Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2017-460 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2017-460
(mr. E.L.A. van Emden, voorzitter en mevrouw mr. A. de Vette, secretaris)

Klacht ontvangen op : 25 oktober 2016
Ingediend door : Consument
Tegen : Interbank N.V., gevestigd te Amsterdam, verder te noemen: ‘de Bank’
Datum uitspraak : 13 juli 2017
Aard uitspraak : Bindend advies

Samenvatting

De klacht van Consument betreft een kredietovereenkomst die haar ex-partner in haar naam is aangegaan in 2004. De Commissie overweegt dat de omstandigheden maken dat Consument gebonden is aan de kredietovereenkomst. Dat zij te laat heeft geklaagd en dat de identiteitsfraude had kunnen worden voorkomen dient voor haar rekening en risico te komen. De Bank kan en mag het openstaande krediet op Consument verhalen. De Commissie wijst de vordering van Consument af.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

• het door Consument (digitaal) ingediende klachtformulier met bijlagen;
• het verweerschrift van de Bank; en
• de reactie van de Bank.

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies.
Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 17 mei 2017 en zijn aldaar verschenen.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Op 17 augustus 2004 is door bemiddeling van A.A. Assurantiën een kredietovereenkomst tot stand gekomen op naam van Consument en IDM Financieringen B.V., een rechtsvoorganger van de Bank. Het betrof een doorlopend krediet met een kredietlimiet van € 14.000,-.

2.2 De gehele kredietlimiet is direct opgenomen en overgemaakt op de bankrekening van Consument.

2.3 Op 25 oktober 2005 ontving Consument een voorstel tot beëindiging van haar dienstverband van haar werkgever. De brief luidt, voor zover relevant, als volgt:

2.4 Het Gerechtshof ’s-Gravenhage heeft in een procedure tussen Consument en een telefoonprovider op 9 oktober 2012, voor zover relevant, het volgende geoordeeld:

2.5 Op 16 september 2016 heeft Consument per brief het volgende aangegeven:

2.6 Op 10 oktober 2016 heeft de Bank Consument per e-mail, voor zover relevant, als volgt bericht:

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering Consument
3.1 Consument vordert dat de Bank haar vordering op Consument zal kwijtschelden.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslagen.
• De ex-partner van Consument heeft door middel van identiteitsfraude een krediet op haar naam heeft afgesloten. Haar ex-partner heeft vaker op deze wijze misbruik gemaakt van de identiteit van Consument. Hierbij wordt verwezen naar het in rechtsoverweging 2.4 geciteerde arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage. Consument kan derhalve niet gehouden worden aan deze overeenkomst, nu zij deze niet is aangegaan.
• Het gegeven dat Consument geen aangifte bij de politie heeft gedaan ten aanzien van de identiteitsfraude kan haar niet worden verweten. Zij is immers jarenlang geterroriseerd door haar ex-partner, waardoor zij simpelweg te bang was om aangifte te doen.
• De ex-partner van Consument beheerde ten tijde van de totstandkoming van de kredietovereenkomst haar financiën. Consument had derhalve geen zeggenschap over het geld op haar bankrekening. Bovendien had Consument geen beschikking over haar bankafschriften totdat de samenleving tussen Consument en haar ex-partner in 2005 werd verbroken.

Verweer van de Bank
3.3 De Bank heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
• Consument is door aanbod en aanvaarding gebonden aan de kredietovereenkomst.
• In het geval dat vast komt te staan dat Consument de kredietovereenkomst niet ondertekend heeft, is zij eveneens gebonden aan de rechten en verplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst. Uit artikel 3:35 jis. 3:36 jis. 3:61 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 6:147 BW blijkt immers dat ook als de handtekening onder een overeenkomst vervalst is, degene wiens handtekening vervalst is aan de overeenkomst gebonden is, indien er bijzondere omstandigheden aanwezig die tot de slotsom nopen dat het hem is toe te rekenen dat de wederpartij de handtekening voor echt heeft gehouden en redelijkerwijs ook mocht houden. Uit de rechtspraak volgt dat dit bijvoorbeeld het geval is wanneer degene wiens handtekening is vervalst, ofschoon hij de onbetrouwbaarheid van degene die zijn handtekening heeft vervalst, kende of behoorde te kennen, eraan heeft meegewerkt of zonder voorzorgsmaatregelen te treffen, heeft toegelaten dat deze de mogelijkheid kreeg door het vervalsen van zijn handtekening jegens de wederpartij de schijn te wekken dat het een door hem ondertekende verklaring betrof (zie HR 7 februari 1992, NJ 1992, 809). Nu de handtekening van Consument onder de kredietovereenkomst stond, het krediet is uitbetaald op de bankrekening van Consument, de Bank beschikking kreeg over kopieën van persoonlijke documenten van Consument en de Bank al bijna 13 jaar de maandtermijnen van de bankrekening van Consument incasseert mocht zij er redelijkerwijs op vertrouwen dat Consument de kredietovereenkomst daadwerkelijk is aangegaan.
• Nu Consument jarenlang aan haar betalingsverplichting heeft voldaan en daarbij niet (actief) heeft geprotesteerd, mocht de Bank er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de door Consument verrichte betalingen werden gedaan ter (terug)betaling van de schuld.
De automatische incasso’s zijn altijd geïncasseerd van de bankrekening van Consument en Consument heeft zich hier nimmer tegen verzet.
• Ingevolge art. 6:2 BW heeft Consument als gevolg van eigen voorafgaand gedrag haar rechten jegens de Bank verwerkt. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is het derhalve onaanvaardbaar dat Consument nu een vordering instelt en bestaat er voor Consument geen mogelijkheid (meer) om haar rechten of bevoegdheden uit te oefenen. De Bank mag er op vertrouwen dat Consument deze betalingen niet zou terugvorderen dan wel zich hier in een later stadium tegen zou verzetten.

4. Beoordeling

4.1 Centraal in de beoordeling van de klacht staat de vraag of de Consument gehouden is aan de kredietovereenkomst uit 2004 en of de Bank gerechtigd is om op grond van de kredietovereenkomst nakoming daarvan te verlangen.

4.2 Allereerst merkt de Commissie op dat, zelfs in het geval dat komt vast te staan dat de kredietovereenkomst tussen de Bank en Consument niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, het krediet daadwerkelijk aan Consument is uitbetaald en derhalve dient te worden terugbetaald.

4.3 De kredietovereenkomst staat op naam van Consument. Bovendien is een kopie van het paspoort van Consument overgelegd. Aan de zorgplicht van de Bank ten aanzien van de identificatieplicht is voldaan. De Commissie oordeelt dat de Bank er derhalve gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Consument een contractspartij bij de kredietovereenkomst was.

4.4 Niet vast is komen te staan dat de handtekening op de kredietovereenkomst vervalst is. Indien dit echter wel het geval zou zijn, is het voor de ex-partner van Consument echter mogelijk geweest om toegang te verkrijgen tot de handtekening, een recente salarisstrook en het paspoort van Consument waardoor hij gemakkelijk de kredietovereenkomst kon sluiten bij de Bank. Hieruit volgt dat Consument in dit geval niet alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de door haar gestelde identiteitsfraude te voorkomen.

4.5 Consument stelt dat zij geen zeggenschap had over het geld op haar bankrekening gedurende de periode dat zij een affectieve relatie had met haar ex-partner. Pas toen de relatie in 2005 werd verbroken kreeg zij weer inzicht in en beschikking over haar persoonlijke financiën. De Commissie oordeelt dan ook dat zij in elk geval in 2005 kennis had kunnen nemen van de afschriften op haar bankrekening in verband met de renteafschrijving ten aanzien van kredietovereenkomst. Het had op de weg van Consument gelegen om op dat moment direct contact op te nemen met de Bank en haar te vergewissen van de vermeende identiteitsfraude. Dat zij zich nu 12 jaar na de totstandkoming van de kredietovereenkomst bij de Bank heeft beklaagd, behelst een omvangrijke overschrijding van de termijn waarbinnen Consument haar klachtrecht kon uitoefenen. Dit is een omstandigheid die voor rekening en risico van Consument dient te komen.

4.6 Ten aanzien van het door Consument ingebrachte arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage geldt dat deze ziet op een rechtsverhouding tussen een telefoonprovider en Consument. Deze uitspraak is derhalve niet relevant in de beoordeling van het onderhavige geschil. Bovendien geldt dat Consument zich tot haar ex-partner dient te wenden indien zij meent dat hij onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Het staat haar vrij om de door haar gestelde schade op haar ex-partner te verhalen. Van de Bank kan echter niet worden gevergd dat zij een in 2004 ontstane schuld kwijtscheldt.

4.7 Hoewel de Commissie begrijpt dat Consument op persoonlijk vlak een zware periode achter de rug heeft, is zij gehouden aan de verplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst. Het is in dit kader dan ook spijtig dat Consument het voorstel van de Bank, waarbij deze uit coulance bereid was om een rentestop op het krediet in te voeren, heeft afgewezen. In 2004 is Consument hoofdelijk aansprakelijk geworden voor de betalingsverplichtingen die uit de kredietovereenkomst voortvloeien en zij dient de restschuld inclusief de toepasselijke rente aan de Bank te voldoen.

4.8 De Commissie concludeert dat de Bank haar zorgplicht jegens Consument niet heeft geschonden. Consument is hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de restantvordering van het krediet en de Bank is niet gehouden (een gedeelte van) deze schuld kwijt te schelden. De Commissie wijst de vordering van Consument daarom af.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vordering af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 46 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact