Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2016-001 (bindend)

Uitspraak Commissie van Beroep 2016-001 d.d. 6 januari 2016
(mr. F.R. Salomons, voorzitter, mr. S.B. van Baalen, mr. A. Bus, mr. R.J.F. Thiessen en
drs. P.H.M. Kuijs AAG, leden, en mr. G.A. van de Watering, secretaris)

Samenvatting

Termijn van beroep indien beroep is opengesteld door Voorzitter Geschillencommissie; schorsing dekking motorrijtuigverzekering wegens premieverzuim. Indien Belanghebbende bij een of meer betalingen heeft vermeld op welke maanden de betaling betrekking had, stond het Verzekeraar niet vrij de betaling toe te rekenen op andere openstaande maandbedragen. Artikel 7:934 BW verzet zich noch naar de tekst noch naar de strek¬king, zoals deze valt af te leiden uit de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling, tegen schorsing van de dekking met terugwerkende kracht tot de premievervaldatum, mits de verzekeringnemer op de juiste wijze is aangemaand. Belanghebbende is door mededeling op achterzijde van de aanmaningen gewezen op gevolgen niet-tijdige betaling. Dat deze aanmaningen haar hebben bereikt, is door Belanghebbende niet betwist.

Klik hier voor de uitspraak in eerste aanleg.

1. De procedure in hoger beroep

1.1 Bij een op 20 juli 2015 door de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening (hierna: de Commissie van Beroep) ontvangen beroepschrift heeft Verzekeraar de uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (hierna: de Geschillencommissie) van
20 februari 2015 (dossiernr. [nummer]) ter toetsing voorgelegd.

1.2 Belanghebbende heeft, vertegenwoordigd door haar vader, bij e-mailbericht van
28 augustus 2015 verweer gevoerd.

1.3 De Commissie van Beroep heeft het beroep mondeling behandeld op 21 september 2015. Daarbij is Verzekeraar verschenen. Belanghebbende is niet verschenen. Verzekeraar heeft het beroep toegelicht en vragen van de Commissie van Beroep beantwoord.

1.4 Na afloop van de zitting zijn nog de volgende stukken ontvangen:
– een e-mailbericht van 2 oktober 2015 met bijlagen van de zijde van Verzekeraar;
– een e-mailbericht van 13 oktober 2015 met bijlagen van de zijde van Belanghebbende;
– een e-mailbericht van 11 november 2015 van de zijde van Verzekeraar.

2. De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst de Commissie van Beroep naar de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van de Geschillencommissie.

3. Inleiding op de beoordeling van het beroep

3.1 De Commissie van Beroep verwijst voor de feiten naar hetgeen de Geschillencommissie in 2.1 t/m 2.15 van haar uitspraak heeft overwogen, waar nodig aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn gesteld en niet – of niet voldoende gemotiveerd – zijn weersproken. Samengevat gaat het om het volgende.

3.2 Belanghebbende heeft met ingang van 17 september 2011 een overeenkomst van motor-rijtuigenverzekering gesloten met Verzekeraar. Van de toepasselijke verzekerings-voorwaarden maakt de volgende clausule deel uit:

“Premiebetaling
5.1. Premiebetaling in het algemeen
De verzekeringnemer dient de verschuldigde premie, kosten en assurantiebelasting bij voor-uitbetaling te voldoen.

5.2 Automatische premiebetaling
Indien is gekozen voor automatische premiebetaling, worden de premie, kosten en assurantie-belasting telkens omstreeks de premievervaldag automatisch van de op de machtiging vermelde rekening afgeschreven. Indien door enige oorzaak (…) betaling (…) niet plaatsvindt en de verzekeringnemer het verschuldigde bedrag ook niet op ander wijze voldoet uiterlijk op de veertiende dag nadat het verschuldigd is, wordt de dekking geschorst. De schorsing gaat in op de vijftiende dag nadat [verzekeraar] de verzekeringnemer na de premievervaldag schriftelijk heeft aan¬gemaand en betaling is uitgebleven. De schorsing werkt terug tot de eerste dag van de periode waarover de premie verschuldigd was. (…)

5.4 Premiebetalingsplicht
De verzekeringnemer blijft verplicht de premie, kosten en assurantiebelasting te betalen. De dekking gaat weer in op de dag volgend op die waarop de betaling door [verzekeraar] is ontvangen. (…)”

3.3 Met Belanghebbende is overeengekomen dat zij de premie maandelijks automatisch zou vol¬doen door middel van een aan Verzekeraar verstrekte machtiging tot incasso. Wanneer incasso van een premiebedrag niet mogelijk bleek of de betaling gestorneerd werd, zond Verzekeraar een of meer aanmaningen aan Belanghebbende. Aanmaningen zijn in elk geval verzonden op 20 december 2011 en in 2012 op 5 januari, 22 maart, 11 april, 30 mei, 7 juni (2x), 10 juni, 22 juni, 31 juli (2x) en 16 augustus. De aanmaningen tot juni 2012 zijn gezonden aan een door Belanghebbende opgegeven adres in [woonplaats A]. Vanaf juni 2012 heeft Verzekeraar de aanmaningen gezonden aan het adres van Belanghebbende in [woonplaats B].

3.4 De aanmaning van 31 juli 2012 met in het hoofd “[nummer]” houdt onder meer in:
“In de afgelopen periode hebben wij tevergeefs geprobeerd het bedrag, volgens onderstaand overzicht, van uw rekening te incasseren.
Vervaldatum (…) Polisnr. (…)
01-06-2012 (…) [nummer] (…)
Reden volgens (post)bank: 0010 Incasso volgens uw bank niet uitvoerbaar (…) Wij wijzen u erop dat uw betaling voor 14-08-2012 op onze rekening dient te zijn bijgeschreven. Op de achterzijde van deze brief kunt u lezen wat de gevolgen zijn van het uitblijven van premiebetaling binnen de gestelde termijn (…).”

3.5 De aanmaning van 31 juli 2012 met in het hoofd “[nummer]” houdt onder meer in:
“In de afgelopen periode hebben wij tevergeefs geprobeerd het bedrag, volgens onder¬staand overzicht, van uw rekening te incasseren.
Vervaldatum (…) Polisnr. (…)
01-07-2012 (…) [nummer]1 (…)
Reden volgens ([naam])bank: 0014 Bedrag volgens u dubbel betaald. (…) Wij wijzen u erop dat uw betaling voor 14-08-2012 op onze rekening dient te zijn bijgeschreven. Op de achterzijde van deze brief kunt u lezen wat de gevolgen zijn van het uitblijven van premiebetaling binnen de gestelde termijn (…).”

3.6 De aanmaning van 16 augustus 2012 houdt onder meer in:
“Ondanks een eerdere betalingsherinnering hebben wij, voorzover wij kunnen nagaan, de premie die u volgens onderstaand bericht verschuldigd bent, niet ontvangen. (…)
Vervaldatum (…) Polisnr. (…)
01-06-2012 (…) [nummer] (…)
01-07-2012 (…) [nummer] (…)
01-08-2012 (…) [nummer] (…)
Wij wijzen u erop dat de risicodekking van uw verzekering met ingang van 01-06-2012 inmiddels is geschorst (…). Tijdens de periode van schorsing kunnen aan de verzekeringsovereenkomst geen rechten worden ontleend. Na schorsing wordt de dekking pas weer van kracht voor gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden na de dag waarop hetgeen verschuldigd is, voor het geheel door [verzekeraar] is ontvangen (…)”

3.7 De betalingen die Verzekeraar op de navolgende data van Belanghebbende heeft ontvangen, heeft Verzekeraar als volgt toegerekend aan de verschuldigde premie¬termijnen:
– 16 februari 2012: premie van december 2011, januari en februari 2012;
– 23 mei 2012: premie van maart 2012;
– 24 juni 2012: premie van april 2012;
– 29 juli 2012: premie van mei 2012;
– 20 augustus 2012: premie van juni, juli en augustus 2012;
– 21 augustus 2012: premie van september 2012.

3.8 Op 1 augustus 2012 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen de auto van Belanghebbende en een auto van een derde.

3.9 Belanghebbende heeft bij de Geschillencommissie gevorderd dat Verzekeraar de verzekerings¬overeenkomst nakomt en dekking verleent voor de door haar als gevolg van de aanrijding geleden schade. Hieraan heeft zij – kort samengevat – het volgende ten grondslag gelegd.
– Belanghebbende meende de premiebetalingen voor de juiste maanden te hebben voldaan. Achteraf bleek de dekking met terugwerkende kracht tot 1 juni 2012 te zijn geschorst zonder dat Belanghebbende daarvan op de hoogte was en daardoor onverzekerd in haar auto heeft gereden.
– De premiebetalingen zijn toegerekend aan andere maanden dan Belanghebbende had bedoeld.
– De aanmaningsbrieven zijn tot juni 2012 naar een oud adres van Belanghebbende gestuurd.

3.10 Verzekeraar heeft – kort samengevat – het volgende verweer gevoerd. De premie-betalingen zijn niet tijdig voldaan, waardoor de dekking terecht met terug¬werkende kracht werd geschorst vanaf (onder andere) 1 juni 2012. Verzekeraar heeft de betalingen telkens toegerekend aan de oudste openstaande maand, hetgeen zij mocht op grond van artikel 6:43 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zodat de schorsing van de dekking pas werd opgeheven toen alle achterstallige premies waren voldaan.

3.11 De Geschillencommissie heeft geoordeeld dat Belanghebbende, nadat zij op 29 juli 2012 de premie voor de maand mei 2012 had voldaan, ervan mocht uitgaan dat daardoor in elk geval dekking zou bestaan vanaf de dag volgend op die waarop Verzekeraar die betaling ontving, nu Belanghebbende geen aanmanings¬brieven van latere betalingstermijnen had ontvangen. De Geschillen¬com¬missie verwierp het verweer van Verzekeraar dat de dekking op grond van de aanmaning van 31 juli 2012 voor de premie van juli 2012 geldig is geschorst toen betaling binnen de in die brief genoemde termijn uitbleef. Deze brief vol-doet volgens de Geschillencommissie niet aan de eisen van artikel 7:934 BW, doordat de gevolgen van uitblijven van tijdige betaling niet zijn vermeld; weliswaar verwijst de brief voor die gevolgen naar de achterzijde, maar deze achterzijde heeft de Geschillencommissie niet ontvangen.

3.12 De Geschillencommissie heeft de vordering daarop toegewezen.

4. Beoordeling van het beroep

Ontvankelijkheid
4.1.1 Verzekeraar heeft bij brief van 18 mei 2015 aan de Voorzitter van de Geschillencommissie op de voet van artikel 47.3 Reglement Ombudsman en Geschillencommissie verzocht om hoger beroep open te stellen, omdat er volgens haar goede gronden bestaan aan te nemen dat de uitspraak van de Geschillencommissie op grond van de inhoud en de wijze van tot-stand¬koming vernietigbaar is op grond van artikel 7:904 BW. De Voorzitter van de Geschillencommissie heeft, na Belanghebbende gelegenheid te hebben geboden te reageren, bij brief van 12 juni 2015 hoger beroep opengesteld.

4.1.2 Verzekeraar heeft op 17 juli 2015 beroep ingesteld. De Commissie van Beroep ziet zich gesteld voor de vraag of het beroep tijdig is ingesteld. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Artikel 6.1 van het Reglement Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening (hierna: het Reglement), zoals dat ten tijde van het instellen van het beroep luidde, houdt in dat het beroep binnen zes weken na verzending van de uitspraak van de Geschillencommissie wordt ingesteld. Omdat de beslissing van de Voorzitter van de Geschillencommissie is genomen nadat deze termijn reeds was verstreken, moet redelijker¬wijs worden aangenomen dat door die beslissing een nieuwe beroepstermijn van zes weken is gaan lopen, overeen¬komstig hetgeen inmiddels met ingang van 1 oktober 2015 is vast¬gelegd in artikel 6.1, tweede zin, van het Reglement. Verzekeraar wordt derhalve ontvangen in haar beroep.

Inhoudelijk
4.2 Verzekeraar heeft als grief tegen de bestreden uitspraak van de Geschillencommissie aan-gevoerd dat ten onrechte is voorbijgegaan aan de volgens Verzekeraar op de achterzijde van de aanmaning van 31 juli 2012 afgedrukte (standaard)tekst met de volgende inhoud:
“1. Indien betaling niet binnen de op de voorzijde van de brief genoemde termijn plaatsvindt, wordt de dekking van de verzekering geschorst. De schorsing werkt terug tot en met de eerste dag van de periode waarover de premie verschuldigd is. Na schorsing wordt de dekking pas weer van kracht voor gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden na de dag waarop hetgeen verschuldigd is, voor het geheel door [verzekeraar] is ontvangen (…).”
Omdat het gaat om een standaardtekst, is deze volgens Verzekeraar niet per klant op-geslagen en is als gevolg daarvan de tekst niet met de aanmaningen overgelegd aan de Geschillencommissie. De gehanteerde tekst voldoet, aldus Verzekeraar, aan de vereisten van artikel 7:934 BW.

4.3 Belanghebbende heeft aangevoerd dat de hiervoor bedoelde standaardtekst haar totaal onbekend voorkomt. Zij wijst er voorts op dat zij niet in het bezit is van vele van de aanmaningen, doordat deze naar een adres zijn gezonden waar Belanghebbende niet meer woonde. Wel is Belanghebbende nog een aanmaning tegengekomen waarvan de achterzijde leeg is. Dit betreft de hiervoor in 3.6 bedoelde aanmaning van 16 augustus 2012.

4.4 De Commissie van Beroep is van oordeel dat de stelling van Verzekeraar dat zij op de achterzijde van de aanmaning van 31 juli 2012 – de Commissie van Beroep gaat ervan uit dat bedoeld is: de beide aanmaningen van 31 juli 2012 – de door haar bedoelde standaard-tekst heeft afgedrukt, door Belanghebbende niet voldoende gemotiveerd is betwist. De omstandigheid dat de aanmaning van 16 augustus 2012 geen tekst op de achterzijde heeft, valt immers eenvoudig te verklaren doordat in die aanmaning wordt geconstateerd dat de dekking inmiddels is geschorst. In verband daarmee houdt de aanmaning dan ook geen termijn voor betaling in en evenmin een verwijzing naar de achterzijde voor de gevolgen van het uitblijven van betaling. Of de standaardtekst Belanghebbende onbekend voorkomt, legt geen gewicht in de schaal. Immers, ook als Belanghebbende niet daadwerkelijk heeft kennisgenomen van de door haar ontvangen standaardtekst, heeft deze niettemin haar werking (vgl. artikel 3:37 lid 3 BW). Belanghebbende voert wel aan dat vele van de andere aanmaningen haar als gevolg van adressering aan een oud adres niet hebben bereikt, maar dit kan niet het geval zijn met de aanmaningen van 31 juli 2012, die gericht zijn aan het adres van Belanghebbende in [woonplaats B]. De Commissie van Beroep gaat er daarom vanuit dat Belanghebbende de aanmaningen van 31 juli 2012 heeft ontvan¬gen. Het had daarom op de weg van Belanghebbende gelegen om deze aanmaningen over te leggen om te laten zien dat de bedoelde standaardtekst niet op de achterzijde is vermeld. Nu Belanghebbende dat heeft nagelaten en er ook overigens geen gronden zijn om te twijfelen aan de stelling van Verzekeraar, zal de Commissie van Beroep ervan uitgaan dat de bedoelde standaardtekst op de achterzijde is afgedrukt. De grief van Verzekeraar slaagt derhalve.

4.5 Met inachtneming van het voorgaande beoordeelt de Commissie van Beroep de vordering van Belanghebbende als volgt.

4.6 Uit de tekst van de aanmaningen van 31 juli 2012, met inbegrip van de standaard¬tekst op de achterzijde daarvan, volgt dat toen betaling binnen de gestelde termijn uitbleef, voldaan was aan de vereisten die artikel 7:934 BW aan een beroep op schorsing van de dekking stelt. Belanghebbende was immers na de vervaldag van de premies voor juni en juli 2012 vruchte¬loos aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na de aanmaning. Artikel 7:934 BW verzet zich noch naar de tekst noch naar de strekking, zoals deze valt af te leiden uit de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling, tegen schorsing van de dekking met terugwerkende kracht tot de premievervaldatum, mits de verzekeringnemer op de juiste wijze is aangemaand. Daarbij gaat de Commissie van Beroep ervan uit, zoals in 4.4 overwogen, dat de aanmaningen van 31 juli 2012, die zijn verzonden aan het adres van Belanghebbende in [woonplaats B], haar ook daadwerkelijk hebben bereikt.

4.7 Verzekeraar heeft de van Belanghebbende ontvangen betalingen telkens toe¬gerekend aan de oudste openstaande premietermijn, ongeacht of Belanghebbende bij de betaling had vermeld dat de betaling betrekking had op een bepaalde maand. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat hierdoor bij haar ten onrechte de indruk is ontstaan dat zij geen betalingsachterstand meer had. De Commissie van Beroep oordeelt hierover als volgt. Op grond van artikel 6:43 lid 1 BW wordt een betaling toegerekend op de door de schuldenaar aangewezen verbintenis, ook als er nog oudere verbintenissen openstaan. Indien Belanghebbende inderdaad bij een of meer betalingen heeft vermeld op welke maanden de betaling betrekking had, hetgeen overigens door Verzekeraar is betwist, stond het Verzekeraar niet vrij de betaling toe te rekenen op andere openstaande maand-bedragen. Dit baat Belanghebbende evenwel niet. Belanghebbende heeft immers niet gesteld, en evenmin is gebleken, dat enige betaling waarbij zij uitdrukkelijk de premieschuld voor de maand juni of juli 2012 had aangewezen, als gevolg van de handelwijze van Verzekeraar is toegerekend aan een eerdere maand. Verder blijkt uit de overgelegde correspondentie tussen partijen dat er bij Belanghebbende hooguit sprake is geweest van onduidelijkheid over één maandtermijn, doordat haar betaling van drie maandtermijnen in februari 2012 niet is toegerekend aan de periode januari – maart 2012 maar aan de periode december 2011 – februari 2012. De aanmaningen van 31 juli 2012 hadden echter betrekking op twee maandbedragen. Het moet voor Belanghebbende dan ook duidelijk zijn geweest dat zij zeker nog één maandtermijn diende te betalen om schorsing van de dekking

te voorkomen. In elk geval lag het in de gegeven omstandigheden voor de hand dat Belanghebbende naar aanleiding van de aanmaningen tijdig bij Verzekeraar om opheldering zou vragen. Door dat na te laten, nam zij het risico dat Verzekeraar voor de gevolgen van de aanrijding van 1 augustus 2012 geen dekking zou verlenen.

4.8 Belanghebbende heeft voorts gesteld dat Verzekeraar op 31 juli 2012 een bedrag heeft teruggestort. Volgens Verzekeraar gaat het hier echter om een stornering door Belanghebbende zelf, zoals blijkt uit de storneringscode 0014 (“Bedrag volgens u dubbel betaald”). Ook heeft Verzekeraar erop gewezen dat storneringen slechts mogelijk zijn door de schuldenaar zelf of diens bank. Naar aanleiding daarvan heeft Belanghebbende een rekeningafschrift overgelegd, maar uit dat afschrift valt weliswaar op te maken dat een bedrag is teruggestort met als omschrijving “storno dubbel betaald”, maar niet dat dit geschiedde op initiatief van Verzekeraar. De stelling van Belanghebbende wordt daarom verworpen.

4.9 Ten slotte heeft Belanghebbende erop gewezen dat Verzekeraar haar in september 2012 heeft bevestigd dat alle betalingen tot dat moment waren voldaan en dat er geen open-staande vorderingen waren. Hieruit volgt evenwel niet dat de betalingen steeds tijdig zijn gedaan en evenmin dat het Verzekeraar niet zou vrijstaan om zich met betrekking tot de aanrijding van 1 augustus 2012 erop te beroepen dat de dekking was geschorst.

4.10 De slotsom is dat het hoger beroep slaagt, de beslissing van de Geschillencommissie niet in stand kan blijven en de vordering van Belanghebbende alsnog moet worden afgewezen.

5. Beslissing

De Beroepscommissie stelt de volgende beslissing voor de bestreden beslissing in de plaats:
de vordering van Belanghebbende wordt afgewezen.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact