Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2017-492 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening, nr. 2017-492
(mr. R.J. Paris, voorzitter en mr. C.I.S. Dankelman-de Vogel, secretaris)

Klacht ontvangen op : 18 januari 2017
Ingediend door : Consument
Tegen : Coöperatieve Rabobank U.A., gevestigd te Amsterdam,
verder te noemen de Bank
Datum uitspraak : 24 juli 2017
Aard uitspraak : Bindend advies

Samenvatting

De klacht van Consument ziet op de verhoging van de risico-opslag. De geldleningen van Consument zijn verstrekt voor de financiering van een woonboot. De Commissie is van oordeel dat de Bank van de rond haar tarievenbeleid toekomende beleidsvrijheid niet op een onredelijke wijze gebruik maakt.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

• het door Consument (digitaal) ingediende klachtformulier met bijlagen;
• het verweerschrift van de Bank;
• de repliek van Consument;
• de dupliek van de Bank.

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies.

Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 10 juli 2017 en zijn aldaar verschenen.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Consument en zijn echtgenote hebben in 2001 en in 2003 hypothecaire geldleningen (hierna: ‘geldleningen’) afgesloten bij de Bank. De geldleningen zijn verstrekt voor de financiering van een woonboot. Omdat het financieringen voor een woonboot betreffen, zit in de overeengekomen rentetarieven een risico-opslag van 0,2% besloten.
2.2 Op de geldleningen zijn van toepassing verklaard de Algemene voorwaarden voor particuliere geldleningen van de Rabobank 2001 (hierna: ‘de Voorwaarden 2001’).
2.3 In de Voorwaarden 2001 is onder A van de definities bepaald:

“rentevastperiode: een met u afgesproken periode waarin de bank de voor de geldlening geldende rente niet zal wijzigen.”

Artikel 2 van onderdeel B van de Voorwaarden 2001 luidt:

“De methode van renteberekening en de valuteringsregeling worden door de bank bepaald.”

Artikel 17 van de Voorwaarden 2001 bepaalt:

“a. De bank kan de rente wijzigen na elke met u in de akte overeengekomen rentevastperiode, voor het eerst op de in de akte genoemde datum.
b. De bank zal de rente niet wijzigen tijdens een rentevastperiode.
c. De bank zal de rente vaststellen op grond van een door haar te bepalen basisrente. De bank kan de rente verhogen met één of meer door haar vast te stellen opslagen.(…)”

2.4 In het kader van het aflopen van de rentevastperiode per 31 januari 2017 van beide geldleningen heeft de Bank Consument in oktober 2016 een nieuw voorstel gedaan. Vanwege een beleidswijziging per 1 augustus 2016 hanteerde de Bank in dit voorstel een risico-opslag van 0,8%.

2.5 Op 5 december 2016 heeft Consument de Bank bericht dat hij het niet eens is met de risico-opslag van 0,8% op de rentetarieven en verzocht deze te verlagen met 0,6%. De Bank heeft Consument vervolgens op 22 december 2016 laten weten dat zij het verzoek van Consument heeft afgewezen.

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering
3.1 Consument vordert dat de Bank wordt veroordeeld om de risico-opslag in het rentetarief op de geldleningen te verlagen met 0,6 procentpunt naar 0,2%. Consument heeft de schade berekend op € 1.740,–.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag. De Bank heeft de risico-opslag per 1 februari 2017 ten onrechte verhoogd met 0,6%. Consument voert hiertoe de volgende argumenten aan:
• de Bank heeft bij het aangaan van de geldlening niet gewezen op haar mogelijkheid om gedurende de looptijd van de overeenkomst de risico-opslag te wijzigen;
• gelet op de gestegen waarde van het onderpand en het gestegen inkomen van Consument is het risico voor de Bank juist minder geworden;
• de Bank maakt misbruik van de monopoliepositie die zij heeft verkregen doordat andere financiers zijn gestopt met het verstrekken van dergelijke geldleningen.

Verweer van de Bank
3.3 De Bank heeft de stellingen van Consument gemotiveerd weersproken. Voor zover nodig zal de Commissie bij de beoordeling daarop ingaan.

4. Beoordeling

4.1 Consument klaagt over de door de Bank bij hem vanaf 31 januari 2017 in rekening gebrachte risico-opslag. De vraag die door de Commissie dient te worden beantwoord, is of de Bank gerechtigd was de risico-opslag voor financieringen voor een woonboot te verhogen en deze verhoging bij renteherziening ook bij reeds bestaande klanten in rekening te brengen.
4.2 De Commissie overweegt dat de Bank als contractspartij, indien zij daarmee binnen de grenzen van de wet en de normen van de redelijkheid en billijkheid blijft, zelf kan bepalen of en onder welke voorwaarden zij een overeenkomst met Consument aangaat. De (hoogte van een) risico-opslag behorend bij een risicoklasse maakt onderdeel uit van deze voorwaarden en mag door een financieel dienstverlener zelf worden vastgesteld. De Bank heeft Consument en zijn partner met zowel de offerte van 2001 en 2003 als bij een eerdere renteherziening in januari 2016 rentevoorstellen gedaan. Consument en zijn partner zijn met deze rentevoorstellen akkoord gegaan, waardoor overeenkomsten tussen partijen tot stand zijn gekomen. De voorstellen waren gebaseerd op het op dat moment geldende beleid van de Bank ten aanzien van de risico-indeling (en de daaraan gekoppelde risico-opslagen). Door het toepassen van een uniform rentebeleid voldoet de Bank aan de in artikel 81a Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen (hierna: BGfo) vanaf 1 januari 2013 geldende vereisten. De Bank dient op grond van dit artikel – kort gezegd – consumenten met hetzelfde risicoprofiel voor dezelfde rentevastperiode dezelfde rentevergoeding aan te bieden. Dit geldt ook bij een renteherzieningsvoorstel. Zoals de Bank terecht in haar verweer heeft aangevoerd staat onder meer op basis van artikel 17 van de Voorwaarden alsmede artikel 81a BGfo het rentepercentage gedurende een rentevastperiode (en niet gedurende de gehele looptijd van de geldlening) vast. Na afloop van de huidige rentevastperiode kan een wijziging in de risico-opslag plaatsvinden.
4.3 Consument stelt zich op het standpunt dat de Bank met haar gewijzigde beleid misbruik maakt van haar monopoliepositie, omdat zij de enige financier is die een geldlening wil verstrekken met een woonboot als onderpand. Hoewel de Commissie inziet dat de beleidswijziging nadelige economische gevolgen voor Consument kent, is niet gebleken dat de Bank met haar beleidswijziging misbruik maakt van haar positie in de markt. De Bank heeft haar redenen voor haar beleid toegelicht. Zij stelt in dat kader dat zij haar risico´s periodiek toetst en dat zij heeft besloten om haar opslagen meer te differentiëren, waarbij zij de risico’s heeft neergelegd bij de risicogroepen die de kosten daadwerkelijk veroorzaken. Het is de Bank gebleken dat zij bij de uitwinning van een woonboot grotere verliezen lijdt, dan bij de uitwinning van een ‘gewoon’ woonhuis. Ook heeft de Bank meegenomen dat de ligplaats bij een dergelijke financiering een rol speelt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Bank verder toegelicht dat haar concentratierisico door de ontstane monopoliepositie is gestegen, dat dit haar hele portefeuille raakt en een groot risico voor haar vormt. De door de Bank aangevoerde redenen komen de Commissie niet onredelijk voor. Het is de Commissie niet gebleken dat de Bank misbruik maakt van haar positie in de markt. Het is de Bank niet aan te rekenen dat andere financiers hebben besloten om zich uit de markt terug te trekken.

4.4 Consument stelt zich verder op het standpunt dat het risico van de Bank is gedaald en dat het verhogen van de risico-opslag hiermee in strijd is. De in 4.3 beschreven risico-opslag staat los van de risico-opslag die de Bank in rekening brengt voor andere risico’s, zoals de zogenoemde loan to value rate (de verhouding tussen de hoogte van de geldlening en de waarde van het onderpand). De Bank hanteert risicocategorieën met een risico-opslag per categorie. De aan Consument verstrekte geldlening is zonder Nationale Hypotheek Garantie afgesloten. De hoogte van de geldlening is lager dan 65% van de marktwaarde van de woonboot. In het aan Consument doorberekende rentetarief wordt, conform de door de Bank gehanteerde risico-indeling, geen loan to value risico-opslag opgenomen.
4.5 Op grond van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat de klacht van
Consument ongegrond is en de vordering dient te worden afgewezen.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vordering af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld.]

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 46 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact