Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2016-353 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2016-353
(mr. P.A. Offers, voorzitter, mr. A.M.T. Wigger en mr. A.W.H. Vink, leden en
mr. R.A.F. Coenraad, secretaris)

Klacht ontvangen op : 4 maart 2015
Ingesteld door : Consument
Tegen : Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N..V., gevestigd te Den Haag,
verder te noemen Verzekeraar en Zicht B.V., gevestigd te ‘s-Hertogenbosch, verder te
noemen de Adviseur
Datum uitspraak : 9 augustus 2016
Aard uitspraak : Bindend advies

Samenvatting

Pensioenverzekering. Bijzonder nabestaandenpensioen. Consument vordert dat zij alsnog met terugwerkende kracht, te weten vanaf het moment van overlijden van haar echtgenoot, in aanmerking komt voor het verzekerde nabestaandenpensioen. Bij de beoordeling neemt de Commissie als uitgangspunt het bepaalde in artikel 10 van de op het moment van echtscheiding, zijnde 25 maart 1987, geldende Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet. Uit dit artikel vloeit voort dat bij echtscheiding de echtgenote als begunstigde dient te worden aangemerkt voor het alsdan opgebouwde nabestaandenpensioen, ook wel genoemd het bijzonder nabestaandenpensioen. Dit brengt mee dat niet Consument maar de eerdere echtgenote van haar overleden echtgenoot aanspraak kan maken op dit pensioen, tenzij “de man en de vrouw bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding anders overeenkomen.” Hier betekent dit dat, nu Consument zich op het standpunt heeft gesteld dat op 31 maart 1989 het echtscheidingsconvenant aan de rechtsvoorganger van de Adviseur is gestuurd met als doel haar als begunstigde van het nabestaandenpensioen aan te merken, zij dat tegenover de gemotiveerde betwisting door de wederpartij zal moeten bewijzen. Naar het oordeel van de Commissie is Consument niet in dit bewijs geslaagd. Vordering is derhalve afgewezen.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:

. het door Consument ingediende klachtformulier van 3 maart 2015;
. de brief van de belangenbehartiger van Consument van 6 maart 2015;
. het Verweer van Verzekeraar van 1 mei 2015;
. het Verweer van de Adviseur van 30 april 2015;
. de Repliek van Consument van 29 mei 2015;
. de Dupliek van de Adviseur van 25 juli 2015;
. de Dupliek van Verzekeraar van 31 juli 2015;
. de aanvullende Repliek van Consument van 16 september 2015.

De Commissie stelt vast dat partijen haar advies als bindend zullen aanvaarden.
Partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op maandag 27 juni 2016 te Den Haag en zijn aldaar verschenen.
2. Feiten

Bij de beoordeling van de klacht gaat de Commissie uit van de volgende feiten.

2.1 Consument trad op 27 augustus 1987 in het huwelijk met de heer [X].

2.2 De heer [X] is tweemaal eerder gehuwd geweest, te weten van 7 september 1968 tot
6 mei 1982 met mevrouw [Y] en van 18 april 1984 tot 25 maart 1987 met mevrouw [Z].

2.3 De heer [X] sloot in 1983 een individuele pensioenverzekering bij Verzekeraar via tussenkomst van een rechtsvoorganger van de Adviseur onder polisnummer [nr. 1]. Deze verzekering, die een zogeheten excedent-regeling betrof, werd wegens de beëindiging van zijn dienstverband bij [bedrijf X] per 1 juli 1990 premievrij gemaakt.

2.4 Op 5 juli 2011 gaf Verzekeraar in verband met de pensionering van de heer [X] een nieuwe polis af onder nummer [nr. 2]. Als verzekerde II en begunstigde voor het nabestaandenpensioen stond – op grond van het door de echtgenoot van Consument op 16 juni 2011 ingevulde en ondertekende “Aanvraagformulier bij ingang van pensioen” – mevrouw [Z], geboren [datum], vermeld.

2.5 Artikel 10 lid 1 van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet (Regelen PSW) luidde als volgt:

“Indien het huwelijk van een verzekerde eindigt door echtscheiding of ontbinding na scheiding van tafel en bed, verkrijgt zijn gewezen echtgenoot een zodanige premievrije aanspraak op weduwen- of weduwnaarspensioen, als de verzekerde ten behoeve van die gewezen echtgenoot zou hebben verkregen, indien de verzekerde op het tijdstip van de echtscheiding of van de ontbinding van het huwelijk zou zijn opgehouden aan de onderneming verbonden te zijn anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.”

2.6 Artikel 10 lid 2 van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet (Regelen PSW) luidde als volgt:

“Indien het huwelijk van een verzekerde, die opgehouden is aan de onderneming verbonden te zijn, eindigt door echtscheiding of ontbinding na scheiding van tafel en bed, verkrijgt zijn gewezen echtgenoot een zodanige premievrije aanspraak op weduwen- of weduwnaarspensioen, als de verzekerde ten behoeve van die gewezen echtgenoot heeft verkregen bij het ophouden aan de onderneming verbonden te zijn.”

2.7 Artikel 10 lid 3 van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet (Regelen PSW) luidde als volgt:

“Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de man en de vrouw bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding anders overeenkomen.
De overeenkomst is slechts geldig indien aan de overeenkomst een verklaring van de verzekeraar is gehecht, dat hij bereid is een uit de afwijking voortvloeiend pensioenrisico te dekken.”

2.8 De echtgenoot van Consument overleed op 15 september 2014.

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering
3.1 Consument vordert dat zij alsnog met terugwerkende kracht, te weten vanaf het moment van overlijden van haar echtgenoot, in aanmerking komt voor het nabestaandenpensioen zoals dat verzekerd is onder polisnummer [nr. 2]. Dit pensioen bedraagt € 5.778 per jaar.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag.
Zowel Verzekeraar als de Adviseur zijn tekortgeschoten in de nakoming van de door hen te betrachten zorgplicht. Consument voert hiertoe de volgende argumenten aan:
Op 31 maart 1989 heeft de heer [X] de rechtsvoorganger van de Adviseur opdracht gegeven Consument als zijn weduwe aan te merken:

“L.S.

Hierbij enkele papieren retour t.a.v. mijn pensioenverz. Als weduwe moet worden aangemerkt: Mevrouw [A], geboren [datum]. Gelieve de papieren aan te passen.”

Bij deze brief was een exemplaar van het echtscheidingsconvenant gevoegd waarin onder andere is bepaald dat mevrouw [Z] afstand heeft gedaan van haar aanspraken op nabestaandenpensioen. Zowel Verzekeraar als de Adviseur hebben echter niet afdoende kunnen verklaren waarom Consument wel aanspraak kan maken op een deel van het verzekerde nabestaandenpensioen uit hoofde van de collectieve pensioenverzekering onder nummer [nr.3], maar dat dit niet geldt voor de individuele pensioenverzekering onder nummer [nr. 1].

Op het moment van pensionering was hier nog geen uitsluitsel over verkregen en heeft de heer [X] noodgedwongen het onder 2.4 genoemde formulier getekend aangezien een verder uitstel van het uitbetalen van het pensioen geen optie was.

Verweer Verzekeraar
3.3 Verzekeraar heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:

– Op 8 april 1988 is de melding ontvangen van het huwelijk van Consument met de heer [X]. Betrokkenen hebben vervolgens op verzoek van Verzekeraar aanvullende informatie verstrekt, zoals het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van
21 januari 1987 waarmee het huwelijk tussen de heer [X] en mevrouw [Z] is ontbonden alsmede de bevestiging van de gemeente [plaats] dat deze echtscheiding op 25 maart 1987 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
– Op 13 februari 1989 is de heer [X], zijn toenmalige werkgever en de indertijd betrokken verzekeringsadviseur door Verzekeraar geïnformeerd over de financiële gevolgen van de echtscheiding en de mogelijkheid om een aanvullend nabestaandenpensioen voor Consument mee te verzekeren. In dat laatste geval zou de heer [X] een medische keuring dienen te ondergaan.
– Ondanks diverse herinneringen is op het voorstel van Verzekeraar geen reactie meer ontvangen, hetgeen tot gevolg had dat de pensioenverzekering is aangepast zonder het meeverzekeren van een nabestaandenpensioen voor Consument. Ook toezending van het echtscheidingsconvenant is achterwege gebleven.
– Verzekeraar heeft dientengevolge op 9 april 1990 een nieuwe polis afgegeven. In verband met de beëindiging van het dienstverband tussen de heer [X] en zijn werkgever per 1 juli 1990 is op 15 april 1991 aan de polis een aanhangsel gehecht met daarop vermeld de premievrij verzekerde kapitalen.
– In 2004 heeft de heer [X] zich tot Verzekeraar gewend met vragen over zijn pensioenverzekering. In een tweetal brieven, die van 9 maart 2004 en
2 december 2004, is aangegeven dat mevrouw [Z] als begunstigde van het nabestaandenpensioen zal worden aangemerkt bij zijn overlijden.
– Op 1 mei 2011 bereikte de verzekering met polisnummer [nr. 1] de einddatum. In verband daarmee bracht Verzekeraar op 6 april 2011 een offerte uit voor een direct ingaand pensioen via een rechtsvoorganger van de Adviseur. Ook nu wederom met de verwijzing dat mevrouw [Z] de begunstigde voor het nabestaandenpensioen was. Op deze offerte heeft Verzekeraar geen reactie van de heer [X] ontvangen.
– Op 16 juni 2011 heeft Verzekeraar via de nieuwe adviseur van de heer [X], zijnde de Rabobank, opnieuw een offerte uitgebracht. Deze offerte is dezelfde dag nog geaccepteerd. Op het door de heer [X] ondertekende aanvraagformulier stond mevrouw [Z] als verzorgde vermeld.

Dit laatste geldt ook voor de op 5 juli 2011 afgegeven polis alsmede de vanaf 2011 jaarlijkse verstuurde ‘overzichten voor pensioengerechtigden’.
– De individuele pensioenverzekering onder nummer [nr. 1] betrof een excedent-regeling. De basisregeling was ondergebracht in een collectieve pensioenverzekering onder nummer [nr.3]. Anders dan bij de individuele variant kende deze regeling het zogeheten ‘onbepaald partnersysteem’. Hierbij wordt pas bij de ingang van het ouderdomspensioen definitief vastgesteld welke partner(s) in aanmerking kom(en)t voor het nabestaandenpensioen. Vanuit deze collectieve regeling komen na het overlijden van de heer [X] al zijn (gewezen) partners in aanmerking voor een deel van dit pensioen.
– Tot slot dient te worden opgemerkt dat het handgeschreven briefje van 31 maart 1989 zich niet in het dossier van Verzekeraar bevindt. Ook is het niet duidelijk of deze brief een reactie is geweest op de brief van 13 februari 1989. Gezien het feit dat ook na
31 maart 1989 nog diverse malen is gerappelleerd bij de Adviseur is het onwaarschijnlijk dat de specifiek door Verzekeraar gevraagde stukken – waaronder een echtscheidingsconvenant – destijds in het bezit waren van de Adviseur. Voorts is nooit gevolg gegeven aan de voorwaarde dat voor het meeverzekeren van het aanvullende nabestaandenpensioen voor Consument een medische keuring diende plaats te vinden.

Verweer Adviseur
3.4 De Adviseur heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:

– Uit het dossier blijkt dat de discussie over de begunstiging al vanaf 1989 speelt, terwijl Consument en haar echtgenoot nooit bezwaar hebben gemaakt tegen de polissen waarop mevrouw [Z] als begunstigde stond vermeld. De vordering is derhalve verjaard en vanwege het verstrijken van zo’n lange tijd kan Consument geen beroep meer doen op een gebrek in een prestatie.
– De Adviseur heeft zijn uiterste best gedaan om zoveel mogelijk gegevens uit het verleden terug te vinden, maar behoudens het handgeschreven briefje van
31 maart 1989 is dit niet gelukt. Dit is te betreuren, maar het feit dat Consument en haar echtgenoot zelf er niet voor zorg hebben gedragen om de van belang zijnde documenten, waaronder het echtscheidingsconvenant, te bewaren ligt echter geheel in hun risicosfeer.
– De heer [X] is in het verleden diverse malen door Verzekeraar in de gelegenheid gesteld om de documenten aan te leveren waaruit mogelijkerwijs zou blijken dat mevrouw [Z] afstand heeft gedaan van haar aanspraken op het (bijzonder) nabestaandenpensioen. Dat hij dit heeft nagelaten kan de Adviseur niet worden verweten.
– Voorts heeft de Adviseur geen enkele rol kunnen spelen bij de keuze van de heer [X] ten tijde van zijn pensionering. Betrokkene heeft zich immers toen laten begeleiden door de Rabobank. De Adviseur kan zich dan ook niet uitspreken over de beweegredenen van Consument om ook in 2011 mevrouw [Z] nog steeds als begunstigde voor het nabestaandenpensioen te laten aanmerken.

4. Beoordeling

4.1 De Commissie staat voor de vraag of Consument aanspraak kan maken op het onder polisnummer [nr. 2] verzekerde nabestaandenpensioen.

4.2 Bij de beoordeling neemt de Commissie als uitgangspunt het bepaalde in artikel 10 van de op het moment van echtscheiding, zijnde 25 maart 1987, geldende Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet. Uit dit artikel vloeit voort dat bij echtscheiding de echtgenote als begunstigde dient te worden aangemerkt voor het alsdan opgebouwde nabestaandenpensioen, ook wel genoemd het bijzonder nabestaandenpensioen.

4.3 Dit brengt mee dat niet Consument maar mevrouw [Z] aanspraak kan maken op dit pensioen, tenzij “de man en de vrouw bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding anders overeenkomen.”

4.4 Ingevolge het bepaalde in artikel 149 en 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten, die feiten of rechten bij voldoende betwisting door de tegenpartij moeten bewijzen.

Hier betekent dit dat, nu Consument zich op het standpunt heeft gesteld dat op
31 maart 1989 het echtscheidingsconvenant aan de rechtsvoorganger van de Adviseur is gestuurd met als doel haar als begunstigde van het nabestaandenpensioen aan te merken, zij dat tegenover de gemotiveerde betwisting door beide partijen zal moeten bewijzen.

4.5 Naar het oordeel van de Commissie is Consument niet in dit bewijs geslaagd, waarbij voorts de kanttekening kan worden geplaatst dat haar echtgenoot na 31 maart 1989 nog diverse malen in de gelegenheid is gesteld om ervoor zorg te dragen dat Verzekeraar in het bezit zou komen van het convenant. Er waren derhalve meer dan voldoende mogelijkheden om de pensioenverzekering op een zodanige wijze aan te passen dat Consument als begunstigde voor het bijzonder nabestaandenpensioen zou worden aangemerkt. Dat de heer [X] dit heeft nagelaten – en Consument op dit moment ook niet meer beschikt over een exemplaar van het convenant – is een omstandigheid die Verzekeraar noch de Adviseur kan worden tegengeworpen.

4.6 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van Consument zal worden afgewezen. Alle overige door partijen ingebrachte stellingen en argumenten kunnen niet tot een ander oordeel leiden en zullen derhalve onbesproken blijven.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vordering van Consument af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact