Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2015-001 (bindend)

Uitspraak Commissie van Beroep 2015-001 d.d. 12 januari 2015
(mr. W.J.J. Los, voorzitter, mr. A. Bus, mr. J.B. Fleers, mr. F.P. Peijster en
mr. A. Smeeïng-van Hees, leden, en mr. M.J. Drijftholt, secretaris)

Samenvatting

Geldlening. De aflossing van de door de Bank aan Belanghebbende verstrekte geldlening zou na acht jaar plaatsvinden door middel van afboeking van de betaalrekening van Belanghebbende bij de Bank. Anders dan was overeengekomen heeft Belanghebbende het vrijgekomen bedrag uit een tot zekerheid voor de lening verpande kapitaalzekering nog niet aangewend voor aflossing van de geld¬lening. Belanghebbende is hiervoor zelf verantwoordelijk, evenals voor het feit dat de debetstand op de betaalrekening als gevolg van de over die debetstand in rekening gebrachte rente aanzienlijk is toegenomen.

Klik hier voor de uitspraak in eerste aanleg.

1. De procedure in hoger beroep
1.1 Bij een op 23 juni 2014 door de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening (verder: Commissie van Beroep) ontvangen beroepschrift heeft Belanghebbende een uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (verder: Geschillen¬commissie) van
13 mei 2014 (kenmerk [nummer]) ter toetsing voorgelegd.

1.2 De Bank heeft geen verweerschrift ingediend.

1.3 De Commissie van Beroep heeft het beroep mondeling behandeld op 10 november 2014. Daarbij is Belanghebbende in persoon verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde.
De Bank is met bericht niet verschenen.

2. De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst de Commissie van Beroep naar de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van de Geschillencommissie.

3. Inleiding op de beoordeling van het beroep

3.1 De Commissie van Beroep gaat uit van de door de Geschillencommissie onder 3.1 tot en met 3.5 van haar uitspraak vermelde feiten, voor zover relevant aangevuld met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.

3.2 In dit beroep gaat het om het volgende.

3.2.1 Belanghebbende heeft op 1 juli 2003 een Rentevastlening (hierna: de lening) voor een bedrag van € 46.000,- afgesloten bij de Bank. In de door Belanghebbende en de Bank ondertekende overeenkomst is opgenomen dat de aflossing van de lening plaatsvindt op
1 juli 2011 en dat aflossingen, rente, premies en provisies automatisch worden geboekt ten laste van de betaalrekening van Belanghebbende met rekeningnummer [nummer 1] (hierna: de betaalrekening). Belanghebbende heeft gedurende de looptijd van de lening alleen rente betaald. Hij heeft op de lening niet afgelost.

3.2.2 Belanghebbende heeft bij [Verzekeraar] een kapitaalverzekering gesloten met een looptijd van 20 juni 2003 tot 20 juni 2011. Deze verzekering is tot zekerheid voor de lening verpand aan de Bank.

3.2.3 Bij brieven van 22 februari 2011 en 20 april 2011 heeft de Bank Belanghebbende herinnerd aan de aflossing van de lening.
In de brief van 20 april 2011 is het volgende opgenomen:

‘Hierbij willen we u herinneren aan het aflossingsschema betreffende uw rentevastlening met rekeningnummer [nummer 2], pro resto hoofdsom EUR 46.000,00 (bedrag wat nu nog openstaat).
In de kredietovereenkomst (offerte) is opgenomen dat per 1 juli 2011 EUR 46.000,00 afgelost wordt. De lening zal derhalve volledig afgelost worden.
Het geld zal worden geboekt van uw tegenrekening met nummer [nummer 1] (per 1 juli), er komt een bedrag vrij van [Verzekeraar], waar u een kapitaalverzekering heeft lopen. (waarde is u bekend). Restant dient u op een andere manier te voldoen.
(…)’

3.2.4 De Bank heeft Belanghebbende bij brief van 28 juni 2011 bevestigd dat zij [Verzekeraar] heeft laten weten dat het pandrecht per 1 juli 2011 kan komen te vervallen en dat hij, om tot vrijgave van de gelden te komen, een schriftelijk verzoek dient te doen bij [Verzekeraar]. [Verzekeraar] heeft Belanghebbende bij brief van 1 juli 2011 verzocht het formulier ‘verzoek tot uitbetaling’ in te vullen en te ondertekenen en dat formulier, samen met een kopie van zijn identiteitsbewijs, aan [Verzekeraar] te retourneren. Belanghebbende heeft tot op heden aan dit verzoek niet voldaan.

3.2.5 De gemachtigde van Belanghebbende heeft [Verzekeraar] bij brief van 30 juni 2011 verzocht hem alle stukken die betrekking hebben op de verpanding te doen toekomen. [Verzekeraar] heeft deze stukken op 4 juli 2011 aan de gemachtigde van Belanghebbende toegezonden.

3.2.6 Op 4 juli 2011 heeft de Bank het verschuldigde bedrag van € 46.000,-, vermeerderd met een bedrag van € 254,92 aan rente, afgeboekt van de betaalrekening van Belanghebbende. Door deze afboeking is een debetstand ontstaan op die rekening.
De Bank brengt aan Belanghebbende, conform het tarief voor ongeoorloofd rood staan op een betaalrekening, een debetrente van 15% in rekening.

3.2.7 Bij brief van 27 oktober 2011 heeft de Bank Belanghebbende in gebreke gesteld in verband met de op 4 juli 2011 ontstane debetstand op zijn betaalrekening die was opgelopen tot
€ 47.275,49. Daarna heeft de Bank bij brieven van respectievelijk 23 januari 2012 en
21 februari 2012 nogmaals verzocht de debetstand aan te vullen. De debetstand bedroeg in januari 2013 € 52.054,10.

3.3 Belanghebbende heeft in eerste aanleg, kort weergegeven, aangevoerd dat een specificatie van het door de Bank van hem gevorderde bedrag van € 52.054,10 ontbreekt en dat de Bank heeft geweigerd een specificatie van dat bedrag en overige bescheiden aan zijn gemachtigde te geven ter vaststelling van onder meer het ontstaan van de schuld, het rentepercentage en de berekening van de schuld, alsook over de noodzaak van een borg. Belanghebbende heeft zijn klacht met vier nieuwe, niet tevoren aan de Bank en de Ombudsman voorgelegde, klachtonderdelen aangevuld.

3.4 De Geschillencommissie heeft overwogen, samengevat, dat het Belanghebbende duidelijk moet zijn geweest dat op 1 juli 2011 een bedrag van € 46.000,- moest worden afgelost en dat deze aflossing zou plaatsvinden door afschrijving van de betaalrekening. Volgens de Geschillencommissie moet het Belanghebbende ook duidelijk zijn geweest dat hij ervoor moest zorgen dat de uitkering van de kapitaalverzekering zou plaatsvinden.
De Geschillencommissie is van oordeel dat Belanghebbende zelf verantwoordelijk is voor het feit dat de uitkering van de kapitaalverzekering niet is aangewend voor de aflossing van de geldlening en voor het feit dat de debetstand op de betaalrekening na afboeking van het bedrag van € 46.000,- door de daarover in rekening gebrachte rente aanzienlijk is toe-genomen. De klacht van Belanghebbende is op dit punt ongegrond verklaard. Wel gegrond verklaard is de klacht dat de Bank eerst na machtiging door Belanghebbende bereid was stukken aan diens toenmalige advocaat te verstrekken. De Geschillencommissie heeft de vier nieuwe klachtonderdelen op grond van het bepaalde in artikel 13.2 van het Reglement Ombudsman & Geschillencommissie Financiële Dienstverlening niet in behandeling genomen.

4. Beoordeling van het beroep

4.1 Belanghebbende keert zich allereerst tegen het door de Geschillencommissie niet in behandeling nemen van de vier nieuwe klachtonderdelen. De Commissie van Beroep verenigt zich echter met de hiervoor aan het slot van 3.4 opgenomen beslissing en motivering van de Geschillencommissie op dit punt. Die nieuwe klachtonderdelen zullen daarom ook in beroep niet worden beoordeeld.

4.2 Belanghebbende vordert voorts zijn door de Geschillencommissie afgewezen klacht alsnog gegrond te verklaren. Belanghebbende licht in beroep nogmaals toe dat het voor hem onvoldoende duidelijk was dat hij bij het afsluiten van de lening van € 46.000,- op
1 juli 2003 akkoord is gegaan met de gekozen leenconstructie en de hiermee samen-hangende bepalingen en voorwaarden. Belanghebbende stelt, samengevat, het volgende.
Hij dacht dat hij alleen maar acht jaar lang een bedrag van € 600,- per maand inclusief rente zou moeten aflossen. Verder is met hem geen overleg gepleegd over de verzekering die de lening zou dekken bij zijn overlijden.
Het opgebouwde kapitaal kon ook zonder zijn toestemming worden vrijgegeven en hij is niet geïnformeerd over de bovenmatige debetrente in verband met de afboeking van het bedrag van € 46.000,- van zijn betaalrekening voor de aflossing van de lening. Gelet op die bovenmatige rente is de Bank gehouden een specificatie van het saldotekort te geven.

4.3 De Commissie van Beroep is van oordeel dat de door Belanghebbende in beroep gegeven (nadere) toelichting op zijn klacht niet leidt tot een andere beslissing dan die van de Geschillencommissie.
Voorop staat dat Belanghebbende ook zelf, aan de hand van de aan hem verstrekte bank-afschriften, kan nagaan op welke wijze het saldotekort van € 52.054,10 tot stand is gekomen. De specificatie van het door de Bank van hem gevorderde saldotekort heeft Belanghebbende zelf voorhanden zodat hij van de Bank niet nog eens een specificatie kan verlangen. Voor het overige moet ervan worden uitgegaan dat de door Belanghebbende ondertekende overeenkomst met de tekst: ’Aflossing: EUR 46.000,00 op 1 juli 2011’ en de tekst ‘Aflossingen worden automatisch geboekt ten laste van rekening [nummer 1] (…)’ aan Belanghebbende voldoende duidelijkheid heeft gegeven over de hoogte en het tijdstip van de aflossing, alsmede over de wijze van betaling (automatische afboeking van zijn betaal-rekening) en dat die afboeking(en) tot een debetstand op zijn betaalrekening zou(den) kunnen leiden. Daarbij moet worden betrokken dat vaststaat dat de Bank bij brieven van respectievelijk 22 februari 2011 en 20 april 2011, derhalve enkele maanden vóór 1 juli 2011 aan Belanghebbende heeft meegedeeld dat per 1 juli 2011 een bedrag van € 46.000,- diende te worden afgelost en – in de brief van 20 april 2011 – dat er een bedrag zou vrijkomen van de kapitaalverzekering van Belanghebbende bij [Verzekeraar]. Ook in beroep is niet gebleken dat sprake was van een maandelijkse aflossing door Belanghebbende, waardoor de lening na acht jaar volledig zou zijn afgelost. Evenals de Geschillencommissie acht de Commissie van Beroep Belanghebbende zelf verantwoordelijk voor het feit dat het op grond van de kapitaalverzekering uit te keren bedrag nog niet is aangewend voor de aflossing van de geldlening en voor het feit dat de debetstand op de betaalrekening als gevolg van de hierover in rekening gebrachte rente aanzienlijk is toegenomen.

4.4 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep geen doel treft, zodat de bestreden beslissing zal worden gehandhaafd.

5. Beslissing

De Commissie van Beroep handhaaft de bestreden beslissing.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 13:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact