Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2015-398

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2015-398
(prof.mr. M.L. Hendrikse, voorzitter en mr. I.M.L. Venker, secretaris)

Klacht ontvangen op : 21 juli 2015
Ingesteld door : Consument
Tegen : Waarborgfonds Motorverkeer, gevestigd te Rijswijk, verder te noemen het
Waarborgfonds
Datum uitspraak : 16 december 2015
Aard uitspraak : Niet-bindend advies

Samenvatting

Klacht tegen het Waarborgfonds. Consument heeft een claim ingediend voor schade aan zijn auto door een motorrijtuig terwijl de auto geparkeerd stond. Uit onderzoek van de expert en de ongevallenanalist blijkt dat de schade is veroorzaakt door een aanrijding met een vast object. Consument vordert doorhaling van de registratie van zijn persoonsgegevens in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister. De Commissie oordeelt dat sprake is van opzet tot misleiding en de door het Waarborgfonds getroffen maatregelen terecht zijn. Vordering afgewezen.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken

• het door Consument ondertekende vragenformulier met bijlagen;
• het verweerschrift van het Waarborgfonds;
• de aanvulling op het verweerschrift van het Waarborgfonds;
• de repliek van Consument;
• de dupliek van het Waarborgfonds.

De Commissie stelt vast dat dit geschil zich leent voor vereenvoudigde behandeling als bedoeld in artikel 36 van haar reglement.

2. Feiten

Bij de beoordeling van de klacht gaat de Commissie uit van de volgende feiten.

2.1 Consument heeft in augustus 2014 via de website van het Waarborgfonds schade aan zijn auto gemeld. Consument heeft het schadebedrag geschat op € 650,-.
Op het formulier heeft hij de volgende verklaring gegeven:

“op zondag 10 augustus liep ik samen met mijn vrouw naar mijn auto toe, toen mijn vrouw wilde instappen constateerde zij de schade. Omdat er in mijn wijk ([Wijk]) veel uitgaansgelegenheid heeft een naar alle waarschijnlijkheid een autobestuurder tegen mijn auto gereden bij het wegrijden.”

2.2 Aangeslotene heeft een expert opdracht gegeven de schade en de oorzaak daarvan vast te stellen. In het expertiserapport van 25 augustus 2014 staat, voor zover van belang:

“Gezien de aard van de beschadiging(en) kan de schade niet veroorzaakt zijn door een ander motorrijtuig. De schade is naar ons inzicht veroorzaakt door een aanrijding met een betonnen rand gezien de schuursporen en hoogte.”

2.3 Het Waarborgfonds heeft Consument, bij brief van 26 augustus 2014, gevraagd op de bevindingen van de expert te reageren. Bij brief van 15 september 2014 heeft Consument geantwoord:

“Naar aanleiding van uw brief d.d. 26 augustus jl. heb ik met grote verbazing de bevindingen van uw schade-expert DEKRA vernomen.
(…)
Wanneer de auto tegen een vast object zou zijn gereden zou dit klaarblijkelijk mij of mijn vrouw bekend moeten zijn geweest, vooral gezien de geleden schade kan dit nooit onopgemerkt zijn gebleven.
(…)
Ik weet dan ook zeker dat een (nog) onbekende auto bij het in/uitrijden van het parkeervak mij heeft geraakt. Ik betreur dan ook dat de bevindingen van uw expert anders zijn.”

2.4 Bij brief van 30 september 2014 heeft het Waarborgfonds Consument meegedeeld dat de door Consument opgegeven toedracht niet tot de mogelijkheden behoort en dat hij de claim afwijst. Verder heeft het Waarborgfonds Consument bericht dat hij Consument in de gelegenheid stelt om contra-expertise te laten verrichten alvorens over te gaan tot registratie van de persoonsgegevens van Consument.

2.5 Consument heeft het Waarborgfonds bij brief van 3 november 2014 meegedeeld dat hij de schade heeft laten beoordelen door een autogarage en dat deze hem heeft laten weten dat de schade op een dusdanige hoogte is veroorzaakt dat het daardoor niet aannemelijk is dat dit door een auto is gebeurd. Consument vervolgt de brief als volgt:

“In de periode dat mijn auto is beschadigd, werd door de gemeente [plaats] onderhoud gepleegd bij het park ‘kinderboerderij’ het zou door hen veroorzaakt kunnen zijn door toedoen van werkmachines bijvoorbeeld heftruck, grasmaaier, graafmachines en dergelijke. Indien dit werkelijk zo is gegaan dan betreft dit inderdaad geen motorvoertuig.
Indien u voornemens bent mij onterecht te registreren in de door uw eerder genoemde registers, dan verneem ik dit graag wij zullen dit in rechte betrekken.”

2.6 Het Waarborgfonds heeft in een reactie daarop meegedeeld dat hij een ongevallenanalist heeft ingeschakeld. In het rapport van de ongevallenanalist van 24 november 2014 staat dat ter beoordeling de vraag is voorgelegd of de aangetroffen schade door een motorvoertuig kan zijn veroorzaakt en indien dat niet het geval is, waardoor de schade dan kan zijn veroorzaakt. Hierover staat in het rapport:

“Uit het schadebeeld valt af te leiden, dat deze schade niet door een motorvoertuig werd veroorzaakt.

Het patroon en de diepte van de krassen duiden op een contact met een vast object.

De richting van de krassen duidt erop, dat dit voertuig contact maakte met een stenen of betonnen rand met een rechte bovenlijn. Dit kan een hoge trottoirband zijn geweest, zoals die bij eilanden bij tram of bushaltes wel worden gebruikt.

Het voertuig heeft daarbij zeer waarschijnlijk achterwaarts gereden. Daarbij is eerst een zwaarder contact ontstaan en kort daarna een licht contact, hetgeen past in een situatie van een parkeermanoeuvre.

De schade expert, die de auto fysiek onderzocht was ook van mening dat deze schade door een contact met een vast object werd veroorzaakt.”

2.7 Bij brief van 10 december 2014 heeft het Waarborgfonds Consument bericht dat zij op basis van de door Consument ontvangen stukken en het rapport van de expert en de analist tot de conclusie is gekomen dat Consument met het indienen van het verzoek om schadevergoeding opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en hiermee een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens hem. Het Waarborgfonds heeft de claim van Consument afgewezen en de persoonsgegevens geregistreerd in het Incidentenregister voor de duur van acht jaar en in het Extern Verwijzingsregister (EVR) voor de duur van vier jaar en van deze registratie melding gedaan bij het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude (CBV).

2.8 In aanvulling op het rapport van de ongevallenanalist heeft de deskundige op 17 december 2014 aan het Waarborgfonds bericht:

“De schade in deze zaak is beoordeeld met rekening houden met alle mogelijke voertuigen. Indien een bijzonder motorvoertuig in contact met zo een [merk auto], zal door de uitvoering van een bijzonder motorvoertuig en ander sporenbeeld ontstaan dan hier werd aangetroffen. Dergelijke voertuigen met een zo lage mogelijkheid van contact hebben steeds een bijzonder gereedschap dat zo laag komt. Door de aard en de massa van dat soort gereedschappen ontstaat een totaal ander schade beeld dan hier werd aangetroffen.
Ik zie daarom geen reden om de rapportage aan te passen.”

2.9 In het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen van 23 oktober 2013 is, voor zover relevant, bepaald:

“2. Begripsbepalingen

In dit protocol wordt verstaan onder:

Incident een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding.”
“4 Incidentenregister
4.1 Doel Incidentenregister

4.1.1 Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incidentenregister te hanteren:

“Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:
op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers;
op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers;
op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.”

5 Extern Verwijzingsregister
(…)
5.2 Vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister

5.2.1 De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.

a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.
b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.
c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.”

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering
3.1 Consument vordert doorhaling van de registraties in het Incidentenregister en het EVR, subsidiair doorhaling van de registratie in het EVR en meer subsidiair verkorting van de duur van de registraties.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag.
• Consument heeft niet het opzet gehad tot misleiding van het Waarborgfonds teneinde een vergoeding voor schade te krijgen waarop hij geen recht heeft en hij heeft hiervoor de hierna genoemde argumenten aangevoerd.
• Het gevorderde schadebedrag is niet hoog.
• Consument verkeerde in de veronderstelling dat de auto geen schade vertoonde voordat hij deze de betreffende dag parkeerde en dat de auto toen onafgebroken geparkeerd heeft gestaan. Consument heeft het ontstaan van de schade niet bemerkt en constateerde de schade eerst nadat de auto geparkeerd stond. Het is dus begrijpelijk dat hij, als leek, dacht dat de schade is veroorzaakt door een derde, onbekend gebleven motorvoertuig terwijl de auto in parkeerstand stond. Consument heeft niet verklaard dat hij heeft waargenomen dat de schade door een ander motorrijtuig is veroorzaakt.
• Consument wist ten tijde van het indienen van de claim niet dat het om een schade ging die niet door een ander motorrijtuig is veroorzaakt en dat deze niet op de door hem gepresenteerde wijze kon zijn ontstaan. Eerst na het expertiserapport werd duidelijk dat de schade was veroorzaakt door een ander motorrijtuig. Consument heeft deze conclusie aanvaard, zonder een contra-expertise uit te laten voeren. Hij heeft op eigen initiatief de schade door een garage laten onderzoeken en, in de brief van 3 november 2014, bevestigd dat niet aannemelijk is dat de schade door een motorrijtuig is veroorzaakt. Met deze brief heeft Consument uitgedrukt dat hij berust in de conclusie van de expert en de claim niet langer handhaaft. Hieruit blijkt dat Consument nooit de bedoeling heeft gehad een onjuiste voorstelling van zaken te geven.
• De inschakeling van een ongevallenanalist was gelet op de brief van 3 november 2014 dus niet nodig. De kosten daarvan worden daarom ten onrechte op Consument verhaald.
• Volgens het rapport van de ongevallenanalist is de schade ontstaan doordat de auto een licht contact met een hoge stoeprand heeft gehad. Dit kan verklaren waarom Consument de aanrijding niet heeft opgemerkt.
• De opgelegde maatregelen zijn niet terecht en buitenproportioneel. Gelet op het feit dat van opzet tot misleiding geen sprake is, Consument de claim vrijwillig heeft ingetrokken, hij een eigen onderzoek door een garage heeft laten uitvoeren en de conclusies van de expert meteen heeft aanvaard is geen sprake van gedragingen die een bedreiging (konden) vormen voor de belangen van het Waarborgfonds. Het Waarborgfonds heeft geen aangifte tegen Consument gedaan, hetgeen een aanwijzing is dat Consument niet evident strafbaar heeft gehandeld. Ook voor het aannemen van een vermoeden van opzettelijk onrechtmatig handelen bestaat geen aanleiding. Consument heeft gelet op zijn beroep als zelfstandig juwelier/goudsmid, waarin regelmatig om een verklaring omtrent gedrag wordt gevraagd, een bijzonder belang bij het doorhalen van de registraties. Als gevolg van de externe registratie wordt deze Verklaring Omtrent Gedrag niet meer afgegeven. Nu geen sprake is van een bewuste onjuiste opgave kan volgens de registratierichtlijnen van het Waarborgfonds hooguit een registratietermijn van twee jaar gelden.

Verweer van het Waarborgfonds
3.3 Het Waarborgfonds heeft de stellingen van Consument gemotiveerd weersproken. Voor zover nodig zal de Commissie bij de beoordeling daarop ingaan.

4. Beoordeling

4.1 Voor beoordeling van de vraag of het Waarborgfonds de persoonsgegevens van Consument heeft mogen registreren in zijn Incidentenregister en in het Extern Verwijzingsregister, stelt de Commissie het volgende voorop.

4.2 Deelnemers – waaronder het Waarborgfonds – hebben zich verplicht bij de verwerking van persoonsgegevens in het Incidentenregister en het EVR te handelen conform het hierboven genoemde Protocol. Doel van het Protocol is onder meer de continuïteit en de integriteit van de financiële sector te waarborgen waaraan registratie van gegevens een bijdrage kan leveren. Artikel 5.2.1 onder a en b van het Protocol bepaalt onder welke voorwaarden persoonsgegevens mogen worden opgenomen in het EVR. In voldoende mate moet vaststaan dat de gedraging van de betreffende persoon een bedreiging vormt voor de (financiële) belangen van een financiële instelling, alsmede voor de continuïteit en integriteit van de financiële sector. Dit houdt in dat de gestelde feiten die de registratie dragen een gegronde verdenking moeten vormen van fraude (“opzet te misleiden”). Zie ook Hof Amsterdam 30 november 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO7581, r.o. 3.5.

4.3 Ingevolge artikel 5.2.1. onder c van het Protocol dient de deelnemer bij de registratie van persoonsgegevens in het EVR het proportionaliteitsbeginsel in acht te nemen. Dat wil zeggen dat het belang van deelnemers bij registratie moet worden afgewogen tegen de nadelige gevolgen daarvan voor de consument. Het is in eerste instantie aan de deelnemer die afweging te maken. Een consument die verwijdering van een registratie wenst zal moeten onderbouwen op grond waarvan hij disproportioneel wordt geraakt in zijn belangen en waarom zijn belang prevaleert boven dat van de deelnemer. Indien komt vast te staan dat mag worden overgegaan tot registratie in het EVR, kan het proportionaliteitsbeginsel vervolgens een rol spelen bij de duur van de registratie. In artikel 5.3.2 van het Protocol is immers opgenomen dat de duur van de registratie maximaal acht jaar is. Het is ook hier aan de consument die beperking van de duur van registratie wenst, te onderbouwen op grond waarvan hij disproportioneel wordt geraakt in zijn belangen.

4.4 Aan de orde is daarmee in de eerste plaats de vraag of Consument een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven bij het indienen van de claim bij het Waarborgfonds met het doel een vergoeding te ontvangen voor de schade waarop geen recht bestaat.

4.5 Vaststaat dat met de rapporten van de expert en van de ongevallenanalist de door Consument geschetste toedracht bij het melden van de claim is uitgesloten. Voor vergoeding van schade door het Waarborgfonds is vereist dat de schade is veroorzaakt door een onbekend motorrijtuig terwijl de auto onafgebroken geparkeerd heeft gestaan.

Het Waarborgfonds heeft aangevoerd dat uit de door hem ontvangen stukken blijkt dat Consument degene is geweest die het voertuig als laatste heeft geparkeerd, dat de getuigenverklaringen dienen ter bevestiging van de stelling dat het gaat om een schade die in parkeerstand is ontstaan en dat het Waarborgfonds uit deze verklaringen mag afleiden dat er tussentijds niet met het voertuig is gereden. Op basis van de rapporten van de expert en de ongevallenanalist heeft het Waarborgfonds vastgesteld dat de door Consument gestelde schade in parkeerstand niet tot de mogelijkheden behoort en de schade moet zijn veroorzaakt door beweging tegen een vast object. Hieruit volgt dat de auto door Consument niet schadevrij is geparkeerd of dat er tussentijds met het voertuig is gereden. Het Waarborgfonds verbindt hieraan de conclusie dat Consument wist dat de schade niet in parkeerstand is ontstaan.

4.6 De Commissie volgt het Waarborgfonds in dit standpunt en acht de conclusie van het Waarborgfonds terecht. In een eerste reactie op de bevindingen van de expert heeft Consument volhard in zijn visie dat de schade is ontstaan zoals hij in het schadeformulier heeft verklaard. Verder schrijft hij, in zijn brief van 15 september 2014, dat de conclusie van de expert niet juist kan zijn omdat de schade in dat geval nooit onopgemerkt kan zijn gebleven. Consument is in de gelegenheid gesteld om een contra-expertise uit te laten voeren maar heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Hij heeft verder de mogelijkheid gesuggereerd dat iemand met dezelfde naam fraude heeft gepleegd waardoor het Waarborgfonds een verband met Consument heeft gelegd. Voorts heeft hij, in de brief van 3 november 2014, meegedeeld dat de schade is beoordeeld door een garage en dat de conclusie was dat dat de schade niet door een auto kan zijn veroorzaakt. Consument heeft toen de mogelijkheid genoemd dat de schade door werkmaterieel is veroorzaakt. Onder verwijzing naar het rapport van de ongevallenanalist heeft Consument gesteld dat hij het ontstaan van de schade niet heeft opgemerkt, hetgeen goed mogelijk zou zijn omdat het volgens de analist om een licht contact zou gaan. De ongevallenanalist heeft toegelicht dat eveneens uitgesloten is dat de schade door werkmaterieel is ontstaan. De door Consument gegeven verklaringen voor de discrepantie tussen de door hem opgegeven toedracht en de rapporten van de expert en de analist maken onvoldoende aannemelijk dat hij bij het melden van de claim niet het opzet had om het Waarborgfonds te misleiden tot het vergoeden van schade waarop hij geen recht had. De verklaringen van Consument zijn overigens ook niet eenduidig en coherent. Consument heeft de inhoud van de rapportages daarmee onvoldoende weerlegd. Het Waarborgfonds heeft derhalve op goede gronden het standpunt ingenomen dat Consument het opzet heeft gehad te misleiden.

4.7 Voor de beoordeling van de vraag of Consument het opzet heeft gehad tot misleiding is niet van belang dat Consument, naar hij stelt, de claim na ontvangst van het expertiserapport niet heeft willen doorzetten. Daargelaten dat deze intentie noch uit de tekst noch uit de strekking van de brief van 3 november 2014 en de daarna door Consument gestuurde brieven aan het Waarborgfonds kan blijken, kan ook ondanks, of misschien zelfs juist, bij het intrekken van de claim sprake zijn van opzet. Een claimant kan niet een onterechte claim indienen in de hoop daar een uitkering voor te krijgen en indien de claim wordt afgewezen ongestraft de claim intrekken. De opzet ziet nu juist op het indienen van een onterechte claim in de hoop daar een vergoeding voor te ontvangen.

In het kader van de opzetbeoordeling doet de intrekking van de claim slechts ter zake indien de indiener daar een goede reden voor heeft. Consument heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die onderbouwen dat geen sprake van opzet is geweest. (Vgl. GC Kifid 26 september 2014, 2014-350.)

4.8 De Commissie volgt het standpunt van het Waarborgfonds dat Consument met het indienen van de parkeerschade waarvan hij wist dat deze schade niet op de door hem gepresenteerde wijze ontstaan kon zijn, een financieel belang heeft geschonden en de omvang van dit financieel belang niet van belang is. De gedraging van Consument vormde dus een bedreiging voor de financiële belangen van het Waarborgfonds en de financiers ervan. Hiermee is sprake van een Incident in de zin van art. 2 van het Protocol en voldaan aan de doelstelling voor vastlegging van gegevens in het Incidentenregister. De registratie in het Incidentenregister is daarmee terecht. Nu sprake is van een gegronde verdenking van fraude is eveneens voldaan aan de onder artikel 5.2.1 onder a en b van het Protocol genoemde vereisten voor opname van de gegevens in het EVR.

4.9 Consument is van mening dat hij door deze registratie buitenproportioneel geraakt wordt in zijn belangen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij door de registratie geen VOG meer kan aanvragen, hetgeen voor de uitoefening van zijn beroep essentieel is, en dat zijn dochter haar auto uitsluitend kon verzekeren onder de voorwaarde dat Consument is uitgesloten als medechauffeur. Het Waarborgfonds heeft onderbouwd dat hij het proportionaliteitsvereiste van artikel 5.2.1 onder c van het Protocol in acht heeft genomen. Hij heeft daarbij in overweging genomen dat het claimen van parkeerschade fraudegevoelig is en dat hij rekening heeft gehouden met de belangen van Consument door geen aangifte bij de politie te doen en de proportionaliteitsafweging ten gunste van hem te laten uitvallen waardoor de duur van de EVR registratie vier jaar is. Verder heeft het Waarborgfonds gemotiveerd betwist dat Consument geen VOG meer kan aanvragen en daartoe aangevoerd dat het Ministerie van Veiligheid, waardoor een VOG wordt afgegeven, geen inzage heeft in de geregistreerde gegevens. De Commissie kan gelet op het verweer van het Waarborgfonds niet aannemen dat Consument hierbij als gevolg van de registratie nadeel ondervindt. De enkele omstandigheid dat Consument door de registratie nadelige consequenties ervaart, is onvoldoende om aan te nemen dat Consument disproportioneel in zijn belangen wordt geraakt. Consument heeft ten aanzien van de duur van de registratie aangevoerd dat het Waarborgfonds ten onrechte als verzwarende omstandigheid heeft meegewogen dat Consument bewust een onjuiste opgave heeft gedaan. Dit argument kan Consument reeds gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet baten. De Commissie is derhalve van oordeel dat de registratie niet disproportioneel. Voor verkorting van de duur van de registraties, in zowel het Incidentenregister als in het EVR, ziet de Commissie derhalve geen grond.

4.10 De slotsom is dat de primaire vordering van Consument tot doorhaling van de registratie van zijn persoonsgegevens in het Incidentenregister van het Waarborgfonds en het EVR, de subsidiaire vordering tot doorhaling van de EVR registratie en de meer subsidiaire vordering tot verkorting van de duur van de registraties zullen worden afgewezen.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vordering af.

Deze beslissing is genomen in een vereenvoudigde procedure als bedoeld in artikel 36 van het reglement. De uitspraak heeft daarom de vorm van een niet-bindend advies. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. U kunt de zaak nog wel aan de rechter voorleggen.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact