Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2016-013 (bindend)

Uitspraak Commissie van Beroep 2016-013 d.d. 10 mei 2016
(mr. C.A. Joustra, voorzitter, mr. A. Bus, drs. P.H.M. Kuijs AAG, mr. W.J.J. Los en
mr. A. Smeeïng-van Hees, leden, en mr. G.A. van de Watering, secretaris)

Samenvatting

Verhoging AOW-leeftijd per 1 januari 2013. Belanghebbende ontvangt sinds 1996 uitkeringen op grond van particuliere, collectieve arbeidsongeschiktheidspensioen¬verzekeringen, met een eind-leeftijd van 65 jaar. Geen zorgplicht voor verzekeraar bij aangaan verzekeringen om te wijzen op een mogelijke toekomstige verhoging van de AOW-leeftijd of om een uitloopdekking aan te bieden. Geen verplichting voor verzekeraar om onbillijke gevolgen van wetswijziging te verzachten door ex-werkgever de mogelijkheid te bieden door bijstorting de eindleeftijd van de verzekeringen te verhogen. De verzekeringen zijn niet gewijzigd, dus geen ontneming van rechten door verzekeraar, geen strijd met Eerste Protocol EVRM en evenmin toepassing ‘en-bloc-clausule’. Ook voor het overige geen verplichting voor verzekeraar om de verzekeringen aan te passen.

Klik hier voor de uitspraak in eerste aanleg.

1. De procedure in hoger beroep

1.1 Bij een op 18 december 2015 door de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening (verder: Commissie van Beroep) ontvangen beroepschrift met bijlagen heeft Belanghebbende een uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (verder: Geschillencommissie) van 11 november 2015 (dossiernummer [nummer]) ter toetsing voorgelegd.

1.2 Verzekeraar heeft op 8 februari 2015 een verweerschrift ingediend.

1.3 De Commissie van Beroep heeft het beroep mondeling behandeld op 7 maart 2016. Beide partijen waren aanwezig. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, Belanghebbende aan de hand van een pleitnotitie, en vragen van de Commissie van Beroep beantwoord.

2. De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst de Commissie van Beroep naar de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van de Geschillencommissie.

3. Inleiding op de beoordeling van het beroep

3.1 De Commissie van Beroep gaat uit van de door de Geschillencommissie onder 2.1 tot en met 2.4 van haar uitspraak vermelde feiten, voor zover relevant aangevuld met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.

3.2 Kort gezegd gaat het om het volgende. Belanghebbende is op 13 november 1996 arbeids-ongeschikt geraakt en ontvangt vanwege de arbeidsongeschiktheid een uitkering uit hoofde van de WAO Plus Polis Collectief en de arbeidsongeschiktheids¬pensioenverzekering die haar voormalige werkgever bij Verzekeraar heeft afgesloten. De verzekeringen kennen een eindleeftijd van 65 jaar. De arbeidsovereenkomst van Belanghebbende met haar voormalige werkgever is per 1 april 2000 beëindigd. De voormalige werkgever heeft de verzekerings¬overeenkomsten met Verzekeraar beëindigd per 1 januari 2003, respectievelijk 1 januari 2011. Met ingang van 1 januari 2013 is de AOW-leeftijd verhoogd. Voor Belanghebbende brengt de verhoging mee dat zij niet bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar een AOW-uitkering zal ontvangen, maar pas bij de leeftijd van 67 jaar.

3.3 Belanghebbende heeft in deze procedure gevorderd dat Verzekeraar de eindleeftijd van de verzekeringen aanpast aan de verhoogde AOW-leeftijd, zodat de uitkering uit hoofde van die verzekeringen wordt voortgezet totdat zij een AOW-uitkering zal ontvangen. Kern van haar betoog is dat zij Verzekeraar verwijt in de verzekeringen niet te hebben voorzien in een uitloopdekking voor het geval de AOW-leeftijd zou worden verhoogd, hoewel Verzekeraar ten tijde van het afsluiten van de verzekeringen heeft kunnen voorzien dat die leeftijd zou worden verhoogd.

3.4 De Geschillencommissie heeft, beknopt samengevat, het volgende overwogen.
De klacht van Belanghebbende kan volgens het geldende reglement worden behandeld, ook als moet worden aangenomen dat die geen betrekking heeft op een financiële dienst in de zin van artikel 1 van het reglement, omdat Verzekeraar Belanghebbende naar Kifid heeft verwezen.
Verzekeraar behoeft de eindleeftijd van de verzekeringen niet te verhogen. De eindleeftijd van 65 jaar is bewust tussen Verzekeraar en de voormalige werkgever van Belanghebbende overeengekomen. Ook al was het wellicht al langere tijd voorspelbaar dat de AOW-leeftijd zou worden verhoogd, op welke termijn en in welke mate stond indertijd niet vast. Verzekeraar heeft het risico niet onjuist ingeschat. Zij mocht zelf de grenzen bepalen van het risico dat zij wilde verzekeren. De verzekeringen zijn niet gewijzigd, zodat de recht-spraak over de zogenoemde ‘en-bloc-bepaling’ niet van toepassing is. De wettelijke verhoging van de AOW-leeftijd ligt niet in de risicosfeer van Verzekeraar en de financiële gevolgen daarvan kunnen niet op particuliere verzekeraars worden afgewenteld. Verzekeraar heeft ervoor mogen kiezen de voormalige werkgever van Belanghebbende geen aanbod te doen om door bijstorting de eindleeftijd te verhogen, omdat de verzekerings¬overeenkomsten vóór 1 januari 2013 al waren beëindigd.
De Geschillencommissie heeft de vorderingen vervolgens afgewezen. Zij heeft op verzoek van Belanghebbende hoger beroep opengesteld op de voet van artikel 5 lid 6 van haar reglement, omdat het belang van de zaak dat rechtvaardigt.

4. Beoordeling van het beroep

4.1 Belanghebbende heeft in het hoger beroep met name naar voren gebracht dat de verhoging van de AOW-leeftijd voor Verzekeraar voorspelbaar was en dat deze bij het afsluiten van de verzekeringen in haar zorgplicht is tekortgeschoten door niet te voorzien in een uitloop¬¬dekking. Daarnaast heeft zij gewezen op de ingrijpende en onbillijke gevolgen die de verhoging van de AOW-leeftijd heeft voor haar (en haar lotgenoten) omdat zij ten tijde van de verhoging van de leeftijdsgrens reeds arbeidsongeschikt was en niet in staat was zich aanvullend te verzekeren.

4.2 De Commissie van Beroep stelt voorop dat zij begrip ervoor heeft dat Belanghebbende de gevolgen van de wetswijziging als onbillijk ervaart. Maar ook indien de gevolgen van de wets¬wijziging voor Belanghebbende onbillijk zijn, kan dat op zichzelf niet meebrengen dat Verzekeraar is gehouden de nadelige gevolgen voor Belanghebbende ongedaan te maken en dus voor haar rekening te nemen. Er zal een specifieke grondslag moeten zijn die Verzekeraar daartoe verplicht. De Commissie van Beroep zal hierna onderzoeken of een dergelijke grondslag bestaat.

4.3 In 1993/1995 heeft Verzekeraar collectieve verzekeringen aangeboden met een eindleeftijd van 65 jaar, welke verzekeringen de voormalige werkgever van Belanghebbende als verzekering¬¬nemer heeft afgesloten en waaraan Belanghebbende vervolgens als verzekerde heeft kunnen deelnemen. Hoewel in die periode sommigen rekening hielden met de mogelijkheid dat op enig moment in de toekomst de AOW-leeftijd zou worden verhoogd, was het dermate onzeker of, wanneer en hoe de leeftijdsgrens zou worden verhoogd dat het in die periode niet tot de zorgplicht van Verzekeraar behoorde om de voormalige werkgever van Belanghebbende op die mogelijkheid te wijzen en/of een uitloopdekking aan te bieden. De Commissie van Beroep laat dan nog in het midden of de voormalige werkgever en/of verzekerden zoals Belanghebbende bereid zouden zijn geweest om een verhoogde premie vanwege een dergelijke uitloopdekking te betalen. Verzekeraar is in dit opzicht dan ook niet jegens de voormalige werkgever of Belanghebbende in de nakoming van enige verplichting tekortgeschoten.

4.4 In de stellingen van Belanghebbende zou ook de opvatting kunnen worden gelezen dat Verzekeraar verplicht is de onbillijke gevolgen van de verhoging van de AOW-leeftijd voor Belanghebbende te verzachten door haar voormalige werkgever de mogelijkheid te bieden door middel van bijstorting de eindleeftijd van de verzekeringen te verhogen. Een dergelijke verplichting heeft Verzekeraar echter niet, alleen al om de reden dat de verzekerings¬overeenkomsten met de voormalige werkgever reeds vóór de verhoging van de AOW-leeftijd tot een einde zijn gekomen. Overigens is het niet bij voorbaat aannemelijk dat haar voormalige werkgever een dergelijk aanbod zou hebben aanvaard.

4.5 De positie van Verzekeraar valt verder niet te vergelijken met de positie van het overheids¬orgaan dat AOW-uitkeringen toekent, de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Verzekeraar houdt zich aan de verzekeringsovereenkomsten die in het verleden met de voormalige werkgever van Belanghebbende zijn gesloten en in die overeenkomsten is geen wijziging gebracht. De SVB voert de wet uit die de wetgever heeft gewijzigd op een wijze die volgens Belanghebbende tot onbillijke gevolgen leidt. De vraag of de wetswijziging leidt tot een ontneming van eigendom die in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals aan de orde in de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 25 november 2015 (ECLI:NL:RBNNE:2015:5585), is niet relevant in de verhouding tussen Belanghebbende en Verzekeraar. Verzekeraar heeft Belanghebbende immers geen rechten ontnomen.

4.6 De omstandigheid dat de verzekeringsovereenkomsten niet zijn gewijzigd door de verhoging van de AOW-leeftijd, ook al sluit de eindleeftijd van de verzekeringen na de wetswijziging niet meer aan op de AOW-leeftijd, brengt mee dat de rechtspraak over eenzijdige wijzigingen van verzekeringen door verzekeraars (met toepassing van zogenoemde ‘en-bloc-clausules’) voor het onderhavige geval geen betekenis heeft. De rechtspraak waarop Belanghebbende in dit verband heeft gewezen, kan daarom buiten bespreking blijven.

4.7 Ook verder is er geen grondslag aan te wijzen om Verzekeraar te verplichten de verzekeringen aan te passen, zoals Belanghebbende verlangt. De vordering van Belanghebbende is dus niet toewijsbaar. De Commissie van Beroep zal de beslissing van de Geschillencommissie handhaven.

4.8 Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft niet te worden besproken omdat dit niet tot een andere beslissing kan leiden.

5. Beslissing

De Commissie van Beroep handhaaft de bestreden beslissing.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 13:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact