Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2017-257 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening, nr. 2017-257
(S.O.H. Bakkerus, voorzitter en mr. S.N. Dupain)

Klacht ontvangen op : 29 december 2015
Ingediend door : Consument
Tegen : TVM verzekeringen N.V., gevestigd te Hoogeveen,
verder te noemen Verzekeraar
Datum uitspraak : 20 april 2017
Aard uitspraak : Bindend advies

Samenvatting

Tussen Consument en de werknemer van de verzekerde van de WA-verzekeraar heeft een aanrijding plaatsgevonden. Consument stelt zich op het standpunt dat de schuld van de aanrijding ligt bij de werknemer en dat de WA-verzekeraar van de werkgever daarom gehouden is de schade aan de auto van Consument als gevolg van het ongeluk te vergoeden. De bewijslast van deze stelling ligt bij Consument. Consument slaagt er niet in de stelling te bewijzen. De vordering wordt afgewezen.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

• het door Consument (digitaal) ingediende klachtformulier d.d. 16 oktober 2015;
• de aanvullende stukken van Consument d.d. 25 december 2015;
• het verweerschrift van Verzekeraar d.d. 11 maart 2016 inclusief bijlagen;
• de repliek van Consument d.d. 22 april 2015;
• de verklaring van Consument met diens keuze voor bindend advies.

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies. Consument heeft, nadat een zitting was gepland, verzocht de zaak schriftelijk af te doen. Het is daarom niet nodig de zaak mondeling te behandelen. De zaak kan op grond van de stukken worden beslist

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Op 20 februari 2015 vond tussen Consument en de bestuurder van een vrachtwagen (hierna: de vrachtwagenchauffeur) van Transportbedrijf [..naam..] (hierna: het transportbedrijf) een aanrijding plaats. Hierbij heeft de achterzijde van de vrachtwagen de linker voorzijde van de auto van Consument heeft geraakt. De auto van Consument is bij deze aanrijding aan de linker voorzijde beschadigd geraakt.

2.2 Op het schadeformulier dat na de aanrijding door Consument en de vrachtwagenchauffeur is ingevuld, heeft de vrachtwagenchauffeur als bestuurder van voertuig A als opmerking geplaatst: “Kwam vanaf een voorrangsweg.”.
Op datzelfde formulier heeft Consument als bestuurder van voertuig B als opmerking geplaatst: “Mijn stoplicht stond op groen! Getuige heeft het gezien.”

2.3 Als situatieschets van de aanrijding is op het schadeformulier de volgende tekening gemaakt:

Dit formulier is door Consument op 24 februari 2015 voor akkoord getekend.

2.4 Door de buurvrouw van Consument (getuige 1) is een getuigenverklaring opgesteld. In die getuigenverklaring is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Zaterdag 20 februari kwam ik uit de supermarkt Lidl. Mijn buurvrouw stond bij de stoplicht en zaten we te praten. Zij moest doorrijden omdat het groen werd, en die vrachtwagen die nam een grote bocht om naast de magazijn te parkeren, maar toen botste hij tegen de auto van mijn buurvrouw.”

2.5 Op 2 juli 2015 is daarnaast door een andere getuige (getuige 2) nog een verklaring opgesteld. In die verklaring is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Op d.d. 20-02-2015 ben ik getuige geweest van een aanrijding tussen voertuig A: vrachtwagen (…) en B. passagiersauto (…).

Voertuig B stond stil voor groen stoplicht. Voertuig A maakte de bocht, maar bij goed uitzicht had hij kunnen weten dat hij deze nooit had kunnen maken.
Doordat hij de bocht maakte reed hij over de motorkap heen van stilstaand voertuig B, maar deze wel groen licht had.
Meneer voertuig A heeft ook helemaal niet doorgehad dat hij überhaupt iets geraakt had. (…)”

Bij de verklaring heeft getuige 2 de volgende tekening overgelegd:

2.6 Op 11 augustus 2015 is door de vrachtwagenchauffeur nog een verklaring opgesteld. In deze verklaring is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Op het moment dat ik groen heb gekregen ben ik opgereden om de weg te gaan kruisen, echter was op dat moment de andere rijbaan niet vrij. Toen deze vrij was heb ik deze gekruist. Op het moment dat ik op ben gaan rijden stond tegenpartij stil voor het eerste verkeerslicht. Tijdens het kruisen van de weg is de tegenpartij waarschijnlijk opgereden voor een paar meter, dit heb ik echter niet geconstateerd omdat ik bezig was met het in de gaten houden van het tegemoedkomend verkeer als wel het fietspad wat ik ook moest kruisen. Op het moment dat ik links wilde controleren of het vrij was, was het kopschot van de trailer al zo ver gedraaid dat het mijn zichtveld blokkeerde en ik de tegenpartij niet het kunnen zien.”

2.7 Het transportbedrijf heeft een WA-verzekering voor de betreffende vrachtwagen gesloten bij Verzekeraar. Consument heeft de schade aan haar auto als gevolg van de aanrijding met de vrachtwagenchauffeur bij Verzekeraar geclaimd. Verzekeraar heeft de claim afgewezen en zich daarbij, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat de schade is ontstaan door de eigen schuld van Consument omdat zij de vrachtwagenchauffeur geen voorrang heeft verleend terwijl dit wel moest.

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering Consument
3.1 Consument vordert betaling van een bedrag van €3.000,00, zijnde de schade aan de auto ad €2.500,00, alsmede buitengerechtelijke kosten ad €500,00.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag.
• Verzekeraar is op grond van de WA-verzekering die het transportbedrijf waar de vrachtwagenchauffeur in dienst is bij haar heeft gesloten, gehouden de schade aan de auto van Consument te vergoeden. Consument heeft de vrachtwagenchauffeur, anders dan Verzekeraar stelt, wel voorrang verleend terwijl het eerste verkeerslicht waar Consument voor stilstond, op groen stond. Dit blijkt ook uit de situatieschets van getuige 2.
• De jonge en onervaren chauffeur heeft een inschattingsfout gemaakt. Hij had behoren te weten dat hij de bocht naar het magazijn in de smalle straat waar hij moest zijn met zijn grote vrachtwagen niet kon halen. Voor een ervaren vrachtwagenchauffeur moet zo’n situatie vermijdbaar zijn en hij behoort extra voorzichtig te handelen.

Verweer Verzekeraar
3.3 Verzekeraar heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
• Omdat Consument de klacht nog voor de interne klachtenprocedure bij Verzekeraar was doorlopen, heeft voorgelegd aan Kifid, is de klacht kennelijk niet behandelbaar. Dit volgt uit artikel 10 en artikel 18 van het Reglement Ombudsman en Geschillencommissie Financiële Dienstverlening.
• Daarnaast is tussen Consument en Verzekeraar in de interne klachtenprocedure, die na indiening van de klacht bij Kifid is doorlopen, een minnelijke regeling getroffen. Van een klacht kan dus geen sprake meer zijn. Verzekeraar mocht er van uit gaan dat de klacht van Consument naar volle tevredenheid was opgelost.
• Wanneer geoordeeld wordt dat geen minnelijke regeling tot stand is gekomen tussen Consument en Verzekeraar dan stelt Verzekeraar zich uitdrukkelijk op het standpunt dat geen sprake is van aansprakelijkheid aan de zijde van de verzekerde van Verzekeraar. Consument heeft onvoldoende geanticipeerd op het feit dat de vrachtwagenchauffeur een krappe bocht moest maken met zijn vrachtwagencombinatie; hij moest een smalle straat in naar het magazijn van een supermarkt om daar te lossen. Consument stond stil bij het eerste stoplicht toen de vrachtwagenchauffeur die bocht moest maken en zij had daar, ook al werd het verkeerslicht voor haar groen, moeten blijven wachten. Zij heeft dit niet gedaan en is een stuk opgereden richting het tweede stoplicht. Als gevolg daarvan heeft de aanrijding plaats gevonden. De vrachtwagenchauffeur had voorrang; hij kwam immers van een voorrangsweg. Dit betekent dat Consument hem een onbelemmerde vrije doorgang had moeten verschaffen. Dit heeft zij niet gedaan.

4. Beoordeling

Formele standpunten Verzekeraar

4.1 Consument heeft haar klacht voorgelegd aan het Kifid voordat zij bij Verzekeraar de interne klachtprocedure had doorlopen. Nadat Consument hier op is gewezen heeft zij alsnog die interne klachtenprocedure volledig afgerond. Dit maakt dat van een kennelijk niet behandelbare klacht als in artikel 10 en artikel 18 in het Reglement naar het oordeel van de Commissie, anders dan Verzekeraar heeft aangevoerd, geen sprake meer is.

4.2 Verzekeraar heeft daarnaast gesteld dat hij met Consument tijdens de interne klachtenprocedure een minnelijke regeling heeft getroffen en dat daarom geen sprake kan zijn van een klacht. De Commissie volgt deze stelling niet. Hoewel uit de overgelegde stukken blijkt dat Verzekeraar en mr. Ünalan, gemachtigde van Consument hebben gesproken over betaling van 25% van de schade aan de auto van Consument en betaling van 25% van de buitengerechtelijke kosten van Consument, en het erop lijkt dat Verzekeraar betreffend bedrag daadwerkelijk heeft betaald, blijkt nergens uit dat mr. Ünalan inderdaad bevoegd was om die regeling namens Consument aan te gaan. Dit betekent dat niet kan worden aangenomen dat tussen Consument en Verzekeraar een minnelijke regeling tot stand is gekomen.

Inhoudelijke beoordeling klacht
4.3 Consument stelt zich op het standpunt dat de schuld van de aanrijding ligt bij de vrachtwagenchauffeur in dienst van de verzekerde van Verzekeraar, en dat Verzekeraar daarom de schade aan haar auto als gevolg van betreffende aanrijding dient te vergoeden. De bewijslast van deze stelling ligt op Consument. De Commissie is in dit kader voorshands van oordeel dat, als Consument voldoende onderbouwd aantoont dat zij al bij het tweede stoplicht stilstond, het stoplicht dat zich het dichtst bij de weg bevond waar de vrachtwagenchauffeur stilstond, op het moment dat de vrachtwagenchauffeur die weg inreed, de aanrijding inderdaad te wijten is aan de schuld van de vrachtwagenchauffeur. Verzekeraar is in dat geval gehouden de schade aan de auto van Consument te vergoeden. De vrachtwagenchauffeur had dan immers moeten en kunnen begrijpen dat de bocht te smal was om te kunnen maken zonder de auto van Consument daarbij te raken.

4.4 Uit de foto’s die door Consument zijn overgelegd blijkt dat de verkeerssituatie op de plek waar de aanrijding heeft plaatsgevonden als volgt is:

4.5 De verklaringen van de vrachtwagenchauffeur en Consument omtrent de vraag voor welk stoplicht Consument stond te wachten ten tijde van de aanrijding lopen uiteen. Zo heeft de vrachtwagenchauffeur verklaard dat dit het eerste stoplicht is geweest en dat Consument toen dit op groen sprong een stuk is opgereden, terwijl Consument heeft verklaard zij op het moment dat de vrachtwagenchauffeur de noodlottige bocht naar links maakte al voor het tweede stoplicht stond te wachten. Uit deze verklaringen valt dus niet duidelijk op te maken wat de feitelijke situatie is geweest op het moment van de aanrijding.

Aanvullend zijn door Consument nog twee verklaringen overgelegd. Ook hieruit is echter niet zonder meer op te maken bij welk stoplicht Consument stond te wachten op het moment van de aanrijding. Hoewel getuige 2 in haar verklaring
(met tekening) heeft aangevoerd dat Consument bij het tweede stoplicht stilstond, kan hier niet zonder meer van uit worden gegaan. Een en ander wordt namelijk weersproken door de verklaring van getuige 1, de buurvrouw van Consument, in combinatie met de situatieschets die door de vrachtwagenchauffeur en Consument direct na de aanrijding is getekend, en overigens ook voor akkoord is ondertekend. Op die situatieschets staat de auto van Consument immers net na het eerste stoplicht en ruim voor het tweede stoplicht afgebeeld. Dit strookt ook met de verklaring van getuige 1 die naar voren heeft gebracht dat Consument zich voor een stoplicht bevond en op het moment dat dit stoplicht op groen sprong een stuk is doorgereden.

Het voorgaande maakt dat niet is vast komen te staan dat Consument zich op het moment van de aanrijding voor het tweede stoplicht bevond. De Verzekeraar is dan ook niet gehouden de schade aan de auto van Consument te vergoeden.

4.6 Het voorgaande maakt dat de klacht van Consument ongegrond is.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vordering af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 46 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact