Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2016-352 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2016-352
(mr. R.J. Paris, voorzitter, mr. J.W.H. Offerhaus en mr. C.E. Polak, leden en mr. L.T.A. van Eck, secretaris)

Klacht ontvangen op : 18 oktober 2015
Ingesteld door : Consument
Tegen : Coöperatieve Rabobank U.A., gevestigd te Amsterdam, verder te noemen de Bank
Datum uitspraak : 5 augustus 2016
Aard uitspraak : bindend advies

Samenvatting

De Bank heeft vanaf november 2004 tot november 2015 een hypothecaire geldlening aan Consument, zijn broer en zijn ouders verstrekt. De klacht van Consument ziet ten eerste op de hoogte van het rentetarief. Dit rentetarief had, ook na de wijzing in 2006, gelijk moeten zijn aan het Euribortarief vermeerderd met een opslag. De Commissie overweegt dat Consument per 2006 voor een rentevorm heeft gekozen die niet aan een externe rentevoet was gekoppeld.
Hij heeft per 2006 niet gerechtvaardigd kunnen vertrouwen op een aan het Euribortarief gekoppelde rentevoet. Consument klaagt daarnaast over een door de Bank in het rentetarief verdisconteerde opslag. De Commissie overweegt dat de Bank heeft voldaan aan haar informatieverplichting over de risico-opslag jegens Consument.

1. Procesverloop
De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:
• het door Consument ondertekende klachtformulier met bijlagen;
• de aanvullende stukken van Consument;
• het verweerschrift van de Bank met bijlagen;
• de aanvulling op het verweerschrift van de Bank;
• de repliek van Consument met bijlage;
• de dupliek van de Bank.

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies.
Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 1 juli 2016 en zijn aldaar verschenen.

2. Feiten
Bij de beoordeling van de klacht gaat de Commissie uit van de volgende feiten.

2.1 De Bank heeft op 30 november 2004 een geldlening (hierna: de geldlening) aan Consument en de broer en ouders van Consument (hierna: de kredietnemers) verstrekt. De hypotheekakte (hierna: de akte) vermeldt als volgt:
“Geldlening (Aflossingsvrije Hypotheek)
De debiteur verklaart het bedrag van de geldlening heden van de bank ter leen te hebben ontvangen en dit bedrag – hoofdelijk – rentedragend aan haar schuldig te zijn.
Bedrag van de geldlening EUR 170.000,00
(…)

Rentetype
Rente repeterend vast, zoals bedoeld in de hierna vermelde Algemene voorwaarden voor particuliere geldleningen van [de Bank] 2003. De bank kan de rente voor het eerst wijzigen op de hierna genoemde datum en vervolgens telkens na een periode van drie maanden.
Rente vast tot 1 april 2005
Rentetype
Drie maands Euribortarief.
– De bank zal de rente voor het eerst wijzigen op de hierna genoemde datum en vervolgens telkens op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op een periode van drie maanden (rentevastperiode). (…)
– De rente wordt door de bank telkens vastgesteld op basis van de driemaands Euro Interbank Offered Rate (Euribortarief), zoals die door Euribor FBE, gevestigd te Brussel, of een door haar ingeschakelde derde is vastgesteld (de basiscomponent), verhoogd met een opslag van 0,8%.
(…)
Rente
De rente wordt per vervaldag achteraf berekend en in rekening gebracht.
Verschuldigde rente 3,176% per jaar
Vervaldag de laatste dag van elke maand
Eerste rentebetaling 30 december 2004”

2.2 De voorwaarden van de geldlening zijn op 2 maart 2005 met een Akte Wijziging Geldleningsvoorwaarden (hierna: de wijzigingsakte) gewijzigd. De wijzigingsakte luidt onder meer:
“Restant hoofdsom
Dat de bank uit hoofde van de geldlening van de debiteur in hoofdsom nog te vorderen heeft het hierna vermelde bedrag.
Restant hoofdsom € 170.000,00
(…)
Dat de debiteur en de bank enige voorwaarden van de geldlening wensen te wijzigen.
Verklaren te zijn overeengekomen:
Met ingang van hierna vermelde datum gelden voor de geldlening de volgende voorwaarden. Voor zover in deze overeenkomst van de reeds voor de geldlening geldende voorwaarden niet is afgeweken, blijven deze van kracht.
Ingangsdatum 1 april 2005
(…)
Rente
De debiteur is over de geldlening op de hierna vermelde vervaldagen de hierna vermelde rente verschuldigd. De rente wordt per vervaldag achteraf berekend en in rekening gebracht.
Verschuldigde rente 2,20% per jaar
Vervaldag 1e dag van de maand
Datum eerste vervaldag 30 april 2005
Rentetype
Rente voor een bepaalde periode vast, zoals bedoeld in de hierna vermelde Algemene voorwaarden voor particuliere geldleningen van [de Bank] 2003.
Met ingang van 1 april 2005
Rente vast tot 31 maart 2006”

2.3 De Bank heeft op 14 februari 2006 een brief met als bijlage een renteverlengingsformulier aan de kredietnemers verzonden. Deze brief vermeldt onder meer:
“Geachte heer en mevrouw,
De rentevastperiode van uw geldlening (…) loopt per 31 maart 2006 af. U mag nu een keuze maken voor een rentetype voor de volgende rentevastperiode.
Als u uw keuze heeft gemaakt, kruist u op de bijgaande verlengingsbrief het door u gekozen rentetype aan. De brief stuurt u ondertekend aan ons toe.
Als wij u verlengingsbrief voor de rentewijzigingsdatum ontvangen, gaat het door u gekozen rentetype per de rentewijzigingsdatum in.”
Consument heeft op het renteverlengingsformulier gekozen voor “Variabele rente”. Hij heeft dit formulier vervolgens op 17 februari 2006 ondertekend aan de Bank retour gezonden.

2.4 De opslag van 0,2% in het door de kredietnemers verschuldigde rentetarief voor de geldlening is per 30 juni 2014 door een beleidswijziging bij de Bank komen te vervallen.

2.5 De geldlening is per 2 november 2015 beëindigd.

3. Vordering, klacht en verweer
Vordering
3.1 Consument vordert dat de Bank wordt veroordeeld tot betaling aan hem van een bedrag van € 24.934,-, bestaande uit een vordering van € 20.429,-, voor onderdeel 1, een vordering van € 2.805,- voor onderdeel 2 en een bedrag aan rente over voornoemde bedragen ad € 1.700,-.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslagen.
(1) De Bank heeft vanaf november 2008 tot 2 november 2015 een te hoog variabel rentetarief aan Consument berekend. Consument mocht ervan uitgaan dat het rentetarief het Euribortarief zou volgen. Allereerst omdat het in rekening gebrachte rentetarief in de periode van april 2006 tot en met november 2008 ook daadwerkelijk gelijk was aan het Euribortarief vermeerderd met een opslag van circa 1,0%. Na november 2008 daalt het Euribortarief fors, maar daalt het aan Consument doorberekende rentetarief niet mee. De Bank hanteert op enig moment zelfs een opslag van 2,73% op het Euribortarief. Daarnaast heeft Consument uit de bewoordingen “Variabele rente” op het renteverlengingsformulier mogen afleiden dat het bij hem in rekening gebrachte rentetarief en het Euribortarief aan elkaar gekoppeld waren.
(2) De Bank heeft vanaf de hypotheekverstrekking op 30 november 2004 tot 30 juni 2014 een individuele risico-opslag van 0,2% gehanteerd. Consument is niet geïnformeerd over deze opslag, terwijl dit wel had gekund in de akte, de wijzigingsakte, de algemene voorwaarden, de renteverlengingsbrief van 14 februari 2006 of bij het in werking treden van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, hierna BGfo, op 1 januari 2013. Doordat Consument niet op de hoogte was van deze risico-opslag, heeft hij deze opslag niet eerder met de Bank kunnen bespreken. Het risico van de geldlening voor de Bank is laag, waardoor een opslag van 0,2% vanuit risicodekking onterecht is.

Verweer van de Bank
3.3 De Bank heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd.
(1) Kredietnemers hebben bij de hypotheekverstrekking gekozen voor een variabele aan het Euribortarief gekoppelde rente. Deze rentevariant wordt ook wel “repeterend vast” genoemd en kan iedere drie maanden wijzigen. Dit repeterend vast tarief is vervolgens per 1 april 2005 gewijzigd in een rentetarief met een rentevastperiode van één jaar en daarna per 1 april 2006 in een variabele rente. Deze rentetarieven zijn beide niet gekoppeld aan het Euribortarief.
(2) Consument klaagt tevens over de opslag van 0,2% op het rentetarief van de geldlening over de periode van 1 april 2006 tot 30 juni 2014. De Bank verwijst naar haar toelichting op de door haar gehanteerde opslagen voor een aflossingsvrije hypotheek met een variabel rentetarief, zoals opgenomen in haar brief van 2 oktober 2015. Per 30 juni 2014 is deze opslag komen te vervallen. De Bank heeft Consument hierover geïnformeerd door middel van een rekeningafschrift van 30 juni 2014. Vanaf 1 januari 2013 is de Bank verplicht om bij een renteaanbod (offerte of renteverlengingsvoorstel) de risico-opslagen die onderdeel uitmaken van het rentetarief expliciet te vermelden. Aan deze informatieverplichting heeft de Bank voldaan.

4. Beoordeling

4.1 Consument klaagt ten eerste over het door de Bank gehanteerde rentetarief over de periode van november 2008 tot 2 november 2015. Voor de beoordeling van dit klachtonderdeel gelden de volgende vaststaande uitgangspunten. Kredietnemers zijn op
30 november 2004 een geldlening aangegaan. Zij zijn daarbij een op het driemaands Euribortarief gebaseerd rentetarief overeengekomen. De rentevoorwaarden van deze geldlening zijn eerst per 1 april 2005 en vervolgens per 1 april 2006 gewijzigd. Voor dit klachtonderdeel zijn de tussen partijen overeengekomen rentevoorwaarden per 1 april 2006 relevant. De Commissie overweegt dat Consument ten onrechte in de veronderstelling verkeert dat de op het renteverlengingsformulier van 14 februari 2006 geselecteerde “Variabele rente” is gekoppeld aan het driemaands Euribortarief. Zowel het renteverlengingsformulier als de bijbehorende begeleidende brief vermelden geen externe rentevoet. In de aan Consument verstrekte en door Consument terug te vinden informatie (bijvoorbeeld op de website van de Bank) wordt geen melding gemaakt van een dergelijke koppeling. Daarnaast staat vast dat partijen niet hebben gesproken of gecorrespondeerd over de invulling en opbouw van dit rentepercentage. Consument heeft onder deze omstandigheden kunnen en behoren te begrijpen dat de door hem gekozen variabele rente per 1 april 2006 niet gebaseerd was op een externe rentevoet. Hij heeft daarom niet gerechtvaardigd kunnen vertrouwen op een per 1 april 2006 op de geldlening van toepassing zijnde aan het Euribortarief gekoppelde rentevoet.

4.2 Het tweede klachtonderdeel van Consument betreft de door de Bank aan Consument doorberekende (en in het rentetarief verdisconteerde) opslag van 0,2% over de periode van 30 november 2004 tot 30 juni 2014. De Commissie overweegt dat de Bank tot
1 januari 2013 niet gehouden was de onderdelen van het rentetarief (zoals de risico-opslag) te benoemen en Consument hierover te informeren. Per 1 januari 2013 dient de Bank (op grond van artikel 68a BGfo) Consument te informeren over de componenten waaruit het rentetarief is opgebouwd en in het vervolg bij aanpassing van dit tarief Consument in kennis te stellen van de voor deze wijziging bepalende factoren. De Bank voldoet aan deze informatieverplichting. Ter zitting is namens de Bank verklaard dat de componenten waaruit het bij Consument in rekening gebrachte rentetarief is opgebouwd op haar website zijn terug te vinden. Daarbij is van belang dat de Bank niet verplicht is de componenten in cijfers uit te drukken. Voor zover uit de regelgeving na 1 januari 2013 afgeleid moet worden dat informatie op de website niet volstaat, is niet, althans onvoldoende gebleken dat Consument daardoor schade heeft geleden. Verder is Consument door middel van een rekeningafschrift op de hoogte gebracht van het vervallen van de risico-opslag per 30 juni 2014. De Bank verwijst voor aanvullende informatie over de aan deze beleidswijziging ten grondslag liggende wijziging naar haar website.

4.3 De vordering van Consument zal, gelet op het voorgaande, worden afgewezen. Dit brengt mee dat ook de gevorderde rente niet voor toewijzing vatbaar is.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vordering af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 46 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact