Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2016-477 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2016-477
(mr. A.W.H. Vink, voorzitter, prof.mr. M.L. Hendrikse, drs. L.B. Lauwaars RA. leden
en mr. S. Imazouine, secretaris)

Klacht ontvangen op : 9 maart 2015
Ingesteld door : Consument
Tegen : ABN AMRO Schadeverzekering N.V., gevestigd te Zwolle, verder te noemen
Verzekeraar
Datum uitspraak : 11 oktober 2016
Aard uitspraak : Bindend advies

Samenvatting

Consument heeft een inboedel- en woonhuisverzekering afgesloten bij Verzekeraar. Nadat door een brand schade is ontstaan in en aan de woning claimt Consument vergoeding van de schade. Verzekeraar heeft de claim bestreden, omdat in de woning van Consument een hennepkwekerij is aangetroffen. Verzekeraar stelt dat wettelijk niet toegestane activiteiten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het gedoogbeleid voor het bezit van 5 hennepplanten wordt niet gevolgd nu naast hennepplanten ook hennepkwekerij apparatuur is aangetroffen.
Verzekeraar heeft de verzekeringen beëindigd en de persoonsgegevens van Consument geregistreerd in het incidentenregister en IVR (gebeurtenissenadministratie) voor de duur van acht jaar. Ook hiertegen richt zich de klacht. Het is niet komen vast te staan dat hennepkwekerij de oorzaak is geweest van de brand. De Verzekeraar dient derhalve alsnog dekking te verlenen onder de inboedel- en woonhuisverzekering. De Commissie is ook van oordeel dat Verzekeraar niet heeft gesteld en bewezen dat sprake is van een gegronde verdenking van fraude zodat de persoonsgegevens onterecht in het incidentenregister zijn opgenomen. Voor wat betreft de registratie in het IVR is de Commissie van oordeel dat de registratie in redelijkheid aanvaardbaar is en als proportioneel wordt aangemerkt.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:

• het door Consument ondertekende vragenformulier;
• de klachtbrief van Consument met als bijlage de correspondentie in de interne klachtprocedure van Verzekeraar;
• het verweerschrift met bijlagen van Verzekeraar;
• de repliek van de gemachtigde van Consument;
• de dupliek van Verzekeraar;
• de aanvullende stukken van Verzekeraar d.d. 24 september 2015;
• de verklaring van Consument voor bindend advies.

Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 3 februari 2016 en zijn aldaar verschenen.
Nadat de mondelinge behandeling had plaatsgevonden is de zaak enige tijd aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen hun geschil in der minne te regelen. Nu partijen er niet in zijn geslaagd om tot een vergelijk te komen, doet de Commissie thans uitspraak.

De Commissie zal onder verwijzing naar artikel 40.4 van haar Reglement uitspraak doen in een bindend advies.

2. Feiten

Bij de beoordeling van de klacht gaat de Commissie uit van de volgende feiten.

2.1 Consument heeft bij Verzekeraar een inboedel- en opstalverzekering afgesloten.

2.2 Op bovengenoemde verzekeringen zijn de “Speciale voorwaarden Pakket 2006 Inboedelverzekering” (hierna: “Voorwaarden Inboedel”) en de “Speciale voorwaarden Pakket 2006 woonhuisverzekering 1-01” (hierna: “Voorwaarden Opstal”) van toepassing.

2.3 In artikel 9 lid 15 van de Voorwaarden Inboedel is het volgende bepaald:

“Artikel 9
Uitsluitingen
(…)
Verder is uitgesloten vergoeding van schade of verlies (mede) veroorzaakt, ontstaan of verergerd door
15. Wettelijk niet toegestane activiteiten door een verzekeringnemer en/of verzekerde.”

2.4 Artikel 2.D.6 van de Voorwaarden Opstal regelt het volgende:
“2.D Uitsluitingen
(…)
2.D.6 Wettelijk niet toegestane activiteiten
Schade of verlies (mede) veroorzaakt, ontstaan of verergerd door wettelijk niet toegestane activiteiten door verzekeringnemer en/of verzekerde.”

2.5 Op 18 juli 2014 is schade ontstaan in en aan de woning van Consument als gevolg van een brand.

2.6 Door de brandweer zijn tijdens en na het bestrijden van de brand op de eerste verdieping van de woning van Consument hennepplanten en voor de kweek van die planten bestemde apparatuur aangetroffen.

2.7 In opdracht van Verzekeraar is expertise en onderzoek verricht naar de oorzaak van de brand.

2.8 In het expertiserapport staat, voor zover relevant:
’’Tijdens/na het bestrijden van de brand werd er op de verdieping door de brandweer een hennepkwekerij aangetroffen.
Mede hierdoor is er door de politie en brandweer een nader onderzoek ingesteld met betrekking tot de oorzaak en toedracht (…) Namens u is er een uitvoerig onderzoek ingesteld omtrent de exacte oorzaak en toedracht rondom het ontstaan van deze brand. Betreffende onderzoekers hebben hun bevinden separaat aan u bericht’’.

2.9 De expert heeft in zijn rapport van 16 oktober 2014 de opstalschade begroot op
€ 125.000,00 en de inboedelschade op € 45.000,00.

2.10 In het onderzoeksrapport is onder meer het volgende vastgelegd:

“3.2.2. Uitsluiting inbraak
Aan de hand van mijn onderzoek en de verkregen informatie kan worden gesteld dat er geen inbraak aan deze brand vooraf is gegaan.
(…)
3.2.5. Brandoorzaak
De brand is op de verdieping ontstaan en wel in de kamer waarin een kwekerij was ingericht. (…) De kwekerij was wel zodanig ingericht dat deze aangeduid kan worden als kwekerij voor hennepplanten.
(…)
5. Samenvatting en conclusie
Uit het door mij ingestelde onderzoek is gebleken dat de brand met zekerheid is ontstaan in de ruimte die als kwekerij is ingericht. De oorzaak van de brand was niet te achterhalen.’’

Bij het rapport is gevoegd een ingevulde vragenlijst van Consument. Hierin staat onder meer het volgende.

“4. Hoeveel planten waren er?
A: 5 planten.
(…)
11. De hennepplanten waren, zoals u mij vertelde, voor eigen gebruik. Is dat zeker? (…)
A: De planten kweekte ik uit hobby en voor eigen gebruik.’’

2.11 Bij brief van 10 september 2014 heeft Verzekeraar de schadeclaim van Consument afgewezen, omdat de brand is ontstaan door de hennepplantage en het kweken van hennep een illegale activiteit is. Het ontstaan van een schade als gevolg van een illegale activiteit is geen gedekte schade, aldus Verzekeraar. Verder deelt hij mede dat Consument voor de duur van 8 jaar is opgenomen in het Incidentenregister van zijn afdeling integriteitszaken en in het Interne Verwijzingsregister.

2.12 Verzekeraar heeft per 17 september 2014 de inboedel- en opstalverzekering van Consument geroyeerd.

De aansprakelijkheidsverzekering en de doorlopende reisverzekering van Consument zijn door Verzekeraar per contractvervaldatum van 26 februari 2015 geroyeerd.

2.13 In het hier toepasselijke Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen van 23 oktober 2013 is, voor zover relevant, bepaald:

’’2. Begripsbepalingen

In dit protocol wordt verstaan onder:

Incident: een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding.
(…)

3.1 Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister

3.1.1. Iedere Deelnemer heeft een Incidentenregister, waarin door de betreffende Deelnemer gegevens van (rechts)personen worden vastgelegd ten behoeve van het in artikel 4.1.1. Protocol genoemde doel, naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) Incident. Dit Incidentenregister is door de betreffende Deelnemer gemeld bij het CBP. Onder verantwoordelijkheid van de Deelnemer treedt Veiligheidszaken op als (sub) beheerder van het Incidentenregister.

3.1.2 Aan het Incidentenregister is het Extern Verwijzingsregister gekoppeld. Dit Extern Verwijzingsregister is raadpleegbaar door de Deelnemers, alsmede de Organisatie van de Deelnemers via een Verwijzingsapplicatie en bevat uitsluitend Verwijzingsgegevens die onder strikte voorwaarden conform artikel 5.2 Protocol door de Deelnemers mogen worden opgenomen.

4 Incidentenregister
4.1 Doel Incidentenregister

4.1.1 Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de
volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incidentenregister te hanteren:
“Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van
activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder
mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:

– op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot
benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid
(groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten
en medewerkers;
– op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten,
diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van
(wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, alsmede
haar cliënten en medewerkers;
– op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.
(…)
4.2 Toegang tot het Incidentenregister
(…)
4.2.3 De gegevens uit het Incidentenregister van de Deelnemer mogen tevens worden uitgewisseld met functionarissen werkzaam bij de daartoe ingerichte coördinatiefuncties van de NVB, Verbond, VFN, ZN en SFH (de fraudeloketten)(…).”

5 Extern Verwijzingsregister
(…)

5.2 Vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister
5.2.1 De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.
a. De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.
b. In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.
c. Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.”

In het Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen van 1 mei 2010 is, voor zover relevant, bepaald:

’’Beginselen van Verwerking van Persoonsgegevens
4.1 Persoonsgegevens worden in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze verwerkt.
(…)

4.3 Persoonsgegevens worden slechts verwerkt indien en voor zover is voldaan aan minimaal één van de volgende rechtmatige grondslagen:
a. de Betrokkene heeft voor de Verwerking van Persoonsgegevens zijn ondubbelzinnige toestemming verleend;
b. de Verwerking van Persoonsgegevens is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de Cliënt partij is, of voor het nemen van precontractuele maatregelen naar aanleiding van een verzoek van de Cliënt en die noodzakelijk zijn voor het sluiten van een overeenkomst;
c. de Verwerking van Persoonsgegevens is noodzakelijk om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de Financiële instelling onderworpen is;
d. de Verwerking van Persoonsgegevens is noodzakelijk ter vrijwaring van een vitaal belang van de Betrokkene;
e. de Verwerking van Persoonsgegevens is noodzakelijk voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt; of
f. de Verwerking van Persoonsgegevens is noodzakelijk voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de Financiële instelling of van een Derde aan wie de Persoonsgegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de Betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.
(…)

5.1 Doeleinden voor de Verwerking van Persoonsgegevens
5.1 Algemeen

5.1.1 Verwerking van Persoonsgegevens door Financiële instellingen vindt plaats, met inachtneming van de beginselen voor Verwerking van Persoonsgegevens ten behoeve van een efficiënte en effectieve bedrijfsvoering, in het bijzonder in het kader van het uitvoeren van de volgende activiteiten:
(…)
d. het waarborgen van de veiligheid en integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van (pogingen tot) (strafbare of laakbare) gedragingen gericht tegen de branche waar een Financiële instelling deel van uitmaakt, de Groep waartoe een Financiële instelling behoort, de Financiële instelling zelf, haar Cliënten en medewerkers, alsmede het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen;
(…).”

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering
3.1 Consument vordert dat Verzekeraar dekking verleent voor de brandschade aan zijn woning, alsmede de verwijdering van zijn persoonsgegevens uit het Incidentenregister en het Intern Verwijzingsregister.

Argumenten daarvoor
3.2 Consument voert hiervoor de volgende argumenten aan.
• Er is geen sprake van illegale activiteiten nu het kweken van vijf hennepplanten wordt gedoogd. Dit kan dan ook geen reden zijn voor het afwijzen van de schadeclaim.
• De hennepplantage is ingericht in een woning, mede hierom was geen sprake van een brandgevaarlijke situatie. Consument neemt immers geen risico’s in zijn woning waarin hij zelf gevaar zou lopen. Ook is de stroom niet illegaal afgetapt noch gemanipuleerd. Het bezit van de aangetroffen apparatuur is ook op zich zelf niet illegaal.
• Na de schadegebeurtenis zijn er sporen van braak gesignaleerd.
• Een brandstichting kan niet worden uitgesloten.
• De Verzekeraar heeft niet alleen de schadeclaim onterecht afgewezen maar ook de verzekeringen zijn onterecht opgezegd. Consument is nu de dupe van verplichte koppelverkoop van verzekeringen bij het afsluiten van zijn hypothecaire geldlening.

Verweer Verzekeraar
3.3 Verzekeraar heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
• Verzekeraar stelt zich op het standpunt dat de schade van Consument als gevolg van brand in zijn woning niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat schade (mede) veroorzaakt, ontstaan of verergerd door wettelijk niet toegestane activiteiten ingevolge artikel 9 lid 15 van de Voorwaarden Inboedel juncto artikel 2.D.6 van de Voorwaarden Opstal van dekking is uitgesloten.
• Het gedoogbeleid voor het bezit van 5 hennepplanten wordt door Verzekeraar in beginsel erkend mits er geen hennepkwekerij apparatuur aanwezig is. In de woning is naast de
5 hennepplanten ook apparatuur aangetroffen, te weten: twee (kweek)lampen waarvan één brandend, één ventilator, twee transformatoren, één koolstoffilter, enkele metalen pijpen voor flexibele luchtafvoer en een vlotterpomp. De Verzekeraar stelt dat onder deze omstandigheden de kwekerij niet valt onder het gedoogbeleid.
• Uit het onderzoeksrapport volgt dat de brand is ontstaan in de ruimte waar de kwekerij is aangetroffen. Dit zijn voldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat een verband bestaat tussen de brand en de illegale kwekerij.
• Volgens het technisch onderzoek is niet vast komen te staan dat er voorafgaand aan de brand een inbraak heeft plaatsgevonden.
• Bij het aangaan van de hypothecaire geldlening is Consument medegedeeld dat een woonhuisverzekering verplicht was op grond van de hypotheekakte. Consument was echter vrij om deze verzekering bij een andere partij af te sluiten. Hoe dan ook is geen sprake geweest van enige vorm van dwang. Derhalve is geen sprake van koppelverkoop.
• De verzekeringen zijn op grond van de opzegmogelijkheden in het Gemeenschappelijk voorwaarden pakket 2006 beëindigd. De woonhuis- en inboedelverzekering mogen na het constateren van een risicowijziging worden opgezegd. Nu het vertrouwen in de Consument is geschaad en de Verzekeraar geen zaken wil doen met mensen die betrokken zijn bij illegale activiteiten zijn ook de aansprakelijkheids- en doorlopende reisverzekering per contractvervaldatum opgezegd.

3.4 Ter zitting zijn de standpunten van partijen over en weer herhaald en toegelicht
• Consument benadrukt dat, voor zover een IVR-registratie en Incidentenregistratie heeft plaatsgevonden, de registratie ongedaan gemaakt moet worden. Hij wil gezuiverd worden van alle blaam.
• Verzekeraar heeft toegezegd uit te gaan zoeken in welke register(s) de persoonsgegevens van Consument zijn opgenomen. Per brief van 28 april 2016 heeft Verzekeraar nadien bericht dat de persoonsgegevens van Consument zijn opgenomen in het Incidentenregister van de Afdeling Integriteitszaken en in het Intern Verwijzingsregister.

4. Beoordeling

4.1 Tussen partijen is allereerst in geschil of de Verzekeraar zich kan beroepen op de uitsluitingen in artikel 9 lid 15 van de Voorwaarden Inboedel en artikel 2.D.6 van de Voorwaarden Opstal.

4.2 Verzekeraar heeft in dat kader aangevoerd dat de schade op grond van artikel 9 lid 15 Voorwaarden Inboedel in samenhang met artikel 2.D.6 Voorwaarden Opstal is uitgesloten van dekking nu het bezit van hennepplanten en kweekapparatuur als een illegale activiteit moet worden aangemerkt en de schade daardoor is ontstaan.

4.3 De Commissie stelt voorop nu Verzekeraar zich op een uitsluiting beroept, het ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn weg ligt voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting door de wederpartij, te bewijzen, waaruit kan volgen dat die uitsluiting in dit geval van toepassing is. Meer concreet betekent dit dat Verzekeraar in dit geval zal moeten stellen en onderbouwen dat (1) sprake is geweest van illegale activiteiten en (2) de brandschade daardoor is veroorzaakt, ontstaan of verergerd.

4.4 De Commissie stelt vast dat, ook indien met Verzekeraar wordt aangenomen dat sprake is geweest van een illegale hennepkwekerij, op basis van de stellingen van Verzekeraar en de zich in het dossier bevindende stukken niet kan worden vastgesteld dat de brandschade daardoor is veroorzaakt, ontstaan of verergerd.
Daarbij is met name van belang dat zowel door de brandweer als in opdracht van Verzekeraar een onderzoek is ingesteld naar de oorzaak van de brand, maar dat desondanks niet blijkt waardoor de brand is ontstaan.

Volgens het onderzoeksrapport is de brand ontstaan in de ruimte waar zich ook de hennepplanten en de apparatuur bevonden, maar de onderzoeker merkt daarbij uitdrukkelijk op dat de oorzaak van de brand niet was te achterhalen. Afgezien van de enkele constatering van Verzekeraar dat de brand is ontstaan in de ruimte die was ingericht als hennepkwekerij, is geen ander bewijs voor de oorzaak van de brand voorhanden. Hoewel met Verzekeraar kan worden aanvaard dat het kweken van hennep in een woonhuis veelal een verhoogd risico op brandschade meebrengt, is dat echter op zichzelf genomen niet genoeg om reeds daarom ook in dit geval een oorzakelijk verband met de ontstane brand aan te kunnen nemen.
De slotsom is dat op grond van de stellingen van Verzekeraar niet kan worden vastgesteld dat de brandschade door de aangetroffen hennepplanten en de apparatuur is veroorzaakt, ontstaan of verergerd.

4.5 Onder die omstandigheden komt Verzekeraar geen beroep toe op de in de verzekeringsvoorwaarden opgenomen uitsluitingen en heeft hij dus ten onrechte geweigerd dekking te verlenen.

4.6 Voor wat betreft de vraag of Verzekeraar de persoonsgegevens van Consument heeft mogen registreren in het Incidentenregister overweegt de Commissie dat Verzekeraar zich heeft verplicht bij de verwerking van persoonsgegevens in het Incidentenregister te handelen conform het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen van 23 oktober 2013 (hierna: PIFI). Opname in het Incidentenregister is toegestaan wanneer sprake is van een Incident zoals omschreven in artikel 2 van het PIFI en het doel van het Incidentenregister zoals omschreven in artikel 4.1.1. van het PIFI is gediend bij de registratie. Het ligt op de weg van Verzekeraar om de feiten die hij aan de incidentenregistratie ten grondslag legt te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen.

4.7 Volgens de toelichting van het PIFI mogen de incidenteninformatie en de daarbij behorende persoonsgegevens bij het eerste signaal dat sprake is van een incident worden opgenomen in het Incidentenregister. Het (redelijk vermoeden van het) incident moet vervolgens worden onderzocht door de afdeling Veiligheidszaken. Van een gerechtvaardigde Incidentenregistratie is ingevolge artikel 4.1.1 PIFI in ieder geval sprake zolang het onderzoek door de afdeling Veiligheidszaken naar het incident loopt. De afdeling Veiligheidszaken van de registrerende verzekeraar mag informatie uit het Incidentenregister delen met het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit van het Verbond van Verzekeraars en op basis van wederkerigheid en relevantie delen met de afdeling Veiligheidszaken van andere deelnemers aan het PIFI. Het Incidentenregister heeft daarmee een beperkte externe werking. Vgl. Geschillencommissie Kifid 2016-196 onder 4.5.

4.8 In de ‘Handreiking ten behoeve van toepassing van interne en externe waarschuwingssystemen conform de bindende zelfregulering voor verzekeraars’ van het Verbond van Verzekeraars, p. 20, staat dat de ernst van de zaak (de mogelijkheid van) het delen van incidenteninformatie met andere instellingen moet rechtvaardigen. Voorvallen waarbij niet genoeg bewijs voor aantoonbare fraude voor handen is, dienen immers niet al te lichtzinnig buiten de muren van een verzekeraar bekend te worden. Zaken waarbij gedurende het onderzoek een redelijk vermoeden van fraude bestaat, maar waarin het bewijs van fraude na afloop van het onderzoek niet afdoende kan worden geleverd, zijn niet zwaar genoeg om in een register met externe werking te blijven staan. Gelet op de kennelijke bedoeling van het PIFI zoals die uit de Handreiking blijkt en de verstrekkende consequenties voor de betrokkenen van registratie van diens persoonsgegevens in een register met externe werking (het Incidentenregister), is de Commissie van oordeel dat een incidentenregistratie na afronding van het onderzoek naar dit Incident alleen dan gehandhaafd kan blijven wanneer uit dit onderzoek is gebleken dat voldoende bewijs bestaat om fraude aan te tonen.

4.9 Het voorgaande brengt mee dat de incidentenregistratie na afloopt van het onderzoek alleen kan worden gehandhaafd indien voldoende bewijs bestaat dat voldaan is aan de vereisten van artikel 5.2.I sub a en b van het PIFI. Dit houdt in dat voldoende mate moet vaststaan dat de door Verzekeraar gestelde feiten die de registratie dragen een gegronde verdenking van fraude vormen. Zonder nadere toelichting en onderbouwing kan dan ook niet worden aangenomen dat het doel van het Incidentenregister met handhaving van registratie nog is gediend indien na het onderzoek naar het Incident niet is gebleken dat een gegronde verdenking van fraude bestaat. (vgl. GC Kifid 2016-329).

4.10 Aangezien Verzekeraar in het onderhavige geval niet heeft gesteld en bewezen dat uit het onderzoek van Veiligheidszaken is gebleken dat sprake is van een gegronde verdenking van fraude in de zin van artikel 5.2.1 sub a en b van het PIFI, wijst de Commissie de vordering van Consument toe tot verwijdering van zijn persoonsgegevens uit het Incidentenregister.

4.11 Vervolgens bespreekt de Commissie de vraag of Verzekeraar gerechtigd was de persoonsgegevens van Consument te registreren in het Interne Verwijzingsregister (Gebeurtenissenadministratie). Op interne registraties is de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen (GVPFI) van toepassing. Ingevolge artikel 4.1 GVPFI worden persoonsgegevens in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze verwerkt. Gegevensverwerking is behoorlijk, indien Verzekeraar Consument voorafgaand aan het verkrijgen van diens persoonsgegevens heeft geïnformeerd over de mogelijkheid van verwerking daarvan (artikel 4.8 GVPFI).

4.12 Gegevensverwerking is zorgvuldig, indien de persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verwerkt.
Dit wordt nader uitgewerkt in artikel 4.3 en artikel 5 GVPFI. Ingevolge artikel 5.5.1 GVPFI kunnen, ten behoeve van de veiligheid en integriteit van de financiële sector, persoonsgegevens die betrekking hebben op (onder meer) gebeurtenissen die de zorg en aandacht behoeven van de financiële instelling, worden opgenomen in de Gebeurtenissenadministratie. Het gaat daarbij om zaken die de veiligheid en integriteit van de instelling, diens werknemers, klanten, overige relaties maar ook de financiële sector als geheel (kunnen) raken.

4.13 Nu vast is komen te staan dat in de woning van Consument hennepplanten en voor de kweek van die planten bestemde apparatuur is aangetroffen, hetgeen door Consument niet voldoende gemotiveerd wordt betwist, heeft Verzekeraar dit als een gebeurtenis in de zin van de GVPFI mogen aanmerken en de persoonsgegevens in het Interne Verwijzingsregister mogen registreren (vgl. GC Kifid 2016-336).

4.14 Tot slot dient de registratie ingevolge artikel 4.3 sub f GVPFI proportioneel te zijn, hetgeen kort gezegd inhoudt dat het belang van Verzekeraar bij registratie prevaleert boven de nadelige gevolgen daarvan voor Consument. Gelet op het illegale karakter van het gedrag heeft de Verzekeraar een gerechtvaardigd belang bij de opname van de persoonsgegevens van Consument in het interne register. Een registratie kan in onderhavige geval als proportioneel worden aangemerkt.

4.15 Met betrekking tot deze registratie is de Commissie van oordeel dat gelet op de omstandigheden van de onderhavige kwestie een registratie van de persoonsgegevens in het Interne Verwijzingsregister door Verzekeraar in redelijkheid aanvaardbaar is en als proportioneel kan worden aangemerkt. De Commissie neemt daarbij in aanmerking dat de gevolgen van vermelding in het Intern Verwijzingsregister beperkt zijn, omdat zij uitsluitend werken binnen de organisatie van de desbetreffende financiële instelling en Consument niet beletten om een relatie aan te gaan met andere financiële instellingen.

4.16 Gelet op bovenstaande wijst de Commissie de vordering voor wat betreft de dekking voor de brandschade aan zijn woning alsmede verwijdering van zijn persoonsgegevens uit het Incidentenregister toe. Al hetgeen partijen verder nog hebben gesteld kan niet tot een andere beslissing leiden en zal onbesproken blijven.

Beslissing

De Commissie beslist dat Verzekeraar binnen een termijn van een week alsnog dekking dient te verlenen onder de door Consument afgesloten inboedel- en opstalverzekering ter zake van de op 18 juli 2014 als gevolg van de brand in de woning ontstane schade. Voorts beslist de Commissie dat Verzekeraar de persoonsgegevens van Consument binnen een termijn van een week uit het Incidentenregister dient te verwijderen.
Bovengenoemde termijnen gelden vanaf de dag waarop een afschrift van deze beslissing aan partijen is verstuurd. Voor het overige wijst de Commissie de vordering van Consument af.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. U kunt de zaak ook aan de rechter voorleggen.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact