Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2017-310 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2017-310
(mr. B.F. Keulen, voorzitter mr. dr. S.O.H. Bakkerus, mr. J.S.W. Holtrop, leden en mr. M.C.Y. van de Griendt, secretaris)

Klacht ontvangen op : 26 september 2016
Ingediend door : “Consument”
Tegen : Reaal Schadeverzekeringen N.V., gevestigd te Utrecht, verder te noemen “Verzekeraar”
Datum uitspraak : 17 mei 2017
Aard uitspraak : Bindend advies

Samenvatting

Consument heeft bij verzekeraar een autoverzekering gesloten. Vast staat dat Consument bij de aanvraag van de verzekering niet heeft gemeld dat zijn rijbewijs 1 of 2 jaar voor de aanvraag van de verzekering is ingevorderd. Verzekeraar heeft de verzekering van Consument beëindigd en de persoonsgegevens van Consument voor 8 jaar opgenomen in het Externe Verwijzingsregister (EVR) en het Incidentenregister. De Commissie is van oordeel dat de feiten en omstandigheden de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van opzet tot misleiden door Consument om zo een verzekering te verkrijgen. De niet (geheel) naar waarheid beantwoorde vragen rondom het strafrechtelijk verleden waren namelijk voor Verzekeraar van belang voor de beoordeling van de verzekeringsaanvraag. De door Verzekeraar getroffen maatregelen zijn terecht zodat de gehele vordering van Consument wordt afgewezen.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:
• het door Consument digitaal ingediende klachtformulier met bijlagen;
• het verweerschrift van Verzekeraar met bijlagen;
• de repliek van Consument;
• de dupliek van Verzekeraar.

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies.
Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 19 april 2017 en zijn aldaar verschenen.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Consument heeft in maart 2014 een [auto] [TYPE] met kenteken
[kenteken] aangeschaft voor een bedrag van € 46.929,05. Op 13 maart 2014 heeft Consument een autoverzekering (hierna: “de Verzekering”) aangevraagd bij Verzekeraar. Op het aanvraagformulier heeft Consument onder meer het volgende ingevuld:

2.2 Op 13 maart 2014 is de Verzekering geaccepteerd. In de toepasselijke voorwaarden is – voor zover relevant – het volgende bepaald:

“Artikel 2.3. Mogen wij uw verzekering stoppen?
Ja in de volgende gevallen mogen wij uw verzekering of pakket stoppen
– Aan het einde van de looptijd van het pakket. Als wij dit doen laten wij u dit minimaal twee maanden voor het einde van de looptijd weten.
– U heeft ons opzettelijk onjuiste of onvolledige informatie gegeven, toen u de verzekering afsloot.
– U heeft ons zonder opzet onjuiste of onvolledige informatie gegeven toen u de verzekering afsloot. Als wij de goede informatie hadden gehad, zouden wij uw verzekering niet hebben geaccepteerd.
– U heeft vaak of onduidelijke schades bij ons gemeld.
– U heeft de premie niet of niet op tijd betaald.
– Als u fraude heeft gepleegd.
In alle gevallen ontvangt u van ons een brief en/of e-mail. Hierin staat waarom en vanaf welke datum de verzekering stop.”
(…)
“Waarvoor bent u niet verzekerd?
Is er sprake van fraude?
Wij betalen niet als bij schade fraude is gepleegd. Komen wij daar achter en hebben wij al voor schade betaald? Dan moeten het schadebedrag en de gemaakte onderzoekskosten worden terugbetaald. Ook als wij nog niet voor de schade hebben betaald, moet u de onderzoekskosten terug betalen. Wij doen aangifte bij de politie en melden de fraude in de daarvoor bestemde registers.”

2.3 Op 27 september 2015 heeft de partner van Consument aangifte gedaan van inbraak. In het proces-verbaal staat onder meer het volgende:

“Pleegdatum/tijd : Tussen donderdag 24 september 2015 te 06:00 uur en zondag
27 september 2015 te 02:15 uur
(…)
Op eerstgenoemde dag, datum en tijdstip heeft eigenaar als laatste de woning verlaten. De dader kon van buiten niet zien dat er daarna niemand meer in de woning aanwezig was. De woning was deugdelijk afgesloten. Het was niet mogelijk naar binnen te kijken. Bij de woning is geen buitenverlichting aanwezig. De verlichting binnen was niet aangelaten. De woning wordt niet altijd op hetzelfde tijdstip verlaten. De woning is niet voorzien van een alarm. De woning is niet recentelijk gerenoveerd.

Op donderdag 24-09-2015 omstreeks 06:00 hebben wij de woning in goede en onbeschadigde staat achtergelaten. Op zondag 27-09-2015 uur omstreeks 2:15 uur kwamen wij thuis. De voordeur was gewoon afgesloten. Ik liep in het donker door richting de keuken en heb daar de verlichting aangedaan. Ik zag dat er glasscherven op de grond lagen. Hierop keken wij verder rond en zagen dat alle kamers overhoop waren gehaald. Ik zag dat het dakraam op de eerste verdieping kapot was. Je komt bij dat dakraam middels ons dakterras.
(…)
Alle ruimtes zijn doorzocht. Ik zag direct dat de autosleutels van de auto van mijn man weg waren. Deze hingen in het sleutelkastje in de hal. Hierop zijn wij buiten gaan kijken. Ik zag dat het voertuig weg was. Het voortuig is voorzien van kenteken [kenteken]. Het is een [auto] [type] wit van kleur. Verder moet er een huissleutel weg zijn. Verder moet er een huissleutel weg zijn. De dader(s) konden namelijk niet via het dakraam weg zijn gegaan. Daardoor zijn ze vermoedelijk door de voordeur weggegaan. Verder mis ik nog wat sieraden.

De dader heeft de woning als volgt achtergelaten: Overhoop gehaald en alles doorzocht.

Uit de woning is het volgende door onbekende(n) weggenomen:
– Personenauto-voertuigen, [auto], [type], wit (1) huissleutel, sieraden.”

2.4 De schade is gemeld aan Verzekeraar. In opdracht van Verzekeraar is door Levisson Schade Onderzoek & Advies bv (hierna: “Levisson”) op 30 september 2015 een nader onderzoek ingesteld naar de schade. In het onderzoeksrapport – dat Consument op 1 oktober 2015 voor akkoord heeft ondertekend – staat voor zover relevant het volgende als verklaring van Consument:

“Slotvragen/opmerkingen
Niet eerder werd er een diefstal van een auto of schuldschades geclaimd.

Door een verzekeringsmaatschappij werd mij nooit een verzekering geweigerd, tot royement overgegaan of beperkte bepalingen opgelegd. Ik kwam 7 jaar geleden met politie en justitie voor mishandeling in aanmerking. Ik werd veroordeeld tot een geldboete. Ik ben in het bezit van een geldig rijbewijs welke in augustus 2015 werd ingevorderd in verband met het rijden onder invloed van drank. Mijn rijbewijs werd ingevorderd en ik dien op 28 oktober 2015 voor te komen. Eerder werd mijn rijbewijs 1 of 2 jaar geleden ingevorderd voor een dergelijk feit, ik werd toen veroordeeld tot het volgen van een cursus en een boete, kosten bij elkaar een bedrag van € 1.400,-.”

2.5 Op 26 april 2016 heeft Verzekeraar Consument een brief toegestuurd in verband met de geclaimde diefstalschade. In deze brief staat voor zover relevant het volgende:

“INBRAAK
U verklaart dat uw voertuig tussen 24 en 27 september 2015 is weggenomen zonder uw toestemming. Men zou toegang tot uw woning verschaft hebben en daar de sleutels van de [auto] met kenteken [kenteken] hebben meegenomen.

Opvallend bij deze inbraak is dat men over het dak zou hebben gelopen (wat goed zichtbaar is vanaf de weg en omliggende woningen). Men weet precies het dakraam te vinden waardoor zij naar binnen gegaan zouden zijn. Het dakraam bevindt zich op de 4e etage van het pand. Een werkwijze die bij inbraak zeer zeldzaam te noemen is.

U claimt ook sierraden die ten gevolge van deze inbraak zouden zijn meegenomen. Deze bleken later in een borstzak van een jas te zijn ontdekt.

AANVRAAG
U heeft de auto met kenteken [kenteken] nieuw aangeschaft bij de [dealer] in Den Haag.
Op 14 maart 2014 gaat de verzekering in via onze volmacht Voogd en Voogd. Bij de slotvragen vult u in dat u in aanraking bent geweest met politie en justitie. U zegt een geldboete (“dat was een laag bedrag dat ben ik vergeten”). Ik stuur u de aanvraag als bijlage met deze brief mee.

U geeft dit antwoord pas nadat u in eerste instantie alle slotvragen met “neen” beantwoordde en nadat de aanvraag in eerste instantie was afgewezen.

Om de diefstalschade goed vast te stellen schakelden wij onderzoeksbureau Levisson. Bij bezoek van Levisson onderzoek blijkt dat er ook sprake is geweest van rijontzeggingen welke u niet heeft vermeld op het aanvraagformulier. Uw rijbewijs is zelfs ingevorderd. Dit heeft u niet opgegeven in het aanvraagformulier. Ook niet nadat de aanvraag was afgewezen en u wel antwoord gaf op de vraag (wat niet het juiste antwoord bleek te zijn).

U vult bij gegevens over het gebruik in dat u 12.000 kilometer per jaar reed. Bij een stormschade in augustus 2015 was de kilometerstand reeds ruim 34.000. Hier heeft u bij de aanvraag ook getracht Reaal te misleiden.

U stelt bij de aanvraag dat u eigenaar bent van het voertuig en dat het kenteken op uw naam stond. Het blijkt dat het voertuig is gefinancierd en dat ook op dit punt niet naar waarheid is geantwoord.

Tevens is het opvallend dat u een offerte overlegt en een overeenkomst aangaat op naam van [naam]. Dit blijkt de inmiddels in het KVK uitgeschreven autorijschool van u te zijn. De polis is hierom niet opgemaakt met financieringsconstructie. Ook op dit punt heeft u ons niet correct geïnformeerd.

Op basis van deze feiten zouden wij met kennis van de ware wetenschap van uw verleden de polis nooit geaccepteerd hebben.

Bij nader onderzoek blijkt dat u ook een verzekering bij Generali heeft afgesloten. Hier heeft u alle gestelde slotvragen met “neen” beantwoordt. Ook hier heeft u collega verzekeraar bewust misleidt.

Nadere informatieverstrekking
Wij hebben u hierop gevraagd uw reactie te geven en volstrekte helderheid gegeven.
Vanaf 18 november 2015 zijn wij hiermee bezig. Wij verzochten u vonnissen van justitie te overleggen. Uw strafrecht advocaat [X] heeft hiermee verschillende malen met ons en de onderzoeker over gesproken wat er nu precies overlegd moest worden.

Op 1 maart 2016 krijgen wij bericht van uw advocaat. De advocaat adviseerde u de verstrekte machtiging om informatie in te winnen te herroepen. Het mag duidelijk zijn dat wij op dit punt ook niets meer verwachten.

Conclusie
Op basis van het bovenstaande concluderen wij dat u opzettelijk Reaal heeft misleid met als doel een verzekering te sluiten. U heeft hiermee een valse aangifte gedaan en u dient een onterechte claim in met als doel een (hogere) uitkering van Reaal te krijgen.

Wat zijn de gevolgen voor u?
In de polisvoorwaarden hebben wij geregeld hoe wij met deze situaties omgaan. Dit houdt in dat wij niet tot uitkering overgaan en dat wij uw verzekeringen per direct beëindigen. Ook vorderen wij de onderzoekskosten van u terug. Deze bedragen € 1.2363,60. Wilt u deze aan onze volmacht Voogd en Voogd overmaken?
(…)
Wat doen wij met deze informatie?
REAAL geeft uw naam—adres- en woonplaatsgegevens en uw geboortedatum door aan de Stichting CIS in Den Haag. Gezien de ernst van de fraude registreren wij u voor de duur van 8 jaar.

Andere financiële instellingen in Nederlanden kunnen, volgens het Protocol Incidenten-waarschuwingssysteem Financiële Instellingen, toetsen of u voorkomt in een Incidentenregister.
(…)
Tenslotte hebben wij het Bureau Justitiële Zaken/Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit van het Verbond van Verzekeraars op de hoogte gebracht van de opname van uw persoonsgegevens in het Incidentenregister. Het bureau Justitiële Zaken/Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit behartigt de belangen van Nederlandse verzekeraars als het gaat om veiligheid en de integriteit van de financiële sector.”

2.6 Op 29 april 2016 heeft de schoonvader van Consument namens hem een klacht ingediend bij Verzekeraar. Consument heeft Verzekeraar op 17 juni 2016 een eenmalige machtiging gegeven voor het inwinnen van justitiële informatie. Verzekeraar heeft geen verklaring van justitie rondom de antecedenten ontvangen. De uitwisseling van standpunten in de interne klachtenprocedure heeft niet geleid tot een oplossing.

2.7 Consument heeft de onderzoekskosten niet voldaan. Verzekeraar heeft daarom TKB B.V. in oktober 2016 ingeschakeld om die kosten te incasseren. De onderzoekskosten zijn inmiddels opgelopen tot € 1.595,84.

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering Consument
3.1 Consument vordert vergoeding van de nieuwwaarde van de gestolen auto ad € 46.929, de dagvergoeding na diefstal auto ad € 750,-, huurkosten vervangende auto’s buiten wachttijd ad € 500,-, kosten voor juridische bijstand ad € 750,- en intrekking van de onderzoekskosten van € 1.595,84, de totaalsom vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2015. Bovendien vordert Consument verwijdering van de registratie in het Extern Verwijzingsregister (EVR) en het Incidentenregister.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslagen:
• Verzekeraar probeert onder de schade-uitkering uit te komen door de suggestie te wekken dat Consument haar willens en wetens heeft misleid. Verzekeraar trekt ten onrechte de betrouwbaarheid van Consument in twijfel door via justitiële documenten een crimineel imago aan Consument toe te schrijven. Consument is op geen enkele wijze betrokken geweest bij het in scene zetten van de diefstal van zijn auto. Verzekeraar wekt de suggestie dat Consument één of meer derden toegang tot zijn woning heeft verleend via het dakraam. Dit is niet het geval. Daarnaast heeft Consument eerlijk aangegeven dat hij de sieraden later heeft teruggevonden in zijn colbert. Het significante verschil in de opgegeven kilometerstand heeft niets te maken met misleiding, maar met gewijzigde privéomstandigheden. Voor Consument was bovendien niet bekend in welke hoedanigheid Levisson contact met hem heeft gezocht. Later blijkt hij door Verzekeraar te zijn ingehuurd als privédetective en blijkt het onderzoeksrapport ook gebaseerd te zijn op suggestieve opmerkingen. De auto was aanvankelijk bedoeld voor zijn rijschool. De financiering van de auto was daarom geregeld via de rijschool. Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden heeft Consument de rijschool van de hand moeten doen.
• Consument heeft nooit een afwijzing van de aanvraag van de Verzekering ontvangen. Bovendien heeft Consument op het aanvraagformulier aangekruist dat hij in de laatste
8 jaren in aanraking is geweest met politie of justitie vanwege een geldboete. Consument heeft deze vraag naar waarheid beantwoord. Consument heeft inderdaad een rijontzegging gehad, maar wel pas na ingangsdatum van de Verzekering.
• Verzekeraar is overgegaan tot registratie zonder Consument te horen. Hierdoor is sprake geweest van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Op basis van de proportionaliteitsmatrix zou Consument niet geregistreerd moeten zijn.
• De onderzoekskosten dienen voor rekening van Verzekeraar te komen, omdat Consument geen opdracht heeft gegeven voor het instellen van het onderzoek en het onderzoeksrapport niet juist is.

Verweer van Verzekeraar
3.3 Verzekeraar heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
• Consument heeft zijn mededelingsplicht geschonden bij de aanvraag van de Verzekering en hiermee getracht Verzekeraar te misleiden. Na het steeds veranderen en aanvullen van de situatie rondom het strafrechtelijk verleden, contacten met politie en justitie en de rijontzeggingen, heeft Verzekeraar zich op het standpunt gesteld dat Consument niet direct de volledige waarheid heeft verteld. Met name het feit dat Consument heeft verzwegen dat zijn rijbewijs 1 of 2 jaar voor de aanvraag van de Verzekering is ingevorderd en de onduidelijkheid over het strafrechtelijk verleden, zijn voor Verzekeraar van belang geweest voor het beoordelen van het risico. Indien Verzekeraar met het verleden van Consument bekend was geweest, was de Verzekering nooit tot stand gekomen.
• De omstandigheden rondom de toedracht van de diefstal hebben vragen opgeroepen. Verzekeraar betwist de juistheid van de toedracht van de diefstal mede door de schending van de mededelingsplicht en het niet naar waarheid beantwoorden van de slotvragen op het aanvraagformulier.
• Op grond van alle omstandigheden heeft Verzekeraar geconcludeerd dat vast staat dat sprake is van een frauduleuze verzekeringsaanvraag. Dit heeft Verzekeraar zorgvuldig getoetst conform alle geldende regelgeving en jurisprudentie of een registratie in het Externe Verwijzingsregister bij de stichting CIS diende plaats te vinden. Hiervoor heeft Verzekeraar gebruik gemaakt van een proportionaliteitsmatrix in het kader van de dubbele proportionaliteitstoets. Op basis van de proportionaliteitsmatrix is Verzekeraar overgegaan tot registratie van acht jaar. Voor de goede orde: het fraudeoordeel ziet op de aanvraag en niet op de schadeclaim.
Het deel van de onderzoekskosten dat ziet op het onderzoeken van de schadeclaim zal Verzekeraar in mindering brengen op de vordering. Het deel dat betrekking heeft op de vaststelling van de (on)juistheid van de slotvragen bij acceptatie dient echter voor rekening van Consument te blijven.

4. Beoordeling

4.1 Ter beoordeling ligt de vraag voor of Verzekeraar er terecht van uitgaat dat
Consument zijn mededelingsplicht heeft geschonden en gefraudeerd heeft bij de
aanvraag van de verzekering en dientengevolge mocht overgegaan tot afwijzing van de
schadeclaim, beëindiging van de verzekering en opname van de persoonsgegevens van
Consument in het EVR en het Incidentenregister.

Mededelingsplicht
4.2 Uit de stukken blijkt dat Consument op het aanvraagformulier van de Verzekering heeft ingevuld dat hij vanwege een geldboete in aanraking is geweest met politie of justitie. Consument heeft later aan Levisson verklaard dat zijn rijbewijs 1 of 2 jaar voor de aanvraag van de Verzekering is ingevorderd. Consument heeft die verklaring ook voor akkoord ondertekend. Ter zitting heeft de gemachtigde van Consument verklaard dat Consument gezien zijn toestand op dat moment niet meer weet wat hij toen heeft verklaard. De Commissie is echter van oordeel dat de destijds door hem ondertekende verklaring voldoende overtuigend is en dat Consument deze verklaring onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Het lag op de weg van Consument om de Commissie een Verklaring omtrent Gedrag te verstrekken waaruit kan worden opgemaakt dat zijn rijbewijs niet is ingevorderd. Consument heeft dit nagelaten. Daarom staat in deze procedure vast dat Consument niet heeft gemeld dat zijn rijbewijs 1 of 2 jaar voor de aanvraag van de Verzekering is ingevorderd. Een rechtvaardiging daarvoor is niet gebleken. Nu Consument op het aanvraagformulier ten onrechte niet heeft aangegeven dat hem 1 of 2 jaar voor de aanvraag van de Verzekering de rijbevoegdheid is ontzegd, heeft hij op grond van artikel 7:928 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) zijn mededelingsplicht geschonden.

Verzekeraar heeft naar het oordeel van de Commissie voldoende gemotiveerd uiteengezet dat hij de verzekering niet zou hebben gesloten indien hij kennis zou hebben gehad van de ware stand van zaken, zodat Verzekeraar Consument gelet op het voorgaande op grond van artikel 7:930 lid 1 en 4 BW geen uitkering verschuldigd is en de verzekering op grond van artikel 7:929 lid 2 BW mocht beëindigen.

Registratie Extern Verwijzingsregister
4.3 Voor wat betreft de vraag of Verzekeraar de persoonsgegevens van Consument in het
EVR mocht opnemen, overweegt de Commissie het volgende.
Verzekeraar heeft zich verplicht bij de verwerking van persoonsgegevens in het
EVR te handelen conform het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen van 23 oktober 2013 (PIFI). Vermelding van de persoonsgegevens in het EVR wegens verdenking van (poging tot) fraude is een maatregel met mogelijk
verstrekkende gevolgen voor de betrokkene. Deze vermelding kan tot gevolg hebben
dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het EVR is overgegaan, maar ook
andere deelnemers hun (financiële) diensten aan de geregistreerde weigeren. Er
moeten daarom hoge eisen worden gesteld aan de grond(en) van Verzekeraar voor
opname van de persoonsgegevens van Consument in het EVR. Zie o.a. uitspraak
Geschillencommissie Kifid 2016-326 d.d. 14 juli 2016 en 2016-329 d.d. 18 juli 2016.

4.4 Artikel 5.2.1 onder a en b van het PIFI bepaalt onder welke voorwaarden
persoonsgegevens in het EVR mogen worden opgenomen: in voldoende mate moet
vaststaan dat de gedraging van de betreffende persoon een bedreiging vormt voor de
(financiële) belangen van een financiële instelling, alsmede voor de continuïteit en
integriteit van de financiële sector. Dit houdt in dat de gestelde feiten die de registratie
dragen een gegronde verdenking moeten vormen van fraude (“opzet te misleiden”).
Zie ook Hof Amsterdam 30 november 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO7581, r.o. 3.5,
alsmede de uitspraak van de Geschillencommissie Kifid 2015-142. De financiële
instelling moet in het dossier van het incident ten opzichte van betrokkene genoeg
bewijsmiddelen hebben op grond waarvan kan worden gesteld dat sprake is van een
zware verdenking of bewezenverklaring. De informatie in het dossier moet van dien
aard zijn dat voor de rechter genoeg bewijs beschikbaar is om tot een
bewezenverklaring van het strafbare of onoorbare feit te kunnen komen. Er moet dus
sprake zijn van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld.

Zie de door het Verbond van Verzekeraars opgestelde ‘Handreiking ten behoeve van
toepassing van interne en externe waarschuwingssystemen conform de bindende zelfregulering voor verzekeraars’, p. 34 en HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720,
r.o. 4.4. Daarbij is van belang dat enkel ‘verdachte omstandigheden’ onvoldoende zijn
voor een EVR-registratie. Zodra er een plausibele verklaring voor de omstandigheden
kan worden gegeven, zal geen sprake zijn van een gegronde verdenking van fraude (vgl.
GC Kifid 2015-142 en GC Kifid 2015-143).

4.5 In de onderhavige zaak staat vast dat Verzekeraar de persoonsgegevens van
Consument in het EVR heeft opgenomen en dat hij zich daarbij heeft gebaseerd op de verzekeringsaanvraag en het onderzoeksrapport. De vraag die beantwoord moet worden is of de gestelde feiten een gegronde verdenking vormen van opzet aan de zijde van Consument om Verzekeraar te misleiden en Verzekeraar derhalve in redelijkheid tot het besluit van de registratie heeft kunnen komen. Deze vraag dient naar het oordeel van de Commissie bevestigend te worden beantwoord. Vast staat dat Consument de vragen rondom zijn strafrechtelijk verleden niet (geheel) naar waarheid heeft beantwoord en dat deze vragen voor Verzekeraar van belang waren voor de beoordeling van de verzekeringsaanvraag. De Commissie is dan ook van oordeel dat Consument Verzekeraar met opzet heeft willen misleiden in de zin van artikel 5.2.1 sub a en b van het PIFI om zo een verzekering te verkrijgen.

4.6 Op grond van art. 5.2.1 onder c van het Protocol dient de verzekeraar bij de registratie van persoonsgegevens in het EVR een proportionaliteitsafweging te maken en bij de beoordeling van de vraag of hij gegevens in het EVR registreert, en zo ja, voor welke duur, de belangen van de betrokkene mee te wegen (Vgl. GC Kifid 5 juli 2016, 2016-302, onder 4.9). De betrokkene die verwijdering van een registratie wenst, zal moeten onderbouwen op grond waarvan hij disproportioneel wordt geraakt in zijn belangen en waarom zijn belang prevaleert boven dat van Verzekeraar.

4.7 Verzekeraar heeft gemotiveerd aangevoerd waarom het belang van de financiële sector bij registratie zwaarder weegt dan het belang van Consument bij het niet-registreren van zijn persoonsgegevens. Verzekeraar heeft aangevoerd dat het niet voldoen aan de mededelingsplicht, de ontzegging van de rijbevoegdheid en het niet opgeven van het schadeverloop volgens de door hem gehanteerde proportionaliteitsmatrix leiden tot een registratieduur van acht jaar in het EVR. Van omstandigheden die tot doorhaling of een verkorting van de duur van de registratie zouden moeten leiden is de Commissie niet gebleken.

Registratie Incidentenregister
4.8 Verzekeraar heeft de gegevens van Consument voorts voor de duur van acht jaar opgenomen in het Incidentenregister. Gelet op het bovenstaande dient ook deze registratie te worden gehandhaafd. Het EVR is gekoppeld aan het Incidentenregister (artikel 5.1.1 van het Protocol). Dit brengt mee dat zolang registratie in het EVR terecht en proportioneel is, de gegevens ook in het Incidentenregister blijven staan.

4.9 Op grond van artikel 4.2.3 van het Protocol worden de gegevens in het
Incidentenregister uitgewisseld met functionarissen werkzaam bij de daartoe ingerichte
coördinatiefuncties van het Verbond van Verzekeraars, te weten het fraudeloket. Dit is
het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit. In verband met het hiervoor onder
4.10 overwogene is voor het toewijzen van de vordering tot intrekking van de melding
van de incidentenregistratie aan het CBV derhalve geen grond aanwezig.

Onderzoekskosten
4.10 Verzekeraar heeft de door hem gemaakte onderzoekskosten van € 1.595,84 teruggevorderd. Uit de stukken volgt dat het deel van de onderzoekskosten dat ziet op het onderzoeken van de schadeclaim in mindering zal worden gebracht op de vordering. De door Consument gegeven onjuiste voorstelling van zaken laat zich kwalificeren als een wanprestatie in de zin van artikel 6:74 BW. Vgl. Geschillencommissie nr. 2016-368 r.o. 4.3. Vanwege zijn toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit de verzekeringsovereenkomst is Consument gehouden de schade die Verzekeraar als gevolg hiervan heeft geleden, te vergoeden. De onderzoekskosten worden door de Commissie als schade aangemerkt en Consument kan worden gehouden deze te vergoeden. Vergelijk art. 6:96 lid 2 sub b BW (vgl. GC Kifid 2010-139). De door Consument gevraagde intrekking van de terugvordering zal daarom worden afgewezen.

Slotsom
4.11 De slotsom is dat de gehele vordering van Consument wordt afgewezen.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vorderingen af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 46 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact