Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2017-527

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening, nr. 2017-527
(mr. J.S.W. Holtrop, voorzitter, mr. dr. S.O.H. Bakkerus en mr. A.M.T. Wigger
en mr. drs. H.M.B. Brouwer, secretaris)

Klacht ontvangen op : 24 oktober 2016
Ingediend door : Consument
Tegen : ASR Schadeverzekering N.V., gevestigd te Utrecht,
verder te noemen Verzekeraar
Datum uitspraak : 10 augustus 2017
Aard uitspraak : Niet-bindend advies

Samenvatting

In korte periode drie schadeclaims. Steeds onjuiste opgaven en ook tweemaal zelfde schade geclaimd. Reparatienota’s afkomstig van bedrijf waarvan echtgenoot Consument mede-eigenaar is. Door de combinatie van factoren wordt vastgesteld dat sprake is van fraude. De duur van vier jaar van de registratie is gerechtvaardigd op basis van de omstandigheden en gezien de belangen van de financiële sector. Gezien de omstandigheden kon continuering van de verzekeringsovereenkomst niet van verzekeraar worden gevergd.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

• de door gemachtigde van Consument, verder te noemen Gemachtigde ingediende klacht d.d. 21 oktober 2016 met bijlagen;
• het verweerschrift van Verzekeraar d.d. 15 december 2016;
• de repliek van Consument d.d. 9 januari 2017;
• de dupliek van Verzekeraar d.d. 23 januari 2017;
• de op verzoek van de Commissie op 23 maart 2017 door Verzekeraar nagezonden toepasselijke voorwaarden;
• de verklaring van Consument met haar keuze voor niet-bindend advies.

De Commissie stelt vast dat Consument heeft gekozen voor een niet-bindend advies. De uitspraak is daardoor niet-bindend.

Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 21 maart 2017 en zijn aldaar verschenen.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Consument heeft 1 september 2015 een verzekeringsovereenkomst, verder te noemen de Verzekering, gesloten voor haar auto. Op de Verzekering zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden verkeersverzekering VP 06-2 (56454), verder te noemen de Voorwaarden.

2.2 In de Voorwaarden is, voor zover relevant, bepaald in artikel 5 lid 2 sub e: “Een verzekering eindigt als wij deze schriftelijk opzeggen als de verzekerde over een gebeurtenis of schade met opzet een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven.”

In artikel 6 lid 5 van de Voorwaarden staat: “Wij verlenen geen dekking voor schade als de verzekerde over een schade, ongeval of gebeurtenis opzettelijk onware of onvolledige mededelingen doet of laat doen.”

In artikel 7 lid 4 sub b staat voorts: “Sanctie bij het niet nakomen van verplichtingen In de Algemene Voorwaarden en in de Bijzonder Voorwaarden zijn verplichtingen opgenomen. Ook in clausules of op het polisblad kunnen verplichtingen staan vermeld. De verzekerde kan geen enkel recht aan de verzekering ontlenen als hij één of meer van deze verplichtingen niet is nagekomen en hij het opzet had om ons daardoor te misleiden. Dit geldt niet als de misleiding het verval van rechten niet rechtvaardigt.”

2.3 In korte tijd is driemaal schade gemeld als gevolg van inbraak in de auto van Consument. De eerste inbraak heeft eind augustus 2015 plaatsgevonden en Consument heeft deze
op 28 augustus 2015 ontdekt. Het raam van het voorportier aan de linkerzijde was ingeslagen. Xenon lampen en het audionavigatiesysteem waren gestolen. Verder heeft Consument schade gemeld aan het aircopaneel en de voorbumper. De gevolmachtigde van Verzekeraar, verder te noemen de Gevolmachtigde, heeft de schade laten vaststellen door een expertisebureau op
2 september 2015. Verzekeraar heeft in eerste instantie 75% van de schade uitgekeerd waarbij hij heeft aangegeven het restant te zullen betalen na ontvangst van de reparatienota. Als reparatienota heeft Consument een factuur gestuurd van garagebedrijf [..garagebedrijf..] die dateerde van vóór de datum waarop de inbraak had plaatsgevonden. Later bleek dat dit garagebedrijf mede van de echtgenoot van Consument is. Gevolmachtigde heeft geïnformeerd bij het garagebedrijf en Consument daarmee geconfronteerd. Ter verificatie heeft Gevolmachtigde wederom een schade-expert ingeschakeld. De schade-expert heeft niet kunnen controleren of de auto gerepareerd was en daarom vervolgens op basis van foto’s vastgesteld dat de schade zeer waarschijnlijk was gerepareerd.

2.4 De tweede inbraak heeft medio november 2015 plaatsgevonden en is op 13 november 2015 door de politie opgemerkt en op 16 november 2015 gemeld aan Consument. Omdat de schade voor een groot gedeelte overeen leek te komen met de schade die eind augustus was ontstaan, heeft Gevolmachtigde wederom een schade-expert ingeschakeld. Deze heeft op 18 november 2015 geconstateerd dat de geclaimde bumperschade overeenkwam met de eerder vastgestelde schade en dat de echtgenoot van Consument voor de gestolen Xenon lampen de nieuwprijs had geclaimd terwijl uit de nota bleek dat deze voor veel minder geld gekocht waren. Om te controleren of de gestolen onderdelen op juiste wijze waren vervangen heeft de schade-expert op 11 december 2015 de garage van de echtgenoot van Consument nog eens bezocht. Bij dit bezoek is gebleken dat het motormanagement van de auto was gewist, zodat er geen gegevens over de inbraak, zoals bijvoorbeeld het tijdstip, waren te achterhalen. De schade-expert heeft voorts vastgesteld dat de opgegeven onderdelen, Xenon lampen en RNS510 audio/navigatiesysteem, niet zijn ingebouwd, maar dat de echtgenoot van Consument andere, goedkopere, onderdelen had gemonteerd.
Op de achterbank heeft de schade-expert losse Xenon lampen aangetroffen en heeft hij vastgesteld dat de bumper niet (op de juiste wijze) was gerepareerd. Naar aanleiding van deze constatering heeft de schade-expert navraag gedaan bij de echtgenoot van Consument en die heeft desgevraagd verklaard dat hij de Xenon lampen later, na de verhuizing, wilde monteren. Op basis van deze informatie heeft Gevolmachtigde op 6 januari 2016 alvast de totale schade uitgekeerd en verzocht om op te geven wanneer de Xenon lampen zouden zijn ingebouwd zodat er nacontrole kon plaatsvinden.

2.5 Op 26 januari 2016 heeft Gevolmachtigde aan Consument bericht dat voor haar een hoger eigen risico bij diefstal en inbraak zou gaan gelden en hij heeft daarbij aangegeven dat als Consument daarmee niet expliciet akkoord zou gaan, hij de Verzekering per 1 mei 2016 zou beëindigen.

2.6 De derde inbraak heeft in de nacht van 19 op 20 januari 2016 plaatsgevonden. Consument heeft de inbraak op 26 januari 2016 gemeld aan Verzekeraar. Wederom heeft Gevolmachtigde een schade-expert ingeschakeld omdat dit een soortgelijke inbraak was als de twee voorgaande en omdat Gevolmachtigde geen bericht had ontvangen van reparatie van de Xenon lampen zoals eerder was afgesproken. Op 3 februari 2016 heeft de schade-expert opnieuw de garage van de echtgenoot van Consument bezocht om de auto te onderzoeken. Uit het onderzoek is gebleken dat het niet mogelijk was om via het ingeslagen ruitje (klein, driehoekig van vorm) het achterportier van binnenuit te openen vanwege het kinderslot. Ook is gebleken dat de aansturingmodule voor de LED achterlichten ontbraken. Daarnaast heeft de schade-expert geconcludeerd dat het niet mogelijk is dat er Xenon lampen in het voertuig aanwezig geweest zijn en wel omdat de aanstuurmodules ontbraken. Tot slot heeft de schade-expert opgemerkt dat de stuurairbag op verschillende dagen was uitgenomen. Naar aanleiding van de conclusie van dit expertiserapport heeft Gevolmachtigde de behandeling van de schade overgedragen aan Verzekeraar. Op 19 februari 2016 heeft de echtgenoot van Consument via de tussenpersoon een reparatienota en foto’s gestuurd, waaruit de reparatie van deze derde schade zou blijken. Omdat de foto’s onvoldoende zekerheid gaven over het herstel en omdat er twijfels waren aan de diefstal op basis van het expertiserapport, heeft Verzekeraar het expertisebureau opgedragen om nader onderzoek te doen door en heeft hij een tweede onderzoeksbureau ingeroepen. Tegenover het expertisebureau heeft de echtgenoot van Consument verklaard dat hij de reparatienota van de eerste schade abusievelijk onjuist had opgemaakt, dat de laatste inbraak had plaatsgevonden tussen 21 januari 2016 18.00 uur en 22 januari 2016 08.30 uur en dat bij de laatste inbraak de achterlichten, het stuur met airbag, een red 310 radio (gekocht via Marktplaats) en het aircopaneel waren ontvreemd. Volgens hem had hij de schade gerepareerd. Hij heeft op 17 februari 2016 een nota van zijn garage overgelegd waaruit zou moeten blijken dat de weggenomen onderdelen door nieuwe onderdelen waren vervangen. Het onderzoeksbureau heeft de auto van Consument op 9 maart 2016 onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat, in tegenstelling tot wat het eerste onderzoeksbureau had gesteld, het mogelijk was om de portieren ondanks het kinderslot van binnenuit te ontgrendelen. Ook is deze schade-expert gebleken dat het aircopaneel (en de airbag aan de kant van de bijrijder) uitgebouwd waren op 1 februari 2016 omstreeks 10.30 uur, net vóór het vervoer naar het eerst onderzoeksbureau. Tevens is gebleken dat de airbag aan de kant van het stuur niet op de opgegeven datum en tijd ontvreemd kon zijn.
Naar aanleiding van deze conclusies heeft er een tweede gesprek plaatsgevonden tussen het eerste onderzoeksbureau en de echtgenoot van Consument. Over de opgegeven diefstaldatum, die niet correspondeerde met de datum waarop volgens de tweede schade-expert de airbag aan de kant van het stuur is weggenomen, heeft de echtgenoot van Consument verklaard dat zijn vrouw zich heeft vergist in de diefstaldatum bij de aangifte. Over het verschil tussen de gestelde diefstal van het aircopaneel en het moment van uitbouwen van het aircopaneel heeft de echtgenoot van Consument volgens het tweede onderzoeksbureau verklaard dat hij het aircopaneel uit het voertuig heeft gehaald vóór het transport en dat hij per vergissing op 18 maart 2016 had opgegeven dat het aircopaneel gestolen was. Op basis van het onderzoeksrapport van het eerste onderzoeksbureau heeft Verzekeraar vastgesteld dat er sprake was van een onware opgave. Verzekeraar heeft per aangetekende brief op 18 mei 2016 de schade afgewezen en Consument verzocht om de ten onrechte extra gemaakte kosten (€ 4.511,28) terug te betalen. De Verzekering was reeds beëindigd met de brief van 26 januari 2016 van Gemachtigde (in tegenstelling tot wat Consument heeft vermeld in de klacht).

2.7 Na de derde melding is Verzekeraar overgegaan tot royement en registratie van de persoonsgegevens van Consument. Verzekeraar heeft toen besloten om de gegevens van Consument op te nemen in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister (EVR) voor een periode van vier jaar. Daarnaast heeft zij de incidentenregistratie gemeld bij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit van het Verbond van Verzekeraars.

2.8 Ten tijde van de registratie van de persoonsgegevens van Consument door
Verzekeraar was het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen
van 23 oktober 2013 (hierna: ‘‘het Protocol’’) van toepassing.

Voor zover van belang is hierin bepaald:

“2. Begripsbepalingen
In dit protocol wordt verstaan onder:
Incident: een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de
belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding.

3.1.1 Iedere Deelnemer heeft een Incidentenregister, waarin door de betreffende Deelnemer gegevens van (rechts)personen worden vastgelegd ten behoeve van het in artikel 4.1.1 Protocol genoemde doel, naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) Incident.
(…)
3.1.2 Aan het Incidentenregister is een Extern Verwijzingsregister gekoppeld.
(…)

4 Incidentenregister
4.1. Doel Incidentenregister
4.I.I Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incidentenregister te hanteren:
“Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:
– op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers;
– op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers;
– op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.”

5 Extern Verwijzingsregister
(…)
5.2 Vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister
5.2.1 De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.
a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.
b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.
c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.”

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering Consument
Consument vordert het ongedaan maken van het royement en de registraties/meldingen.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.1 Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslagen.

• Consument heeft weliswaar vergissingen gemaakt maar deze zelf en uit eigen beweging hersteld.
• Consument is helaas in korte tijd driemaal slachtoffer geworden van inbraak in de auto. Dit is een van de redenen waarom zij inmiddels is verhuisd.
• Consument is niet beter geworden (en zou ook niet beter geworden zijn) van de aanvankelijk onjuist gedane meldingen. Daarom ligt het niet voor de hand dat zij dit opzettelijk heeft gedaan. Consument heeft abusievelijk de feiten niet correct weergegeven bij het melden van de inbraakschades.
• Consument kan door deze registratie nergens een autoverzekering afsluiten en het is onmogelijk om betaalbare verzekeringen af te sluiten.

Verweer Verzekeraar
3.2 Verzekeraar heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:

• Er is sprake van een bewust onjuiste opgave. In het geval van de eerste schade is de reparatienota gedateerd vóór de schadedatum. De eigenaar van het herstelbedrijf, tevens de echtgenoot van Consument, heeft desgevraagd verklaard niet te begrijpen hoe en waarom deze factuur geantedateerd was.
• Bij de tweede schademelding is opnieuw schade aan de bumper gemeld die al eerder was geconstateerd en deze is niet gerepareerd.
• Bij de derde schade die is gemeld binnen vier maanden na de eerste schademelding, is in eerste instantie melding gemaakt van diefstal en later van beschadiging. Dat er sprake was van beschadiging is echter onvoldoende komen vast te staan. Dit is ook niet meer vast te stellen. De echtgenoot van Consument heeft immers als bewijs een kapot aircopaneel laten zien waarvan niet kan worden vastgesteld dat dit eerder in de auto gemonteerd zat. De schade-expert heeft geconstateerd dat het vóór onderzoek was uitgebouwd. Van het later getoonde aircopaneel is onvoldoende vast te stellen of dit daadwerkelijk het eerder uitgebouwde paneel is.
• De constellatie van feiten leidt tot de vaststelling van fraude.
• De registratie is gerechtvaardigd doordat de dagelijkse praktijk is dat verzekerden en reparateurs meer schade claimen dan waar recht op is en dat schade niet conform expertise maar goedkoper wordt gerepareerd, ook blijkens een rapport uit 2015 van het Verbond van Verzekeraars. Zowel het claimgedrag van Consument als de reeks vergissingen van Consument passen naadloos in dit beeld. De onderzoeken naar de schades hebben plaatsgevonden na opgave van Consument en telkens bleek dat Consument een onjuiste opgave had gedaan over onderdelen van de schadeclaim.

4. Beoordeling

4.1 De Commissie ziet aanleiding in de eerste plaats te beoordelen of Verzekeraar de persoonsgegevens van Consument in het Incidentenregister en het daaraan gekoppelde EVR heeft mogen opnemen. Verzekeraar heeft zich verplicht bij de verwerking van persoonsgegevens conform het Protocol te handelen.

Registratie Extern Verwijzingsregister
4.2 Gelet op de mogelijk verstrekkende gevolgen voor een betrokkene van een registratie in het EVR, moeten hoge eisen worden gesteld aan de gronden van Verzekeraar voor opname van de persoonsgegevens van Consument in het EVR. De vereisten die het Protocol in art. 5.2.1 sub a en b stelt, houden in dat in voldoende mate moet vaststaan dat de gedraging van de betreffende persoon een bedreiging voor de continuïteit en integriteit van de financiële sector vormt. De gestelde feiten op grond waarvan de gegevens zijn geregistreerd zijn de geantedateerde nota, het tweemaal claimen van dezelfde schade, het niet overeenkomen van schadedatum en technische informatie, het inbouwen van goedkopere onderdelen wat pas aan het licht komt bij controle en het uitbouwen van het aircopaneel door de echtgenoot van Consument vlak voor inspectie van het voertuig. Deze feiten moeten een gegronde verdenking van fraude vormen (‘opzet te misleiden’). Vgl. Hof Amsterdam 30 november 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO7581, r.o. 3.5 en GC Kifid 5 juli 2016, 2016-302, onder 4.6 en de daar genoemde uitspraken.

4.3 De Commissie komt tot het oordeel dat deze combinatie van factoren erop duidt dat sprake is van fraude. Consument heeft immers bij de eerste schademelding een reparatienota overgelegd die gedateerd was vóór de schadedatum. Achteraf bleek daarenboven dat deze nota afkomstig was van het garagebedrijf waar de echtgenoot van Consument mede-eigenaar van is. Verder heeft zij tweemaal dezelfde schade aan de bumper gemeld. Daarnaast bleek dat het aircopaneel uit de auto was gehaald door Consument terwijl zij het als gestolen had opgegeven; de melding van diefstal van het aircopaneel, heeft zij later veranderd in een melding van onherstelbare beschadiging van het aircopaneel. Het is ongeloofwaardig en daarom praktisch uitgesloten te achten dat Consument niet op de hoogte was van de onjuiste opgaven en er sprake was van vergissingen.

4.4 Het bovenstaande brengt met zich mee dat aan de vereisten voor registratie in het EVR genoemd in art. 5.2.1 onder a en b van het Protocol is voldaan. Op grond van art. 5.2.1 onder c van het Protocol dient de verzekeraar bij de registratie van persoonsgegevens in het EVR een proportionaliteitsafweging te maken en bij de beoordeling van de vraag of hij gegevens in het EVR registreert, en zo ja, voor welke duur, de belangen van de betrokkene mee te wegen. Vgl. GC Kifid 5 juli 2016, 2016-302, onder 4.9. De betrokkene die verwijdering van een registratie of verkorting van de duur van een registratie wenst, zal moeten aanvoeren op grond waarvan hij disproportioneel wordt geraakt in zijn belangen en waarom zijn belang prevaleert boven dat van Verzekeraar.

4.5 Verzekeraar heeft gemotiveerd aangevoerd waarom het belang van de financiële sector bij registratie zwaarder weegt dan het belang van Consument bij het niet-registreren van haar persoonsgegevens. De Commissie is van oordeel dat deze omstandigheden, gelet op de gerechtvaardigde belangen van de financiële sector, de registratie en de duur van vier jaar niet disproportioneel maken. Op basis van de feiten die zijn vastgesteld is de Commissie van mening dat de duur van de registratie terecht is, mede gezien het feit dat het aircopaneel ter plekke is verwijderd en pas later aan de schade-expert is afgegeven. Deze onware opgave is niet alleen de derde op rij maar maakt het bovendien onmogelijk om nadien de werkelijke toedracht vast te stellen. Consument heeft aangevoerd dat het voor haar gedurende de registratie onmogelijk is zich elders te verzekeren tegen ‘normale’ prijzen.
Gelet op de gebleken omstandigheden van dit geval wegen de gerechtvaardigde belangen van de financiële sector zwaarder. Dat het voor Consument gedurende de registratie onmogelijk is om zich elders te verzekeren tegen ‘normale’ premies maakt de registratie en de duur daarvan – gelet op de gerechtvaardigde belangen van de financiële sector – niet disproportioneel (vgl. GC Kifid 2017-345). Verzekeraar heeft door de registratie van vier jaar de belangen van Consument voldoende in acht genomen.

De opname van de persoonsgegevens van Consument in het Incidentenregister
4.6 Gelet op het bovenstaande dient ook de registratie in het Incidentenregister te worden gehandhaafd. Het EVR is gekoppeld aan het Incidentenregister (artikel 5.1.1 van het Protocol). Dit brengt met zich mee dat zolang registratie in het EVR terecht en proportioneel is, de gegevens ook in het Incidentenregister blijven staan.

4.7 Op grond van artikel 4.2.3 van het Protocol worden de gegevens in het Incidentenregister uitgewisseld met functionarissen werkzaam bij de daartoe ingerichte coördinatiefuncties van het Verbond van Verzekeraars, te weten het fraudeloket. Dit is het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit. Gelet hierop is voor het toewijzen van de vordering tot intrekking van de melding van de incidentenregistratie aan het CBV derhalve geen grond aanwezig.

Opzegging verzekering
4.8 Op grond van artikel 5.2 sub e van de Voorwaarden heeft Verzekeraar het recht de verzekering bij opzettelijke misleiding door de verzekerde te beëindigen. Gelet op het voorgaande en op artikel 7:940 lid 3 laatste zin BW heeft Verzekeraar derhalve de verzekering van Consument tussentijds mogen beëindigen nu continuering van de verzekeringsovereenkomst gezien de bovengenoemde omstandigheden niet meer van Verzekeraar kon worden gevergd. Voor toewijzing van de vordering tot herstel van de verzekeringsovereenkomst met terugwerkende kracht, acht de Commissie geen grond aanwezig.

4.9 De conclusie is dat de vorderingen dienen te worden afgewezen.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vorderingen af.

De uitspraak heeft de vorm van een niet-bindend advies. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. U kunt de zaak nog wel aan de rechter voorleggen.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 46 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact