Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2016-009 (bindend)

Uitspraak Commissie van Beroep 2016-009 d.d. 22 maart 2016
(mr. W.J.J. Los, voorzitter, mr. A. Bus, mr. J.B. Fleers, drs. P.H.M. Kuijs AAG en mr. R.J.F. Thiessen, leden, en mr. G.A. van de Watering, secretaris)

Samenvatting

Hypothecaire financiering. Overkreditering. Het inkomen van Belanghebbende en zijn toenmalige echtgenote was niet toereikend en de Bank heeft de toekomstverwachtingen onvoldoende onder-zocht. De schade die Belanghebbende stelt te hebben geleden (met name te hoge alimentatie en de gevolgen van het staken van zijn bedrijf) staat echter niet in verband met het teveel verstrekte krediet.

Klik hier voor de uitspraak in eerste aanleg.

1. De procedure in hoger beroep

1.1 Bij een op 17 augustus 2015 door de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening (verder: Commissie van Beroep) ontvangen beroepschrift met bijlagen heeft Belanghebbende een uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (verder: Geschillencommissie) van 8 juli 2015 (dossiernummer [nummer]) ter toetsing voorgelegd.

1.2 De Bank heeft op 28 oktober 2015 een verweerschrift ingediend en daarbij ook zelf bezwaren tegen de beslissing van de Geschillencommissie naar voren gebracht.

1.3 Belanghebbende heeft zich bij brief van 2 december 2015, ontvangen op
8 december 2015, nader uitgelaten.

1.4 De Commissie van Beroep heeft het beroep mondeling behandeld op 11 januari 2016. Beide partijen waren aanwezig. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, de Bank aan de hand van een pleitnotitie, en vragen van de Commissie van Beroep beantwoord.

2. De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst de Commissie van Beroep naar de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van de Geschillencommissie.

3. Inleiding op de beoordeling van het beroep

3.1 De Commissie van Beroep gaat uit van de door de Geschillencommissie onder 3.1. tot en met 3.6. van haar uitspraak vermelde feiten, voor zover relevant aan¬gevuld met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.

3.2 Kort gezegd gaat het om het volgende.

3.2.1 Belanghebbende is bij wijze van eenmanszaak in 2004 begonnen met een bemiddelings-bureau voor financiële specialisten onder de naam ‘[naam Belanghebbende] Werving & Selectie’. In december 2006 heeft de Bank hem en zijn toenmalige echtgenote – als hoofdelijke schuldenaren – een hypothecaire lening verstrekt ten bedrage van in totaal € 1.455.000,- voor de aankoop en verbouwing van de woning aan de [adres]. De hoofdsom is voor een bedrag van € 905.000,- aflossingsvrij. Aan het overige deel van € 550.000,- is een effecten¬portefeuille verbonden. Bij verkoop van de toenmalige woning van Belanghebbende en zijn toenmalige echtgenote moest het bedrag van de overwaarde, die volgens taxatie ongeveer
€ 40.000,- bedroeg, op de lening worden afgelost.

3.2.2 Belanghebbende heeft de woning in de loop van 2008 verlaten. Zijn toenmalige echtgenote is daar met hun drie minderjarige kinderen blijven wonen en betaalt sinds mei 2009 de lasten van de hypothecaire lening. Bij beschikking van 3 augustus 2011 heeft de rechtbank Amsterdam de echtscheiding tussen Belanghebbende en zijn toenmalige echtgenote uit-gesproken en daarbij bepaald dat Belanghebbende € 1.000,- per kind per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn minderjarige kinderen en
€ 2.425,- per maand als uitkering tot het levensonderhoud van zijn ex-echtgenote. De echtscheiding is op 6 december 2011 ingeschreven in de daartoe bestemde registers.

3.2.3 Belanghebbende heeft op 16 januari 2012 bij [naam] een krediet aangevraagd op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). [naam tussenpersoon] heeft op
8 februari 2012 daarover een advies uitgebracht. Het advies luidt onder meer:
‘Onze conclusie is, dat:
1. (..)
2. ondanks de goede verwachtingen, de exploitatiemogelijkheden niet gunstig zijn, waardoor het bedrijf van de heer [naam] niet levensvatbaar is.
(..)
De argumenten voor dit advies zijn de volgende:
– tijdens ons bezoek van 25 januari 2012 deelde de heer [naam Belanghebbende] ons mee dat hij beschikt over een doorlopend krediet in privé van € 20.000. Daarvan besteedde hij € 4.000. Er is dus nog € 16.000 beschikbaar;
– de algemene economie bevindt zich in een recessie. Het herstel verwacht het Centraal Planbureau eerst in de tweede helft van dit jaar. Echter, het aanbod aan financiële specialisten is zodanig groot, dat het enkele jaren duurt voordat deze markt weer in evenwicht is en de heer [naam Belanghebbende] daaruit weer een grote omzet kan realiseren;
– de persoonlijke uitgaven en verplichtingen van de heer [naam Belanghebbende] zijn te hoog. Wij verwachten niet dat hij in staat is deze uitgaven en verplichtingen binnen een termijn van enkele jaren terug te brengen naar een acceptabel niveau;
– onze meerjarenbegroting toont dan ook aan dat de heer [naam Belanghebbende] niet in staat is de Bbz-lening terug te betalen.’
De aanvraag is vervolgens afgewezen. In december 2013 heeft Belanghebbende zijn onderneming gestaakt. Belanghebbende heeft verzocht om toelating tot de wettelijke schuld¬sanerings¬regeling.

3.3 Belanghebbende heeft in de onderhavige procedure gevorderd dat de Bank hem de schade vergoedt die hij lijdt doordat de Bank hem in 2006 een hogere hypothecaire lening heeft verstrekt dan verantwoord was. De schade heeft Belanghebbende in eerste aanleg begroot op € 1.000.000,-. Daarnaast heeft Belanghebbende gevorderd dat de Bank wordt veroordeeld om de hypothecaire lening te beëindigen.

3.4 De Geschillencommissie heeft, beknopt samengevat, het volgende overwogen. Gegeven het inkomen van Belanghebbende en zijn toenmalige echtgenote, de hoge lasten en de onzekerheid over toekomstige verdiensten van beide echt¬genoten, is bij het verstrekken van de hypothecaire lening sprake geweest van niet-verantwoorde kredietverlening. De vordering tot schadevergoeding kan echter niet worden toegewezen. Bij niet-verantwoorde kredietverlening kan in beginsel alleen de reeds betaalde en nog verschuldigde rente over het te veel geleende bedrag als schade worden aangemerkt. Belanghebbende heeft geen aan¬spraak op vergoeding daarvan omdat sprake is van eigen schuld. Hij heeft vooraf de maandelijkse lasten van de hypothecaire lening kunnen overzien en na het afsluiten van de lening geen maatregelen genomen om de schade te beperken. Bovendien is de financiële verhouding tussen Belanghebbende en zijn ex-echtgenote onduidelijk. Verder is niet aannemelijk dat Belanghebbende als gevolg van de kredietverlening geen Bbz-lening voor zijn onderneming heeft kunnen krijgen omdat uit het Bbz-advies volgt dat de aanvraag ook is afgewezen vanwege het ontbreken van voldoende toekomstperspectief voor de onder¬neming. De Geschillencommissie heeft de vorderingen vervolgens afgewezen.

4. Beoordeling van het beroep

4.1 De Bank heeft bij de Geschillencommissie en in hoger beroep bestreden dat bij het verstrekken van de hypothecaire lening sprake is geweest van overkreditering. De Commissie zal eerst dit onderwerp bespreken.

4.2 Voor het antwoord op de vraag of het onder de gegeven omstandigheden verantwoord was om aan Belanghebbende en zijn toenmalige echtgenote een hypothecaire financiering te verstrekken van € 1.455.000,- is in de eerste plaats de Gedragscode Hypothecaire Financieringen (GHF) van belang. Verder moet acht worden geslagen op hetgeen destijds in de branche gebruikelijk was. De Bank heeft, ook desgevraagd, geen inzicht verschaft in haar eigen acceptatiebeleid, zodat de Commissie van Beroep ervan uitgaat dat een dergelijk beleid in de onderhavige zaak niet tot een andere beoordeling leidt dan volgt uit de GHF of hetgeen in de branche gebruikelijk was.

4.3 Belanghebbende was eind 2006, ten tijde van de kredietverlening, sinds ongeveer anderhalf jaar werkzaam als zelfstandige. Zijn toenmalige echtgenote was werk¬loos geworden. Volgens de gegevens waarvan de Bank bij de kredietverlening is uitgegaan, had Belanghebbende uit zijn onderneming in 2005 een inkomen van € 131.200,-. Het resultaat over 2006 was nog niet bekend. Zijn toenmalige echtgenote had in haar vorige dienstbetrekking een inkomen genoten van € 51.929,- per jaar en had recht op een werkloosheidsuitkering van € 31.119,- in 2007 en € 20.746,- in 2008. Het gezamenlijke vermogen van Belanghebbende en zijn toenmalige echtgenote bedroeg volgens de Bank ongeveer € 456.560,-, waaruit jaarlijks ongeveer € 13.697,- (3 procent) aan rente- en dividend¬inkomsten viel te verwachten. Indien de toenmalige echtgenote na twee jaar nog geen ander werk zou hebben gevonden, zou zij jaarlijks ongeveer een bedrag van € 10.000,- kunnen onttrekken aan haar vrij beschikbare vermogen (€ 141.875,- spaargeld en € 212.877,- beleggingen). Daarnaast heeft de Bank in haar over¬wegingen betrokken dat Belanghebbende jarenlange ervaring had in zijn branche, dat de gerealiseerde resultaten van zijn onderneming zeer positief waren, en blijkbaar dat naar verwachting van de Bank deze trend zou doorzetten en ook de toenmalige echtgenote van Belanghebbende op korte termijn weer een arbeids¬inkomen in de orde van grootte als hiervoor vermeld zou verkrijgen.

4.4 Het door de Bank opgegeven inkomen van Belanghebbende en zijn echtgenote, de verwachte inkomsten uit het vermogen daarin begrepen, was niet toereikend voor een hypothecaire financiering van € 1.455.000,- volgens toen gangbare normen. De Bank heeft dat ook niet weersproken. De toekomstverwachtingen ten aanzien van de onderneming van Belanghebbende hadden onder omstandigheden wel een rol kunnen spelen, maar dan zou daaraan wel een onder¬zoek ten grondslag hebben moeten liggen waaruit het toekomst¬perspectief van de onderneming blijkt, zeker omdat die onderneming nog maar kort bestond. Van een businessplan, een analyse van de verdien- en groeicapaciteit van de onderneming of enig ander onderzoek is echter niets gebleken. Ook de verwachting ten aanzien van het vinden van ander werk door de toenmalige echtgenote van Belanghebbende is kennelijk alleen gebaseerd geweest op de ervaring die zij in het verleden had opgebouwd en niet op een analyse van de arbeidsmarkt en haar verdiencapaciteit. De Bank had daarom er rekening mee te houden dat Belanghebbende en zijn toenmalige echtgenote zouden moeten interen op hun vermogen. Het vermogen had echter niet een zodanige omvang dat de Bank mocht aannemen dat dit jarenlang vrij beschikbaar zou blijven en Belanghebbende en zijn toenmalige echtgenote daar jarenlang op konden interen, terwijl aan het beleggingsdeel bovendien nog risico’s waren verbonden. Ten slotte is nog van belang dat het bedrag van de hypothecaire financiering (€ 1.455.000,-) de onderhandse verkoopwaarde van het pand na verbouwing
(€ 1.200.000,-) ruimschoots overtrof.

4.5 Gelet op het voorgaande is hetgeen de Bank naar voren heeft gebracht onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de Bank in de gegeven omstandigheden mocht aannemen dat het verlenen van het krediet verantwoord was. Bij de omstandigheden van dit geval paste in het algemeen geen hogere hypothecaire financiering dan maximaal ongeveer (5 x een jaar¬inkomen van circa € 180.000,- is) € 900.000,-. De bezwaren van de Bank tegen het oordeel van de Geschillencommissie dat sprake was van overkreditering, zijn dus niet terecht.

4.6 De volgende vraag is of de overkreditering de schade heeft veroorzaakt die Belanghebbende stelt te hebben geleden. De Geschillencommissie is tot de conclusie gekomen dat dit niet het geval is. Daartegen is het beroep van Belanghebbende gericht.

4.7 Voor een belangrijk deel heeft de schade die Belanghebbende stelt te hebben geleden, betrekking op de alimentatie die hij vanwege de echtscheiding aan zijn voormalige echtgenote moet betalen. De echtscheiding is volgens Belanghebbende voornamelijk het gevolg geweest van de hoge hypothecaire lasten en de behoefte van zijn voormalige echtgenote aan alimentatie is vooral bepaald door haar hoge, aan de woning verbonden woonlasten. De hoge alimentatie heeft volgens Belanghebbende meegebracht dat hij schulden heeft moeten maken om de alimentatie te betalen (€ 202.310,88), spaargeld heeft moeten opmaken
(€ 102.076,-) en een pensioen-/lijfrentepolis heeft moeten af¬kopen (€ 41.540,-).

4.8 Dat de echtscheiding het gevolg is van de overkreditering is niet aannemelijk gemaakt. Wat betreft de alimentatie blijkt uit de onder 3.2.2 genoemde echtscheidings¬beschikking dat tussen Belanghebbende en zijn toenmalige echtgenote geen geschil bestond over de behoefte van de echtgenote en dat die behoefte is berekend op € 6.664,- netto per maand met toepassing van de zogenoemde hofformule. De hofformule houdt in dat bij de vaststelling van partneralimentatie de behoefte van de ex-partner wordt begroot op 60 procent van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk. Gelet op haar eigen inkomen van € 3.924,- netto per maand was haar aanvullende behoefte € 2.704,- netto per maand, dat is € 4.138,- bruto per maand. De alimentatie is vervolgens op basis van de financiële draag¬kracht van Belanghebbende, onder meer rekening houdend met de gemiddelde winst uit zijn onderneming over de drie voorafgaande jaren, bepaald op € 2.425,- bruto per maand. In geen enkel opzicht blijkt dat de hoge woonlasten van de toenmalige echtgenote van Belanghebbende, voortvloeiend uit de door de Bank verstrekte hypothecaire lening, bepalend zijn geweest voor de hoogte van de aan haar te betalen alimentatie. Belanghebbende heeft dat ook niet op andere wijze aan¬nemelijk gemaakt. De echtscheiding en de alimentatie kunnen dus niet als een gevolg van de overkreditering aan de Bank worden toegerekend.

4.9 Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat de hoge hypothecaire lening, waar¬voor hij hoofdelijk aansprakelijk is gebleven, ertoe heeft geleid dat hem in 2012 geen bedrijfskrediet is verstrekt, zodat hij zijn onderneming heeft moeten staken. In verband hiermee ziet hij als zijn schade de gederfde toekomstige inkomsten uit zijn onderneming en die inkomsten heeft hij begroot op € 551.691,60.

4.10 Uit het advies tot afwijzing van de Bbz-lening blijkt dat niet alleen de hoge financiële verplichtingen van Belanghebbende tot het advies hebben geleid, maar zeker ook het ontbreken van voldoende toekomstperspectief voor zijn onder¬neming.
Wat betreft de hoge financiële verplichtingen geldt dat niet aannemelijk is dat het voor de beslissing op de aanvraag van de lening enig verschil zou hebben gemaakt als de hypothecaire financiering niet € 1.455.000,- zou zijn geweest, maar het hier¬¬voor verantwoord geachte maximum van ongeveer € 900.000,-.
Dat het voorgaande anders is voor de andere kredietaanvragen die Belanghebbende in 2012 heeft gedaan, is niet aannemelijk geworden, mede gelet op hetgeen de kredietinstellingen bij de afwijzing van de aanvragen blijkens de over¬gelegde e-mails hebben meegedeeld.
Voor zover de alimentatieverplichtingen bij de afwijzing van de kredietaanvragen een rol hebben gespeeld, geldt dat deze verplichtingen niet in verband kunnen worden gebracht met de overkreditering, zoals hiervoor onder 4.8 is overwogen.

4.11 Als schade door de overkreditering zou wel in aanmerking kunnen komen de rente over het te veel verstrekte krediet (€ 1.455.000,- minus € 900.000,-). Gebleken is echter dat Belanghebbende sinds mei 2009 niets aan de Bank betaalt. Hij heeft ook geen vergoeding van betaalde rente gevorderd.

4.12 De conclusie is dat niet gebleken is dat Belanghebbende schade door de over¬kreditering heeft geleden of lijdt. Zijn vordering tot vergoeding van schade heeft de Geschillencommissie daarom terecht afgewezen. De Commissie van Beroep zal de beslissing van de Geschillencommissie om die reden handhaven.

4.13 Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft niet te worden besproken omdat dit niet tot een andere beslissing kan leiden.

5. Beslissing

De Commissie van Beroep handhaaft de bestreden beslissing.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 13:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact