Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2017-283 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening, nr. 2017-283
(mr. R.J. Verschoof, voorzitter, mr. M.L. Hendrikse, mr. drs. R. Knopper, leden
en mr. A. Westerveld, secretaris)

Klacht ontvangen op : 31 december 2015
Ingediend door : Consument
Tegen : Waarborgfonds Motorverkeer, gevestigd te Rijswijk,
verder te noemen Waarborgfonds
Datum uitspraak : 3 mei 2017
Aard uitspraak : Bindend advies

Samenvatting

Claim op het Waarborgfonds vanwege parkeerschade. Uit onderzoek is evenwel gebleken dat het ging om een aanrijding met een vast object. Fraude. Registratie in het Incidentenregister en het EVR voor de duur van vier jaar door de Commissie niet disproportioneel geacht

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

• de namens Consument ingezonden klachtbrief met bijlagen, waaronder het door Consument ondertekende klachtformulier;
• het verweerschrift van het Waarborgfonds;
• de repliek;
• de dupliek met bijlagen;
• de namens Consument ingezonden reactie daarop;
• de aanvullende stukken van het Waarborgfonds;
• de namens Consument ingezonden reactie daarop;
• de verklaring van Consument met diens keuze voor bindend advies;
• het na de zitting ontvangen e-mailbericht van het Waarborgfonds;
• de namens Consument ingezonden reactie daarop.

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies.

De Commissie is van oordeel dat het niet nodig is de zaak mondeling te behandelen. De zaak kan daarom op grond van de stukken worden beslist.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Consument heeft bij het Waarborgfonds (digitaal) een verzoek om schadevergoeding ingediend vanwege een schade aan haar auto ([..merk..]) d.d. 17 oktober 2014. Deze schade was naar haar stelling door een ander motorrijtuig veroorzaakt. Consument heeft een getuigenverklaring van haar schoonmoeder d.d. 17 oktober 2014 overgelegd. De schoonmoeder beantwoordde vraag 4 van de getuigenverklaring: “Als u de aanrijding niet zelf heeft zien gebeuren, hoe bent u in kennis gesteld van de schadegebeurtenis?” met: “door mijn schoondochter.” En vraag 5: “In geval van parkeerschade is het van groot belang dat u ons zo uitgebreid mogelijk informeert over hetgeen u heeft geconstateerd, de beschadiging die u heeft waargenomen, de plaats waar een en ander heeft plaatsgevonden en de dag(en) en tijdstip(pen) waarop u een en ander heeft gezien. Bij deze vraag is het zéér belangrijk dat u de situatie vóór en na de schade zo gedetailleerd mogelijk beschrijft.” met: ”De auto was niet beschadigd. Bij terugkomst bleek links achter bij het achterlicht een forse deuk te zitten. De reflector was beschadigd, duidelijk veroorzaakt door een aanhangwagen of grote auto die achteruit reed.”
2.2 Het Waarborgfonds heeft een expert ingeschakeld om de schade vast te stellen. De expert heeft op 10 november 2014 rapport uitgebracht. Daarin heeft hij de schade vastgesteld op € 2.300,-, zulks op basis van totaal verlies. In zijn rapport heeft hij de volgende opmerking opgenomen:
“Met de waardevaststelling hebben wij rekening gehouden met oude aanwezige schade op het zijpaneel linksachter.
Gezien de aard van de beschadiging(en) is het niet aantoonbaar dat de schade veroorzaakt is door een ander motorrijtuig. Wij komen tot deze conclusie omdat de aangetroffen sporen aanleiding geven tot deze vaststelling. Gezien de schade, het schadebeeld en de aangetroffen lak/verfsporen is het aannemelijk dat de schade aan de linkerachterzijde is veroorzaakt door een aanrijding met een vast object. Tevens hebben wij schade vastgesteld op het zijpaneel linksachter, boven het linkerachterwiel. Gezien het schadebeeld is deze schade ontstaan door een ander evenement.”
2.3 Het Waarborgfonds heeft Consument op 13 november 2014 verzocht schriftelijk te reageren op de bevindingen van de expert. De reactie van Consument is aan de expert voorgelegd. Deze heeft nader onderzoek verricht en rapporteerde op 13 maart 2015 als volgt:
“Op bovenstaande foto’s zagen wij dat de schade bestaat uit een verticaal geplaatste en halfronde inrijding, waarin een vreemde groene lakkleur is achtergebleven. De inrijding vangt aan op de onderbumper en loopt door tot op een hoogte van ongeveer 0,87 meter, waar de schade op het linkerachterlicht ophoudt.
Opvallend in dit schadebeeld zijn de breedteverhoudingen. Op de achterbumper is de inrijding breder dan op het achterscherm, wat deels kan komen door de verschillen in materiaaleigenschappen van het kunststof van de achterbumper en het plaatwerk van het achterzijpaneel. Maar ook kan bedacht worden dat de achterbumper door een bredere tegenpartij ingedeukt werd dan het achterzijpaneel. De tegenpartij lijkt een lange smalle ronde vorm te hebben, die mogelijk bestaat uit twee diktes/breedtes. Daarbij komt dat de tegenpartij groen gekleurd is en dat de overgedragen lak van de tegenpartij op de [..automerk..] een vlekkerig uiterlijk heeft. Dit vlekkerige uiterlijk duidt op een vette lak op de tegenpartij, waarbij wij niet direct denken aan de fijne structuur van autolak.”
De expert schreef voorts dat hij de schadelocatie via Google Maps had bekeken : “Wij zagen op de opgegeven schadelocatie geen “groene” tegenpartij, die de vettige groene lak op de achterzijde van de [..automerk..] kan verklaren.”
“De schade geeft echter weer dat een vrachtwagen als tegenpartij niet te verwachten is vanwege het gegeven dat de schade aan de onderzijde dieper en breder is en de [..automerk..] dus als het ware meer schuin van onderen uit aangestoten werd. Dit is bij een botscontact met een ander voertuig, waaronder een vrachtwagen, niet te verwachten. Een dergelijk aanstoot schuin van onderen en tot op gelijke hoogte als de onderrand van het achterlicht, met van onderen naar boven een steeds smaller wordend contactvlak, past wel bij het achteruit tegen een vast object rijden. Wij menen dan ook dat de schade, zowel qua vorm als qua groene (vettige) lak passend is bij het rijden tegen een rond groen en betrekkelijk smal vast object, zoals een lantaarnpaal of vergelijkbaar object.”
“Naar aanleiding van ons onderzoek kunnen wij concluderen dat de schade aan onderhavige [..automerk..] niet veroorzaakt is door een contact met een onbekend gebleven motorvoertuig. De schade is veroorzaakt door een aanrijding met een vast object.”
2.4 Op 16 april 2015 heeft het Waarborgfonds Consument geïnformeerd over de mogelijkheid tot het inschakelen van een contra-expert.
2.5 Namens Consument is op 22 mei 2015 opdracht gegeven tot contra-expertise. De contra-expert heeft de reparateur bij wie de auto stond, op 11 juni 2015 bezocht en bracht
op 22 juni 2015 rapport uit. In zijn rapport schreef hij:
“Met de door de eerste expert vastgestelde schadeoorzaak kon de eigenaar zich niet verenigen, weshalve ons is verzocht contra-expertise te verrichten.”
En verder: “Onze zienswijze met betrekking tot de schade en onze schadevaststelling hebben wij vergeleken met die van de eerste expert en getoetst aan de opmerkingen en standpunten van de eigenaar. Hierbij hebben wij geconstateerd dat, gelet op het schadebeeld en de aangetroffen verf-/laksporen, de schade niet aantoonbaar veroorzaakt werd als gevolg van een aanrijding met een ander motorvoertuig. Wij hebben de eigenaar, aanwezig tijdens onze inspectie, uitleg gegeven over de wijze van vaststellen van mogelijke schadeoorzaken. Deze uitleg werd door ons gedaan aan de hand van de aanwezige schade aan het voertuig. Gezien de uitkomst van het bovenstaande rapport blijkt het door de eerste expert opgestelde schaderapport (…) als het onderzoek aangaande de oorzaak niet afwijkt van onze zienswijze. Wij hebben de eerste expert hierover telefonisch ingelicht. Na de uitleg hebben zowel de eigenaar als de eerste expert ons meegedeeld zich aan onze zienswijze te kunnen conformeren.”
2.6 Op 18 juni 2015 heeft het Waarborgfonds aan een verkeersongevallenanalist opdracht gegeven tot het verrichten van een zogenoemde quickscan. De vraag luidde: “Kan de aangetroffen schade door een motorvoertuig zijn veroorzaakt? Indien niet, waardoor kan de schade dan zijn veroorzaakt?” De verkeersongevallenanalist bracht op 1 juli 2015 rapport uit. In zijn rapport schreef hij onder meer:
“De schade bevindt zich aan de linkerachterzijde van het voertuig. Het betreft een deformatie op de achterbumper en het achterscherm. Het achterlicht is licht gekneusd. In het schade beeld is groene lakafzetting waar te nemen. De deformatie op de achterbumper is breder dan de schade op het achterscherm. Bij de schade op de achterbumper is het materiaal naar de binnenkant toe gevouwen zodat een gebogen knik waar te nemen is. De deformatie bij het achterscherm heeft een holronde vorm. De schade bevindt zich tussen een hoogte van ongeveer 58 cm tot 85 cm.”
En verder: “De aangetroffen schade is niet veroorzaakt door een motorvoertuig maar is door aanrijding met een vast object veroorzaakt. Het aangetroffen schadebeeld bij de achterbumper is breder dan bij het achterscherm. De schade aan het achterscherm heeft een afgeronde vorm.
Dat wijst erop dat het object waarmee contact werd gemaakt een ronde vorm en geen hoekige vorm had. De bultjes in de deformatie bij het achterscherm duiden er op dat er vanuit de kofferbak geprobeerd werd om de deformatie zelf met bijvoorbeeld een hamer eruit te hameren. Er is zodanig tegen het object aangereden dat de achterbumper naar de binnenkant werd gedrukt. Op deze manier kwam ook het achterscherm in contact met het object. Het materiaal van de achterbumper is zo gedeformeerd dat deze, na het botscontact, niet in zijn oorspronkelijke vorm terugveerde. De gebogen knik is het gevolg. De groene lakafzettingen geven aanwijzing dat het object van groene lak/verf was voorzien en dat deze tijdens de aanrijding van het object op het voertuig is overgebracht. Het betreft daarom een staand stijf object dat van een laklaag was voorzien, mogelijk was dat een Amsterdammertje. De conclusie van de schade-expert kan door dit onderzoek worden bevestigd.”
2.7 Bij brief d.d. 4 juli 2015 heeft het Waarborgfonds Consument laten weten dat hij op grond van de door hem ontvangen stukken had vastgesteld dat de door Consument gestelde schade in parkeerstand niet mogelijk is. Het gegeven dat de schade veroorzaakt moet zijn door beweging van het voertuig tegen een vast object houdt in dat de auto niet schadevrij door Consument is geparkeerd of dat er tussentijds met het voertuig is gereden. Het Waarborgfonds gaf voorts aan van mening te zijn dat Consument met het indienen van het verzoek tot schadevergoeding een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en hiermee een onrechtmatige daad jegens hem heeft gepleegd. Consument, zo schreef hij, heeft hem ten onrechte belast met haar claim, waardoor hij onnodig kosten heeft gemaakt. Het Waarborgfonds heeft het verzoek om schadevergoeding van Consument afgewezen, de persoonsgegevens van Consument per 4 juli 2015 voor een termijn van 8 jaar opgenomen in het Incidentenregister en per diezelfde datum voor een periode van 6 jaar in het Extern Verwijzingsregister (EVR). Het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude van het Verbond van verzekeraars is van die registraties op de hoogte gebracht. Verder zijn de gemaakte onderzoekskosten bij Consument in rekening gebracht.
2.8 Nadat door Consument en tevens namens Consument bezwaar was aangetekend heeft het Waarborgfonds de eerder door hem ingeschakelde verkeersongevallenanalist om een reactie gevraagd. Deze schreef op 13 augustus 2015 het volgende;
“Wat in de rapportage staat betekent dat het onomstotelijk is dat de schade is veroorzaakt door tegen een vast object te rijden. Alle kenmerken van het contact met een Amsterdammertje, Hagenaartje, Rotterdammertje of hoe men deze ook mag noemen, maar wel een paal betreft met bredere onderzijde dan bovenzijde, zijn aanwezig.
Voor ons is het daarom een uitgemaakte zaak, dat het verweer in de brief geen enkele grond heeft wat betreft het onjuist zijn van deze conclusies. Dat de persoon in kwestie bewust fraude heeft gepleegd staat niet in onze rapportering.
Kortom er is geen in aanmerking te nemen argument wat ons op andere gedachten kan brengen, aangedragen. Deze schade is een gevolg van het met dit voertuig tegen een Amsterdammertje aanrijden.”
2.9 Het Waarborgfonds heeft Consument bij brief d.d. 20 augustus 2015 laten weten dat hij zijn eerder ingenomen standpunt en de daaraan verbonden consequenties handhaafde. In die brief schreef het Waarborgfonds ook dat het voorafgaand aan de plaatsing van de externe melding de proportionaliteit van deze melding heeft afgewogen en daarbij het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van Consument heeft afgewogen tegen het belang van het Waarborgfonds om deze melding te plaatsen teneinde andere financiële instellingen te kunnen informeren over het onrechtmatig claimgedrag van Consument.
Het Waarborgfonds heeft hierin laten meewegen dat het claimen van een parkeerschade zonder veroorzaker fraudegevoelig is. Daarbij komt dat de schadelast gedragen wordt door de premiebetalende autobezitter. Het Waarborgfonds voert daarom, zo lichtte hij toe, een actief fraudebeleid waaraan op de website aandacht wordt besteed. Als specifiek fraudevoorbeeld wordt genoemd het onrechtmatig claimen van een deuk waarvan bekend is dat deze niet door een motorvoertuig maar door een paaltje is veroorzaakt. Nu Consument via de website een claim heeft ingediend moet zij deze tekst hebben gelezen. Zij was dus gewaarschuwd voor de gevolgen van het fingeren van een schadeoorzaak. De maatregelen ‘externe registratie in de CIS-databank’ en ‘terugvordering van de kosten’ zijn vooraf bekend gemaakt.
2.10 Ten tijde van de registratie van de persoonsgegevens van Consument door het Waarborgfonds was het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen van 23 oktober 2013 (hierna: het Protocol) van toepassing. Voor zover van belang is hierin bepaald:

“2. Begripsbepalingen
In dit protocol wordt verstaan onder:
Incident: een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding.

3.1 Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister
3.1.1 Iedere Deelnemer heeft een Incidentenregister, waarin door de betreffende Deelnemer
gegevens van (rechts)personen worden vastgelegd ten behoeve van het in artikel 4.1.1 Protocol genoemde doel, naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) Incident.
(…)
3.1.2 Aan het Incidentenregister is een Extern Verwijzingsregister gekoppeld.
(…)

4 Incidentenregister
4.1 Doel Incidentenregister
4.1.1 Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incidentenregister te hanteren:

“Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:
– op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers;

– op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van
producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers;
– op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.

5 Extern Verwijzingsregister
(…)
5.2 Vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister
5.2.1 De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.
a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.
b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a
bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.
c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.”

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering Consument
3.1 Consument vordert vergoeding van de schade aan haar auto ad € 2.300,- en doorhaling van de registraties in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister (verder: EVR).

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag.
• Consument heeft niet het opzet gehad tot misleiding van het Waarborgfonds en zij heeft hiervoor de volgende argumenten aangevoerd.
• Consument heeft de schade niet zelf veroorzaakt. Zij trof haar auto op 17 oktober 2014 na terugkeer van de markt in [..woonplaats..] beschadigd aan. Zij heeft daarop aangifte gedaan bij politie.
• Op grond van de expertiserapporten is niet onomstotelijk vast komen te staan dat de schade is veroorzaakt door een aanrijding met een vast object. De door het Waarborgfonds ingeschakelde schade-expert acht dit slechts aannemelijk. De contra-expert acht niet aantoonbaar dat de schade is veroorzaakt door een ander motorvoertuig. Dit brengt mee dat ook niet aantoonbaar is dat de schade niet door een ander voertuig is veroorzaakt. Deze mogelijkheid kan dus niet uitgesloten worden geacht. De contra-expert stelt bovendien dat zijn oordeel gebaseerd is op beperkt beschikbare gegevens. Als meer informatie voorhanden zou zijn geweest zou het oordeel wellicht heel anders hebben geluid.
Verder is niet de gehele schade onderzocht. Niet uitgesloten kan daarom worden geacht dat de schade wel degelijk in parkeerstand door een ander motorvoertuig is veroorzaakt.
• Het aanvullende rapport van de schade-expert d.d. 13 maart 2015 is pas tijdens de procedure bij Kifid aan Consument toegezonden. Dit rapport was haar niet eerder bekend en is zonder haar medeweten opgemaakt. Opvallend is dat het rapport is opgesteld door een andere expert en dat deze op grond van dezelfde gegevens en foto’s tot de conclusie komt dat de schade is veroorzaakt door een aanrijding met een vast object, terwijl de eerste expert dat nog slechts aannemelijk achtte. Dit wekt de indruk dat het rapport naar aanleiding van de opmerkingen van Consument wat sterker is gemaakt.
• De verkeersongevallenanalist is in zijn nadere reactie van 13 augustus 2015, welke reactie dus geruime tijd na de expertise is uitgebracht, veel stelliger dan in zijn oorspronkelijke rapport.
• De achterbumper steekt uit en dit kan dan ook het schadebeeld verklaren.
• Op het Waarborgfonds rust de (zware) bewijslast dat Consument een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en zich schuldig heeft gemaakt aan fraude. Het bewijs hiervoor is niet geleverd met de inhoud van de expertiserapporten. De registraties in het Incidentenregister en het EVR zijn dan ook disproportioneel.
• Consument heeft de schade niet zelf veroorzaakt en heeft geen fraude gepleegd.

Verweer van het Waarborgfonds
3.3 Het Waarborgfonds heeft de stellingen van Consument gemotiveerd weersproken en heeft zich daarbij bereid verklaard de duur van de registratie in het EVR terug te brengen van 6 naar 4 jaar. Na de zitting heeft Het Waarborgfonds zich bereid verklaard om ook de duur van de registratie in het Incidentenregister terug te brengen naar 4 jaar. Voor zover nodig zal de Commissie bij de beoordeling hierop ingaan.

4. Beoordeling

4.1 Volgens Consument is de schade die zij heeft gemeld bij het Waarborgfonds ontstaan toen zij haar auto geparkeerd had achtergelaten. Zij verliet de auto terwijl deze geen schade had en ontdekte de schade na haar terugkeer. Volgens het Waarborgfonds is deze schademelding gebaseerd op een door Consument gegeven onjuiste voorstelling van zaken die als fraude moet worden gekwalificeerd. Het Waarborgfonds heeft geweigerd de schade van € 2.300,- uit te keren en heeft Consument geregistreerd in het Incidentenregister en in het EVR.
4.2 Het gaat in deze zaak om twee vragen: heeft Consument recht op de schade-uitkering
van € 2.300,- die zij van het Waarborgfonds vordert en zijn de registraties door het Waarborgfonds gerechtvaardigd. Voor een bevestigend antwoord op de eerste vraag is nodig dat komt vast te staan dat Consument met recht aanspraak kan maken op deze uitkering. Voor een bevestigend antwoord op de tweede vraag is nodig dat komt vast te staan dat deze registraties worden gerechtvaardigd doordat de schademelding als frauduleus kan worden aangemerkt.
4.3 De vraag over het recht op schade-uitkering beantwoordt de Commissie als volgt. Een consument kan bij schade aan een geparkeerde auto alleen een beroep doen op het Waarborgfonds als de schade is veroorzaakt door een motorvoertuig. Het is aan Consument om aan te tonen dat haar schademelding in overeenstemming is met de feiten.
In dit geval is daarvoor nodig dat komt vast te staan dat haar geparkeerde auto is beschadigd door een bewegend object. Dan moet verder aannemelijk zijn dat dit object een ander motorvoertuig was, anders kan op het Waarborgfonds geen beroep worden gedaan. Gelet op de bevindingen van de door het Waarborgfonds ingeschakelde experts en verkeersongevallenanalist alsmede van de contra-expert die door Consument is ingeschakeld, is de Commissie van oordeel dat door Consument in strijd met de waarheid is verklaard over de schade. De eerste expert merkte in zijn rapport op dat hij het aannemelijk achtte dat de schade is veroorzaakt door een aanrijding met een vast object. Deze conclusie is veel stelliger getrokken door de tweede expert: de schade is niet veroorzaakt door een contact met een onbekend gebleven motorvoertuig maar door een aanrijding met een vast object. De verkeersongevallenanalist concludeerde in zijn eerste rapport dat de aangetroffen schade niet is veroorzaakt door een motorvoertuig maar door een aanrijding met een vast object, “mogelijk was dat een Amsterdammertje”. In zijn tweede rapport concludeerde hij dat de schade het gevolg is van het met de auto aanrijden tegen een Amsterdammertje, zijn eerste verklaring daarmee sterker makend. Consument heeft daar een rapport van een contra-expert tegenover gesteld. De contra-expert concludeerde niet méér dan dat, gelet op het schadebeeld en de aangetroffen verf/laksporen, de schade niet aantoonbaar is veroorzaakt als gevolg van een aanrijding met een ander motorvoertuig. De Commissie is dan ook van oordeel dat Consument niet geslaagd is in het bewijs dat de schade is veroorzaakt door een motorvoertuig. De conclusie is daarom dat het Waarborgfonds de schade aan de auto van Consument niet hoeft te vergoeden.
4.4 De vraag over de registraties beantwoordt de Commissie als volgt.
Het Waarborgfonds heeft zich verplicht bij de verwerking van persoonsgegevens te handelen conform het Protocol. Gelet op de mogelijk verstrekkende gevolgen voor een betrokkene van een registratie in het EVR, moeten hoge eisen worden gesteld aan de gronden van het Waarborgfonds voor opname van de persoonsgegevens van Consument in het EVR. De vereisten die het Protocol in artikel 5.2.1 sub a en b stelt, houden in dat in voldoende mate moet vaststaan dat de gedraging van de betreffende persoon een bedreiging voor de continuïteit en integriteit van de financiële sector vormt. Dit houdt in dat de gestelde feiten op grond waarvan de gegevens zijn geregistreerd, een gegronde verdenking van fraude moeten vormen. Er moet ‘opzet zijn om te misleiden’ (vgl. Hof Amsterdam 30 november 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO7581, r.o. 3.5 en GC Kifid 5 juli 2016, 2016-302, r.o. 4.6 en de daar genoemde uitspraken).
4.5 Het is aan het Waarborgfonds om feiten te stellen die een gegronde verdenking van fraude opleveren. De Commissie is van oordeel dat het Waarborgfonds hierin met zijn beroep op de rapporten van de door hem ingeschakelde experts en verkeersongevallenanalist, uit welke rapporten duidelijk blijkt dat sprake is geweest van een aanrijding met een vast object, voldoende is geslaagd. De conclusie is dan ook dat Consument het opzet heeft gehad het Waarborgfonds te misleiden tot het doen van een uitkering waarop zij geen recht had.
4.6 Het bovenstaande brengt mee dat aan de vereisten voor registratie in het EVR genoemd in artikel 5.2.1 onder a en b van het Protocol is voldaan. Op grond van artikel 5.2.1 onder c van het Protocol dient het Waarborgfonds bij de registratie van persoonsgegevens in het EVR een proportionaliteitsafweging te maken en bij de beoordeling van de vraag of hij gegevens in het EVR registreert, en zo ja, voor welke duur, de belangen van de betrokkene mee te wegen (vgl. GC Kifid 5 juli 2016, 2016-302, r.o. 4.9). Het gaat in het onderhavige geval om een registratieduur van 4 jaar.
De Commissie is van oordeel dat de omstandigheden van dit geval, zoals weergegeven in 4.3, gelet op de gerechtvaardigde belangen van de financiële sector, de registratie en de duur daarvan niet disproportioneel maken.
Het Waarborgfonds heeft zich desgevraagd na de zitting bereid verklaard de duur van de registratie in het Incidentenregister gelijk te stellen aan de duur van de registratie in het EVR en heeft deze verkort van 8 naar 4 jaar. Gelet op het bovenstaande dient ook deze registratie in het Incidentenregister te worden gehandhaafd. Het EVR is gekoppeld aan het Incidentenregister (artikel 5.1.1 van het Protocol). Dit brengt mee dat zolang registratie in het EVR terecht en proportioneel is, de gegevens ook in het Incidentenregister blijven staan.
4.7 De conclusie is dat de vorderingen van Consument worden afgewezen.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vorderingen af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 46 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact