Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2015-203 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2015-203 d.d.
9 juli 2015
(mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. C.E. du Perron en mr. E.M. Dil-Stork, leden en
mr. M. van Pelt, secretaris)

Consument,

tegen

Achmea Schadeverzekeringen N.V., gevestigd te Apeldoorn, hierna te noemen Verzekeraar.

1. Procedure

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

– het dossier van de Ombudsman Financiële Dienstverlening;
– het verzoek tot geschilbeslechting van Consument met bijlagen, ontvangen op 20 december
2013;
– het verweerschrift van Verzekeraar;
– de repliek van Consument, met bijlagen;
– de dupliek van Verzekeraar, met bijlagen;
– de brief van Consument van 22 april 2015, met bijlagen;
– de brief van Verzekeraar van 6 mei 2015.

De Commissie stelt vast dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening (hierna: de Ombudsman) niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

Partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 2 juni 2014 te Den Haag en zijn aldaar verschenen.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Consument heeft in 1995 een rechtsbijstandverzekering (hierna: de Verzekering) gesloten bij Verzekeraar.

Op de Verzekering zijn van toepassing de Algemene en de Bijzondere voorwaarden Rechtsbijstandverzekering voor Particulieren PRB (hierna respectievelijk: de algemene en de bijzondere voorwaarden).
In de algemene voorwaarden staat – voor zover relevant – het volgende.

“6.3 Uitsluitingen
(…) U heeft géén aanspraak op rechtsbijstand indien het door u gemelde juridische probleem een gevolg is van, of samenhangt met:
(…)
c) het incasseren van geldelijke vorderingen als aan het uitblijven van betaling géén juridisch verweer ten grondslag ligt;”

In de bijzondere voorwaarden staat – voor zover relevant – het volgende.

“3. Rubriek Consument & Wonen
3.1 Wie en wat is verzekerd?
Rechtsbijstand wordt verleend bij juridische problemen die verband houden met:
a) de particuliere huishouding en het optreden als particulier;
b) de onroerende zaken van u in de Benelux en Duitsland, als hierna omschreven.
3.2 Onroerende zaak
Houdt een gebeurtenis verband met een onroerende zaak, dan bestaat alleen een aanspraak op rechtsbijstand als het betreft:
a) de voor eigen bewoning door verzekeringnemer aangekochte, gehuurde of laatstelijk bewoonde woning met de daarbij behorende grond of de grond die gekocht is met het oog op de bouw van een door hem te bewonen woning;
b) de gehuurde woonruimte van de voor studie uitwonende kinderen van de verzekeringnemer;
c) de tweede woning, volkstuin, caravan of woonboot met vaste stand- of ligplaats met bijbehorende grond van verzekeringnemer, in eigen gebruik bij verzekeringnemer;
d) bij andere gebeurtenissen die verband houden met onroerende zaken bestaat geen aanspraak op rechtsbijstand.”

2.2 Consument heeft op 18 augustus 2005 een brief van de heer [X] (hierna: [X]) voor akkoord ondertekend. In deze brief zijn afspraken vastgelegd over een samenwerking van partijen ten aanzien van een project. De brief houdt onder meer het volgende in:

“Medio april 2005 zijn wij in gesprek geraakt over een mogelijke samenwerking in [land]. De ins en outs van deze mogelijke samenwerking hebben wij in een aantal concept samenwerkingsovereenkomsten weergegeven en besproken. Bottle neck bleek de storting/ lening als aanbetaling van uw kant.

Als oplossing zijn wij tot de volgende afspraak gekomen.

1. [X] en echtgenote verkopen 50% van het erfpachtsrecht van de locatie [locatie] aan de heer [Y].
2. [X] en echtgenote verkopen verder 50% van het bouwperceel gelegen aan de [straat] te [plaats] aan de heer [Y]. (…)

Voor wat betreft de waardebepaling op dit moment wordt aansluiting gezocht bij de verkeerswaarde gelijk die geldt voor de locatie [locatie 1] (…).
De totale waarde bedraagt naar boven afgerond € 450.000,– k.k.

Onderdeel van de afspraak is dat door deze verkoop een gezamenlijke ontwikkeling noodzakelijk is. Het kan dus niet zo zijn dat een van beide partijen een gedeelte van het project ontwikkeld. Samen uit – samen thuis.

Met u is afgesproken dat u voor de locatie [plaats] maximaal € 150.000,– als eenmalige bijdrage betaald. Dus niet 50% van de waarde op dit moment.

Door de verkoop nu niet juridisch te verlijden echter door deze transactie in principe als een economische eigendomsoverdracht te beschouwen, gaat ondergetekende er vanuit dat de betaling van € 150.000,- een netto koopsom betaling is. Bij de uiteindelijke uitwerking van het project, waaronder de doorverkoop van de verschillende vakantiehuizen aan derden, zal de invulling definitief vastgesteld worden. Ondergetekende verwacht dat het in de praktijk erop neer zal komen dat hij bij doorverkoop een extra gedeelte (zijnde het mogelijke verschil tussen bruto en netto) zal ontvangen. Voor het overige zijn partijen goed voor 50% elk (…).

Mocht u echter op enig moment alsnog willen besluiten om de zaak te cancelen dan zal ondergetekende er voor zorgdragen dat u uw € 150.000,00 weer terug zult krijgen. Van uw kant zal de grond c.a. weer overgedragen moeten worden. De door u en mij te maken kosten vanaf
2 mei 2005 blijven echter voor rekening van beide (…).
Deze brief wordt beschouwd als een onderdeel van bijgaande koopovereenkomst (…).”

2.3 De in voormelde brief genoemde koopovereenkomst luidt onder meer als volgt:

“(…)[X](…)
hierna (samen) genoemd verkoper;
verklaart te hebben verkocht respectievelijk in erfpacht te hebben uitgegeven aan (…)
[Y] (…)
hierna (samen) genoemd koper;
die verklaart op 18 augustus 2005 van verkoper te hebben gekocht respectievelijk in erfpacht te hebben aangenomen,

1. 50% van het erfpachtsrecht van het perceel c.a. als vermeld in bijlage 1”Beschluss”, en
2. 50% van het bouwperceel c.a. als vermeld in bijlage 2 “Beschluss”(…)

Koopprijs
De totale koopprijs, inclusief afkoop erfpachtsrecht, van het verkochte bedraagt: € 150.000,- netto. Wat hieronder wordt verstaan staat nader omschreven in de van deze overeenkomst deeluitmakende brief van 18 augustus 2005
(…).

Artikel 9
De zakelijke belastingen alsmede alle baten met betrekking tot het verkochte, derhalve niet de gebruikerslasten waaronder begrepen is de onroerend zaakbelasting voor het gebruik, zullen met ingang van de datum van overdracht tussen partijen naar rato van tijd worden verrekend, tenzij anders is overeengekomen. (…)
Voorts zijn partijen overeengekomen dat alle kosten voor projectontwikkeling c.a. vanaf
2 mei 2005 voor beide partijen gezamenlijk komen, ieder voor 50%(…).
Artikel 19
(…)Strekking van deze overeenkomst is derhalve dat duidelijk wordt dat koper 50% van de aan partijen bekende bouwkavel heeft gekocht en 50% van het nog te vestigen recht van erfpacht. Vervolgens zullen partijen beide verantwoordelijk zijn voor de uitwerking van de projectontwikkelingsplannen.”

2.4 Op 22 augustus 2005 heeft Consument een bedrag van € 150.000,- op de rekening van [X] gestort, onder de vermelding van “[land]”.

2.5 Op 9 maart 2007 heeft [X] een bedrag van € 150.000,- op de rekening van Consument gestort, onder vermelding van “conform afspraak”.

2.6 Op 21 maart 2007 heeft Consument een bedrag van € 150.000,- op de rekening van [X] gestort, onder de vermelding van “Lening”.

2.7 Op 21 maart 2007 heeft Consument aan de heer [X] een e-mail gezonden met daarin onder meer het volgende.

”Er is 150.000 euro als lening overgemaakt op girorekening […]. Ik hoop dat je de carrousel goed draaiende weet te houden.”

2.8 Op 4 augustus 2008 heeft Consument aan de heer [X] een e-mail gezonden met daarin onder meer het volgende.

“De ontwikkelingen van de laatste tijd rond [land] hebben mij veel beziggehouden. Jij hebt een voorstel richting [Z] gedaan om de hele boel aan hem over te dragen. In hoeverre dat gaat lukken kan ik niet inschatten, maar zelf wil ik met een concreet voorstel richting jou komen om je in de gelegenheid te stellen om elke actie die je in de toekomst nodig acht buiten mij (en [A]) om te doen.
Dit voorstel is redelijk eenvoudig:
1. Graag zou ik mijn inleg (‘”lening'”) met een goede rentevergoeding van je terugzien. Datzelfde geldt overigens ook voor de inleg van [A]. Totaalbedrag 215.000 Euro + rente (8%?) (…)
2. Daarmee ben je vrij om elk beslissing m.b.t. [land] te nemen die je zelf goed en nodig acht en hebben [A] en ik nergens meer aanspraak op.
3. Aan [B] zal ik duidelijk maken dat [A] en ik persoonlijk geen enkele binding meer hebben met het project [land] en dat jij daarmee 50% volledig in eigen hand hebt, incl 100% Reiterhof
4. Ik heb er bewust voor gekozen om niet een constructie te bedenken waarbij ik toch nog op de een of andere manier zou kunnen delen in de winst die [land] in de toekomst onherroepelijk zal opbrengen. Maar daarbij zou ik wel een “gentlemen’s agreement” met je willen aangaan (zie punt 5).
5. Dat G.A. bestaat hieruit: Ik wil voorstellen dat in de nettowinst die het project uiteindelijk zal opleveren, de [BEDRIJF] voor een groot deel (“mijn” deel?) meedeelt. (…)
6. Zolang ik als Districtsapostel in dienst ben van de [BEDRIJF] zal ik niet meer delen in een project met jou. Dit om elke vorm van belangenverstrengeling te vermijden.”

2.9 Op 31 juli 2009 heeft Consument een verzoek tot rechtsbijstandverlening ingediend bij Verzekeraar. In de brief van Consument aan de Verzekeraar staat onder meer het volgende.

“In april 2005 hebben [X] en mevrouw [X], (…) van ondergetekende een lening ontvangen van € 150.000,= (…). Het betreft hier een lening aan heel goede bekenden, waarbij in alles “vertrouwen” voorop stond. (…)
Dit bedrag was bedoeld om voor 50% deel te kunnen nemen aan een Vakantiewoningenproject in [land]. Het project (een privé-initiatief van de heer en mevr. [X]) moest voor het grootste deel nog gerealiseerd worden, maar de gedachte om mee te kunnen denken bij het ontwerp en later mee te kunnen genieten van de resultaten, leek te mooi voor woorden.
Er is vanwege privacyredenen voor gekozen om vooralsnog niet direct in juridische zin deelnemer aan dit project te zijn, doch voorlopig slechts als “stille vennoot” een inbreng te hebben. Derhalve is het overeengekomen geldbedrag op verzoek van de fam. [X] als lening gestort. (…)
Met groot enthousiasme worden ideeën uitgewerkt en op papier verrijst een prachtig vakantiedorp. De werkzaamheden in [land] (…) worden in goed overleg uitsluitend door dhr. [X] gedaan, ondergetekende werkt uitsluitend aan het ontwerp en doet dat in zijn vrije tijd. Slechts twee maal ben ik enkele dagen ter plaatse geweest om aan besprekingen deel te nemen.
Helaas loopt niet alles zo soepel als gedacht. Er is geld nodig en daarom moeten nieuwe investeerders gevonden worden. (…) Dhr. [X] vindt geïnteresseerden en verkoopt in maart 2007 50% van het project aan 2 nieuwe investeerders en houdt zelf ook 50%. Volgens zijn eigen calculatie is het project inmiddels drastisch in waarde toegenomen: € 1.100.000,= (Daar is de aankoop van onroerend goed ter waarde van € 300.000,= bij inbegrepen.) De beide andere investeerders betalen derhalve elk € 275.000,= en om mij in de gelegenheid te stellen om voor 25% op de achtergrond aandeelhouder te blijven, is dhr. [X] bereid om het ontbrekende deel van € 125.000,= als lening van hem aan mij te zien. Met deze gedachtegang ben ik het eigenlijk niet eens, omdat ik op geen enkele manier deel in de eerste winst die dit project naar mijn vaste overtuiging oplevert. Maar omdat ik niet in staat ben nog veel geld in dit project te investeren, laat ik het bij een mondelinge tegenwerping. (…)
Overigens, omdat dhr. [X] nooit meer een nieuwe leningsovereenkomst heeft aangeboden. Heb ik niets anders dan de koopovereenkomst zoals we deze oorspronkelijk in 2005 hebben ondertekend (zie bijlage).”

2.10 Het verzoek tot rechtsbijstand is door Verzekeraar afgewezen. Consument heeft vervolgens een procedure tegen [X] aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Arnhem en terugbetaling van de door hem in 2007 uit hoofde van een overeenkomst van geldlening aan [X] betaalde bedragen gevorderd. Bij eindvonnis van 19 september 2012 heeft de rechtbank de vordering afgewezen omdat Consument, kort gezegd, er niet in was geslaagd te bewijzen dat tussen hem en de heer [X] een overeenkomst van geldlening tot stand was gekomen. Consument heeft hoger beroep ingesteld.

2.11 Op 10 oktober 2012 heeft Consument opnieuw een verzoek tot het verlenen van rechtsbijstand ingediend. Bij brief van 23 oktober 2012 heeft Verzekeraar het verzoek van Consument om rechtsbijstand afgewezen omdat, kort gezegd, Consument ter zake van de deelneming in het project in [land] geen particulier zou zijn maar dat sprake is van een bedrijfsmatige activiteit, tegen de vordering geen juridisch verweer wordt gevoerd als bedoeld in artikel 6 lid 3 onder c van de algemene voorwaarden en geen dekking bestaat omdat het geschil verband houdt met een in het buitenland gelegen onroerende zaak en niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1 en 3.2 van de bijzondere voorwaarden.

2.12 Op 15 juli 2014 heeft het Gerechtshof Arnhem in hoger beroep arrest gewezen in de zaak tussen Consument en de heer [X]. Het hof overweegt onder meer het volgende.

“4.1 (…) Hij [Consument] heeft daaraan primair ten grondslag gelegd dat partijen in 2005, althans in maart 2007, althans in augustus 2008 een geldleningsovereenkomst hebben gesloten. Subsidiair heeft hij gesteld dat hij op grond van de gemaakte afspraken gerechtigd is het door hem betaalde bedrag op elk moment van [X] terug te vorderen. Meer subsidiair heeft hij aangevoerd dat partijen de samenwerking in augustus 2008 in goed overleg hebben beëindigd en hebben afgesproken dat [X] de lening van € 150.000,- met een rentevergoeding zou terugbetalen. Voor zover er nog sprake zou zijn van enige samenwerkingsovereenkomst tussen partijen, heeft hij (meest subsidiair) op grond van een toerekenbare tekortkoming van [X] in de [bedrijf]oming van die overeenkomst, ontbinding van de overeenkomst en schadevergoeding gevorderd. [X] heeft verweer gevoerd. In reconventie heeft hij gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [Y] de door partijen te maken kosten met betrekking tot de samenwerkingsovereenkomst van 18 augustus 2005, ontstaan vanaf 2 mei 2005, voor 50% draagt, onder aftrek van € 150.000,- indien en voor zover [Y] de samenwerkingsovereenkomst beëindigt, en dat [Y] wordt veroordeeld tot schadevergoeding, op te maken bij staat.
4.2 De rechtbank heeft bij vonnis van 16 december 2009 een comparitie van partijen bepaald. Vervolgens heeft de rechtbank bij vonnis van 23 juni 2010 en opnieuw bij vonnis van 20 oktober 2010 [Y] opgedragen feiten of omstandigheden te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat tussen partijen een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [Y] aan [X] € 150.000,- heeft geleend en dat [X] – hoewel de vordering opeisbaar is – in gebreke blijft met de tijdige terugbetaling. Na getuigenverhoren en conclusiewisseling heeft de rechtbank bij eindvonnis van 19 september 2012 geoordeeld dat [Y] niet is geslaagd in het bewijs. De rechtbank heeft daarom de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire vordering in conventie afgewezen. De meest subsidiaire vordering heeft de rechtbank eveneens afgewezen op de grond dat deze een deugdelijke grondslag ontbeert. De rechtbank heeft de vordering in reconventie ook afgewezen, overwegende dat een deugdelijke onderbouwing voor deze vordering ontbreekt.
(…)
4.10 Bij de beoordeling neemt het hof tot uitgangspunt dat op [Y] de bewijslast rust van zijn stelling dat tussen partijen een geldleningsovereenkomst bestaat, nu hij zich in deze procedure op de rechtsgevolgen van die overeenkomst beroept. Naar het oordeel van het hof heeft [X] de stellingen van [Y] met het voorgaande ook voldoende gemotiveerd betwist, zodat het aan [Y] is om bewijs hiervan te leveren.
4.11 (…)Naar het oordeel van het hof kan op grond van al deze gegevens niet worden geoordeeld dat [Y] in het bewijs is geslaagd. Daartoe overweegt het hof het volgende.
4.12 Als vertrekpunt geldt dat, zoals inmiddels tussen partijen vaststaat, partijen in 2005 met een samenwerkingsovereenkomst voor het project in [land] zijn begonnen. In dat kader heeft [Y] een bijdrage van € 150.000,- aan [X] overgemaakt. Weliswaar was daarbij ten behoeve van [Y] bedongen dat hij op elk moment kon besluiten zich terug te trekken, in welk geval hij zijn bijdrage terug zou krijgen, maar daarbij was ook bepaald dat de gemaakte kosten voor rekening van beide partijen kwamen, zodat dan op die basis tussen partijen zou moeten worden afgerekend.
4.13 Niet in geschil is dat [Y] begin 2007 op grond van de hiervoor vermelde afspraak om terugbetaling van zijn inleg heeft gevraagd. [X] heeft hieraan gevolg gegeven door het bedrag van € 150.000,- terug te storten op de rekening van [Y]. Vlak daarna heeft [Y] hetzelfde bedrag opnieuw overgemaakt en ter beschikking gesteld aan [X], nu onder de omschrijving “lening”. Uit de vastgestelde feiten blijkt dat partijen de betaling daarna over en weer als “de lening” zijn gaan aanduiden. Tegelijkertijd valt op dat [Y] in de fase nadat hij zijn inleg heeft terug ontvangen nauw bij het vervolg betrokken blijft. [Y] heeft niet (gemotiveerd) betwist dat hij [X] met [C] en [Z] in contact heeft gebracht. Ook staat vast dat hij voor [X] opties voor de voortzetting van het project via samenwerking met [C] en [Z] uiteenzet en daarbij spreekt over “ons team” (zie de e-mail van 13 maart 2007, rov. 3.9). [Y] en [X] informeren elkaar ook gedetailleerd over de ontwikkelingen ten aanzien van de mogelijke samenwerking met deze partijen (zie de e-mails van 15 en
16 maart, rov. 3.11 en 3.12). Opvallend is dat [Y] in dit verband de “stille vennoot” wordt genoemd (zie rov. 3.10 en 3.12). Uit de e-mail van 15 maart 2007 (rov. 3.11) blijkt ook dat [Y] er veel aan is gelegen dat zijn naam in het kader van het project niet meer wordt genoemd.
4.14 (…)Uit de e-mailwisseling in juni 2007 (rov. 3.15 tot en met 3.17) blijkt wel dat [Y] in het kader van contacten hierover aanspraak maakt op een deel van de overnameprijs van het project. Ook blijkt daaruit dat hij uitgaat van medezeggenschap over een stuk grond dat oorspronkelijk in het project was meegenomen.
4.15 Geruime tijd daarna duidt [Y] zichzelf ook weer aan als “stille vennoot” (zie de e-mail van
29 februari 2008, rov. 3.18). Als de inhoud van de afspraken weer aan de orde komt, stelt [Y] uitdrukkelijk dat hij de samenwerking als ononderbroken heeft beschouwd(zie de e-mail van
17 april 2008, rov. 3.20). Hij noemt daarbij dat op het moment dat “De Vloot” ([Z]) zijn intrede deed, ieder voor 50% aandeelhouder was van het project, en dat [X] het project aan vier partijen heeft verkocht. Waar vaststaat dat slechts het plan bestond dat [A] [Y] zou gaan participeren, duidt dit erop dat [Y] zichzelf nog steeds als deelnemer in het project beschouwde (naast [X], [Z] en [C] waren er immers geen andere deelnemers in het project). Dit wordt ook bevestigd doordat [Y] in het bericht opnieuw aanspraak maakt op verdeling van de volgens hem gerealiseerde meerwaarde (na aftrek van gemaakte kosten). (…)Hoewel [Y] zijn betaling omschrijft als “Lening project [land]”, levert dit gelet op het voorgaande geen overtuigend bewijs op dat [Y] nog slechts als geldschieter en niet meer als deelnemer optrad. (…)
4.17 Bij al het voorgaande laat het hof ten slotte meewegen dat uit de correspondentie naar voren komt dat [Y] vanaf begin 2007 vreesde voor mogelijke beschuldigingen van belangenverstrengeling, vanwege het feit dat hij als bestuurder van de [BEDRIJF] ook zakelijke relaties met [X] onderhield. Die vrees is in elk geval de reden voor het terugbetalingsverzoek in 2007 en het afwikkelingsvoorstel in 2008 geweest. Mogelijk is dat [Y], zoals hij stelt, om deze reden zijn deelname aan het project wilde beëindigen en alleen nog maar bereid was om als geldschieter op te treden. Denkbaar is echter ook dat, zoals [X] stelt [Y] zijn deelname niet wilde opgeven, maar om de genoemde reden alleen voor de buitenwereld heeft willen afschermen. Het feit dat [Y] de hernieuwde betaling heeft gedaan onder de omschrijving “Lening” en partijen in hun correspondentie daarna veelvuldig spreken over een lening, pleit voor het standpunt van [Y]. De verdere inhoud van de correspondentie bevat echter tal van aanwijzingen dat de samenwerking van partijen in feite onveranderd werd voortgezet, wat past bij het standpunt van [X]. Al met al bevatten de stukken naar het oordeel van het hof te veel contra-indicaties om de lezing [Y] als de juiste te kunnen aanvaarden.”

3. Geschil

3.1 Consument vordert dat Verzekeraar de door hem geleden schade vergoedt, bestaande uit de door hem betaalde advocaatkosten in de procedure tegen de heer [X]. De kosten zijn door hem begroot op ongeveer € 27.000,- ten aanzien van de advocaatkosten in eerste aanleg en ten minste € 10.000,- voor advocaatkosten in hoger beroep (niet nader gespecificeerd). Daarnaast vordert Consument vergoeding van de aan de heer [X] betaalde proceskostenveroordeling ad € 8.638,00 en de betaalde griffierechten in eerste aanleg en hoger beroep. Tot slot vordert Consument een kostenvergoeding voor de onderhavige procedure bij Kifid.

3.2 Aan deze vordering legt hij, kort en zakelijk weergegeven, ten grondslag dat:
– sprake is van een particuliere geldlening. De aard en omvang van de lening doen niet af aan de omstandigheid dat de lening een privéaangelegenheid was. In de procedure bij de rechtbank en het hof is geprocedeerd op basis van een overeenkomst van geldlening. Voor procedures over particuliere geldleningen bestaat dekking onder de verzekering.
– uit de procedure bij de rechtbank blijkt dat de wederpartij wel degelijk gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen de vordering van Consument, zodat artikel 6.3 sub c van de algemene voorwaarden niet aan dekking in de weg staat.
– het geschil geen betrekking heeft op een onroerende zaak, maar op een particuliere geldlening. De beperking van de dekking in artikel 3.1. en artikel 3.2 van de bijzondere voorwaarden gaat niet op, omdat het om een particuliere geldlening gaat. Waarvoor de heer [X] het geleende geld heeft aangewend, doet niet ter zake. De overeenkomst uit 2005 is in 2007 beëindigd en de gelden zijn op 9 maart 2007 retour ontvangen. Nadien is een nieuwe overeenkomst van geldlening tot stand gekomen. Het geschil met [X] gaat slechts over de nieuwe overeenkomst van geldlening uit 2007.

3.3 Verzekeraar heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd.
– gelet op de hoogte van de lening en het rentepercentage is de geldlening een naar haar aard en omvang bedrijfsmatige activiteit en valt om die reden op grond van de algemene voorwaarden niet onder de dekking.
– er is door de wederpartij van de geldlening geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de geldvordering, zodat op grond van artikel 6.3 sub c van de algemene voorwaarden geen dekking bestaat.
– de geldlening houdt verband met een in [land] gelegen onroerende zaak, zodat op grond van artikel 3.1 van de bijzondere voorwaarden geen dekking bestaat.
– de geldlening heeft geen betrekking op een eigen woning, huurwoning of tweede woning, zodat op grond van artikel 3.2 van de bijzondere voorwaarden geen dekking bestaat.
– tot slot merkt Verzekeraar ten overvloede op dat de maximaal verzekerde som € 30.000,- bedraagt.

4. Beoordeling

4.1 Aan de orde is de vraag of Consument voor zijn geschil met de heer [X] onder de Verzekering aanspraak kan maken op rechtsbijstand. Daarbij worden partijen met name verdeeld gehouden over de vraag of het geschil met de heer [X] betrekking heeft op een geldlening uit 2007, zoals Consument stelt, of dat het geschil verband houdt met (een deelneming in) een onroerende zaak in [land], zoals Aangeslotene betoogt.

4.2 Uit de vaststaande feiten volgt dat Consument in 2005 € 150.000,- heeft geïnvesteerd in het vakantiewoningenproject van de heer [X] in [land]. Uit de stukken en hetgeen de rechtbank en met name het gerechtshof daaromtrent hebben vastgesteld volgt dat Consument in 2007 weliswaar heeft gekozen om die investering in naam om te zetten in een geldlening, maar dat niet is gebleken dat daarmee zijn betrokkenheid bij het vakantiewoningenproject in [land] daadwerkelijk is gewijzigd. Kort en goed kwam het er immers op neer dat het bedrag van € 150.000,00 voor de uitvoering van het project beschikbaar bleef en dat Consument bij het project betrokken bleef en, naast terugbetaling, ook aanspraak bleef maken op een aandeel in de eventueel te realiseren opbrengst van het project. Onder die omstandigheden moet met Aangeslotene worden geconcludeerd dat het geschil met [X] betrekking heeft op de terugbetaling van het in 2005 in het vakantiewoningenproject in [land] geïnvesteerde bedrag, en als zodanig dus verband houdt met (een investering in) onroerende zaken in [land].

4.3 Nu het dus gaat om een juridische procedure die verband houdt met onroerende zaken, bestaat daarvoor slechts dekking onder de verzekering indien aan het bepaalde in artikel 3.1 en 3.2 van de bijzondere voorwaarden is voldaan. Dat is niet het geval. Het gaat immers om onroerende zaken die in [land] en dus niet in de Benelux of in Duistland zijn gelegen, terwijl evenmin sprake is van een van de in artikel 3.2 onder a tot en met c genoemde gevallen. De slotsom is dan dat ingevolge het bepaalde in artikel 3.1 en 3.2 onder d van de bijzondere voorwaarden voor het geschil met de heer [X] geen dekking onder de verzekering bestaat. De vorderingen van Consument zullen om die reden worden afgewezen. Hetgeen partijen over en weer verder nog hebben aangevoerd kan niet tot een andere beslissing leiden en zal dus onbesproken blijven.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vordering van Consument af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/wie-behandelt-mijn-klacht-1/4#stappen-plan.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact