worden gevolgd in haar betoog dat in haar geval toepassing van een aanvullingsrente van 5% in plaats van 10% naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
5.5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de verzekering aan Consument geen aanspraak geeft op een aanvullingsrente van 10% en dat er geen goede gronden zijn om daar in dit bijzondere geval van af te wijken. De vordering van Consument moet bij die stand van zaken worden afgewezen.

6. Beslissing

De Commissie wijst bij wege van bindend advies de vordering van Consument af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor kifid.nl/consumenten/wie-behandelt-mijn-klacht/4#stappen-plan.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact