Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2015-198 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2015-198 d.d.
6 juli 2015
(mr. J.S.W. Holtrop en mr. F.E. Uijleman, secretaris)

Consument,

tegen

Nationale-Nederlanden Levensverzekering Mij. N.V., gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen Verzekeraar.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:

– het dossier van de Ombudsman Financiële Dienstverlening;
– het door Consument ondertekende klachtformulier Geschillencommissie;
– de e-mail van Consument met bijlage van 28 juli 2014;
– het verweerschrift van Verzekeraar met bijlagen;
– de repliek van Consument;
– de dupliek van Verzekeraar.

2. Overwegingen

De Commissie heeft het volgende vastgesteld.
Tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening heeft niet tot oplossing van het geschil geleid. Beide partijen zullen het advies van de Commissie als bindend aanvaarden.

Partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 22 april 2015 en zijn aldaar verschenen.

3. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten:

3.1. In 1998 hebben Consument en zijn vrouw een hypotheek afgesloten bij een bank (hierna: de Bank). De hypotheeksom bedroeg ƒ 510.000 (€ 231.427,9) en het rentepercentage 7,1%. Hiernaast hebben zij via bemiddeling van de Bank een levensverzekering (hierna: de Verzekering) aangevraagd bij Verzekeraar. Hiertoe hebben Consument en zijn vrouw op
1 mei 1998 het aanvraagformulier spaarhypotheekverzekering ingevuld. Dit formulier vermeldt onder meer het volgende:

“Verzekerd kapitaal (…) Duur verzekering Rentevergoeding
ƒ 510.000 25 jaar 7,1% over spaarpremie

(…)

Begunstiging (…)

De verzekeringnemer bepaalt en verbindt aan de begunstiging de uitdrukkelijke en niet beroepbare voorwaarde, dat elke uitkering uit hoofde van deze verzekeringsovereenkomst zal geschieden via [de Bank] en dat [de Bank] het recht heeft deze uitkering, ter delging van de restantschuld aan te wenden, terwijl het niet voor aflossing benodigde deel door [de Bank] aan eerder genoemde begunstigde zal worden doorbetaald.”

3.2. Op 25 augustus 1998 heeft Verzekeraar het polisblad afgegeven. Het polisblad vermeldt dat de ingangsdatum 11 juni 1998 is en dat de premie gedurende de eerste vijf jaar ƒ 1.888,-
(€ 856,74) per maand en daarna ƒ 188,80 (€ 85,67) per maand bedraagt. Hiernaast vermeldt het polisblad dat de Verzekering eindigt op 11 juni 2023 en voorziet in een uitkering ter hoogte van ƒ 510.000,- (€ 231.427,91) , indien Consument op de einddatum in leven is, en in een uitkering van ƒ 510.000,-, indien Consument voor 11 juni 2023 komt te overlijden.

3.3. Het polisblad geeft verder aan dat het aanhangsel G2 van de Verzekering deel uitmaakt.
In het polisaanhangsel is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 1
1. In dit polisaanhangsel wordt verstaan onder:
hoofdsom: de hoofdsom die (nog) verschuldigd is door de debiteur van de hypothecaire geldlening waarvoor de verzekeringnemer op de voor hem uit deze verzekering voortvloeiende rechten een tot een zekerheid voor de aflossing dienend (eerste) pandrecht heeft gevestigd.
(…)
rentevast-periode: overeengekomen periode gedurende welke het rentepercentage over de hoofdsom ongewijzigd blijft.
(…)

Artikel 2
1. De verzekerde uitkering(en) zal (zullen) worden verlaagd:
(…)
b. direct na afloop van een rentevast-periode, mits dan blijkt dat de hoofdsom lager is dan de laatst vastgestelde verzekerde uitkering(en) en wel met het verschil tussen de laatst vastgestelde verzekerde uitkering(en) en de dan resterende hoofdsom.
(…)

Artikel 3
1. Bij een verlaging van de verzekerde uitkering(en) als bedoeld in artikel 2, lid 1, zal de premie opnieuw worden vastgesteld. (…)
2. Indien op de eerste dag van een rentevast-periode het rentepercentage over de hoofdsom een ander is dan dat in de onmiddellijk daaraan voorafgaande rentevast-periode, zal de premie opnieuw worden vastgesteld (ook al wordt (worden) de verzekerde uitkering(en) niet aangepast). De aldus vastgestelde premie is verschuldigd met ingang van de in dit lid bedoelde eerste dag.
(…)

Artikel 5
1. Indien uit de opbrengst van de verkoop van het verbonden onroerend goed de hoofdsom is voldaan, kan deze verzekering (…) gedurende een periode van ten hoogste 2 jaren, te rekenen vanaf het tijdstip van voldoening, ongewijzigd in stand blijven.
2. Binnen de in lid 1 bedoelde periode dient de verzekeringnemer de Maatschappij schriftelijk mede te delen wat er met de verzekering dient te geschieden. Indien de verzekeringnemer deze verzekering niet terstond beëindigt of premievrij doet maken, heeft hij (…) de keuze uit de volgende mogelijkheden:
a. de rechten en vordering uit deze verzekering voor een nieuwe, door de Maatschappij binnen deze periode verstrekte, hypothecaire geldlening opnieuw aan de Maatschappij te verpanden, waarbij de te verzekeren uitkering(en) en de daarvoor verschuldigde premie door de Maatschappij zullen worden vastgesteld;
b. deze verzekering door de Maatschappij te doen omzetten in een gelijkvormige verzekering tegen premiebetaling met recht op aandeel in de winst, waarbij de te verzekeren uitkering(en) en de daarvoor verschuldigde premie door de Maatschappij zullen worden vastgesteld volgens de dan voor die verzekeringsvorm bij de Maatschappij gebruikelijke regelen. (…).
(…)
5. Indien de hoofdsom is voldaan, doch niet op de lid 1 vermelde wijze, dan wel indien de verzekeringnemer binnen de in lid 1 bedoelde periode nalaat zijn keuze schriftelijk ter kennis van de Maatschappij te brengen, is deze verzekering onmiddellijk na de voldoening onderscheidenlijk onmiddellijk na het einde van de in lid 1 bedoelde periode, van rechtswege omgezet in een premievrije verzekering overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van de Voorwaarden van Verzekering.

3.4. Ter betaling van de premie hebben Consument en zijn vrouw bij aanvang van de Verzekering een bedrag ineens van ƒ 107.565,- (€ 48.810,86) gestort in een premiedepot bij Verzekeraar. Uit de ‘Kwitantie en voorwaarden van Premiedepot’ volgt dat de maandelijks verschuldigde premies ten laste van het premiedepot worden overgemaakt naar Verzekeraar en dat over het bedrag in het depot gedurende de eerste 20 jaar een jaarlijkse rente wordt vergoed op basis van 4,90% en in de vervolg jaren een rente op basis van 4%.

3.5. In 2003 hebben Consument en zijn vrouw de hypotheek bij de Bank overgesloten naar een andere geldverstrekker.

3.6. Bij brief van 16 juli 2013 heeft de Bank aan Verzekeraar bericht dat de spaarhypotheek op 28 mei 2003 is afgelost en dat de verpanding van de Verzekering aan de hypotheek per diezelfde datum kan worden opgeheven.

3.7. Verzekeraar heeft Consument en zijn vrouw daarop bij brief van 11 oktober 2013 het volgende bericht:

“Op verzoek hebben wij uw levensverzekering losgekoppeld van uw lening bij [de Bank].

Doordat de aflossing van de lening niet heeft plaats gevonden door verkoop van het onroerend goed kan deze verzekering in deze vorm niet blijven bestaan. Dit staat beschreven in het
G-aanhangsel op uw polis. Wij vragen u dan ook vriendelijk deze aanpassing te bespreken met uw verzekeringsadviseur en uw keuze aan ons door te geven. (…).

Als wij binnen vier weken geen reactie hebben ontvangen, wijzigen wij uw verzekering naar een verzekering met maatschappijwinstdeling. In tegenstelling tot wat er in het G-aanhangsel van uw polis staat, blijft de premie daarbij gelijk.”

3.8. Consument heeft tegen het wijzigen van de Verzekering bezwaar gemaakt.
Verzekeraar heeft dit bezwaar bij brieven van 14 januari en 4 april 2014 afgewezen.

3.9. Bij brief van 6 februari 2014 heeft Verzekeraar Consument onder verwijzing naar een bijgevoegde nieuwe polis bericht dat hij de Verzekering met ingang van 11 augustus 2013 heeft gewijzigd.

4. De vordering en grondslagen en het verweer

4.1. Consument vordert dat Verzekeraar de (oorspronkelijke) Verzekering in stand laat en nakomt.

4.2. Deze vordering steunt kort en zakelijk op de volgende grondslagen:
Verzekeraar heeft onrechtmatig gehandeld door de (oorspronkelijke) Verzekering te wijzigen in een gemengde verzekering met maatschappijwinstdeling. Verzekeraar heeft er nooit op gewezen dat de Verzekering niet onder dezelfde voorwaarden kon worden voortgezet indien de hypotheek bij de Bank zou worden afgelost. Consument stelt er dan ook gerechtvaardigd op te hebben vertrouwd dat de Verzekering, ook na aflossing van de bij de Bank gesloten hypotheek, tegen een rentevergoeding van 7,1% kon worden voortgezet.

4.3. Verzekeraar voert tegen de stellingen van Consument verweer en concludeert dat de vordering van Consument moet worden afgewezen. Op de stellingen die Verzekeraar aan zijn verweer ten grondslag legt wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. Beoordeling

5.1. De Commissie stelt het volgende voorop. Verzekeraar voert aan dat hij jegens Consument alleen is opgetreden als aanbieder van de Verzekering. De Bank is volgens hem bij de totstandkoming van de Verzekering opgetreden als adviseur en bemiddelaar, waar Verzekeraar buiten stond. Consument heeft dit niet bestreden. Gelet hierop en op het feit dat ook anderszins niet van een andere rolverdeling tussen Verzekeraar en de Bank is gebleken, gaat de Commissie ervan uit dat de Bank Consument over de door hem te sluiten Verzekering heeft geadviseerd. Het lijkt er dan ook op dat de Bank aansprakelijk zou zijn, indien zou komen vast te staan dat het gegeven advies gebrekkig is geweest. De klachtonderdelen die betrekking hebben op de advisering door de Bank zullen dan ook verder buiten beschouwing worden gelaten.

5.2. Het aan de Commissie voorgelegde geschil komt er in de kern op neer of Verzekeraar de rentevergoeding over de spaarpremie mocht wijzigen, in dit geval van 7,1% naar 3,0%. Verzekeraar voert kort gezegd aan dat de Verzekering een spaarhypotheekverzekering is en dat het kenmerk daarvan is dat de rentevergoeding over de spaarpremie van de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering gelijk is aan de hypotheekrente. Deze koppeling volgt volgens Verzekeraar uit artikel 2 en 3 van polisaanhangsel G2. Doordat Consument de hypotheek bij de Bank in 2003 heeft overgesloten naar een andere geldverstrekker, is de hypotheek bij de Bank en aldus genoemde koppeling komen te vervallen. Verzekeraar wijst erop dat artikel 5 lid 5 van polisaanhangsel G2 in dat geval voorschrijft dat de Verzekering moet worden gewijzigd. Consument betwist dat Verzekeraar het rentepercentage mocht wijzigen en voert in de kern drie argumenten aan. De argumenten zullen hieronder afzonderlijk worden besproken.

5.3. In de eerste plaats voert Consument aan dat hij geen spaarhypotheek heeft afgesloten maar een hypotheek met een losse, gemengde levensverzekering. Consument bedoelt hiermee kennelijk te stellen dat de Verzekering niet verbonden was met de bij de Bank gesloten hypotheek. Consument wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op een offerte die op
13 mei 1998 door de Bank aan hem is verstrekt. Daarin is ter zake van de af te sluiten verzekering bepaald: “U dient voordat deze offerte wordt geëffectueerd een gemengde verzekering te sluiten bij een verzekeringsmaatschappij naar keuze.” De Commissie is van oordeel dat de offerte onvoldoende bewijs oplevert om aan te kunnen nemen dat Consument een gemengde levensverzekering heeft gesloten die niet verbonden was aan de hypotheek. Van belang is dat niet is gebleken dat Consument het aanbod in de offerte heeft aanvaard, noch dat vervolgens een losse, gemengde verzekering bij Verzekeraar is afgesloten. Daarentegen blijkt wel dat op het door Consument en zijn vrouw op
1 mei 1998 ingevulde en ondertekende aanvraagformulier is vermeld “spaarhypotheekverzekering” en op het op 25 augustus 1998 gedateerde polisblad
“60-VERZ-SPAARHYP”. Hiernaast leidt de Commissie uit artikel 3 lid 2 jo. artikel 1 van polisaanhangsel G2 af dat de rente die door Verzekeraar wordt vergoed over de spaarpremie, is gekoppeld aan de rente die Consument betaalde voor zijn hypotheek bij de Bank. Gelet op deze feiten moet de conclusie zijn dat de onderhavige Verzekering een aan de spaarhypotheek gekoppelde verzekering was. Het eerste argument van Consument wordt derhalve verworpen.
5.4. Het tweede argument van Consument houdt in dat hij van Verzekeraar geen informatie heeft ontvangen over de gevolgen voor de Verzekering bij oversluiting van de hypotheek naar een andere geldverstrekker. Hij stelt er hierdoor gerechtvaardigd op te hebben vertrouwd dat de Verzekering na de oversluiting onder dezelfde voorwaarden kon worden voortgezet en daarmee een rentevergoeding van 7,1% over de spaarpremie zou blijven ontvangen. De Commissie volgt Consument niet in zijn standpunt nu in artikel 5 lid 5 van polisaanhangsel G2 is bepaald dat de verzekering van rechtswege wordt omgezet in een premievrije verzekering indien de hypotheeksom anders dan door verkoop van de woning wordt voldaan. Vaststaat dat de hypotheek bij de Bank is geëindigd door oversluiting en niet door verkoop van de woning zodat aan de voorwaarde van artikel 5 lid 5 is voldaan. Ook het tweede argument van Consument wordt derhalve gepasseerd. Ter zitting heeft Consument nog aangevoerd dat in artikel 5 lid 5 van polisaanhangsel G2 weliswaar is vermeld dat de Verzekering zou worden omgezet in een premievrije verzekering, maar dat hij ervan is uitgegaan dat dit voor hem niet relevant was nu hij de premies al bij aanvang van de Verzekering vooruit had betaald door het storten van een koopsom. Consument wil hiermee kennelijk stellen dat het artikel onduidelijk is. De tekst wordt echter voldoende duidelijk en begrijpelijk geacht. Dat Consument een verkeerde uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘premievrije verzekering’ moet voor zijn risico blijven.

5.5. Tot slot heeft Consument ter zitting aangevoerd dat in artikel 5 van polisaanhangsel G2 niet is vermeld dat er een ander percentage over de spaarpremie wordt vergoed nadat de verzekering is gewijzigd. Verzekeraar heeft hiertegen ingebracht dat er na omzetting van de verzekering standaard een rekenrente van 3% als rentevergoeding wordt gehanteerd.
De Commissie is met Consument van oordeel dat uit genoemd artikel niet kan worden afgeleid welk rentepercentage na wijziging van de verzekering over de spaarpremie zal worden vergoed dan wel hoe dit rentepercentage wordt vastgesteld. Nu over de hoogte van de rentevergoeding tussen partijen geen wilsovereenstemming bestaat, brengt artikel 6:248 lid 1 BW mee dat de leemte in de overeenkomst in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 6:248 BW dient te worden ingevuld door het bepalen van een redelijke rentevergoeding. Dat hier een rekenrente is gehanteerd van 3% per jaar, komt gelet op de ontwikkelingen op de markt sinds 2003 redelijk voor. Vaststaat dat Verzekeraar na ontdekking van haar vergissing op 11 augustus 2013 de Verzekering uit coulance niet met terugwerkende kracht per aflosdatum van 11 juni 2003 heeft aangepast.

5.6. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vordering van Consument zal worden afgewezen.

6. Beslissing

De Commissie wijst, als bindend advies, de vordering van Consument af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor kifid.nl/consumenten/wie-behandelt-mijn-klacht-1-4#stappen-plan.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact