Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2017-593 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr.2017-593
(mr. B.F. Keulen, voorzitter, mevrouw mr. A.M.T. Wigger en mevrouw mr. M.C.M. van Dijk, leden en mevrouw mr. P. van Haastrecht-van Kuilenburg, secretaris)

Klacht ontvangen op : 12 januari 2017
Ingediend door : consument
Tegen : Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V., gevestigd te Rotterdam,
verder te noemen Verzekeraar
Datum uitspraak : 6 september 2017
Aard uitspraak : Bindend advies

Samenvatting

De Commissie merkt op dat de onder de feiten opgenomen passage uit de Akte van Geldlening wat ongelukkig is geformuleerd en zij zich dan ook kan indenken dat deze bij Consumenten voor onduidelijkheid heeft gezorgd. Met deze passage wordt echter louter bewerkstelligd dat het reeds gevestigde recht van hypotheek ook geldt ten aanzien van de aanvullende lening. Nu in de Akte van Geldlening bovendien geen melding wordt gemaakt van de bij Verzekeraar afgesloten verzekeringen dan wel de eventuele verpanding hiervan aan de in 1994 afgesloten geldlening, hadden Consumenten kunnen weten dat de koppeling tussen de levensverzekeringen en deze geldlening ontbrak. Dit geldt te meer daar Consumenten, bij brief van 1 juli 1998, door Verzekeraar erover zijn geïnformeerd dat het verzekerd kapitaal fl. 80.899,- bedroeg. Consumenten hadden, als gemiddeld oplettende consumenten, dan ook kunnen en moeten constateren dat het verzekerd kapitaal was aangepast en hadden, indien zij een aanvullende dekking wensten, zich op dat moment tot Verzekeraar dan wel hun tussenpersoon moeten wenden voor het afsluiten van een aanvullend product. Dat Consumenten dit hebben nagelaten, kan Verzekeraar niet worden verweten.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:
• het door Consumenten ingediende klachtformulier met bijlagen;
• het verweerschrift van Verzekeraar;
• de repliek van Consumenten;
• de dupliek van Verzekeraar;
• de verklaring van Consumenten met hun keuze voor bindend advies.

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies.

Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 14 augustus 2017 en zijn aldaar verschenen

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.
2.1 Op 29 juni 1988 hebben Consumenten een hypothecaire geldlening ad fl. 130.000,-
(€ 58.991,43) afgesloten bij een bank. Aan deze geldlening zijn een drietal levensverzekeringen gekoppeld.
Deze levensverzekeringen zijn afgesloten bij Verzekeraar en geven recht op een uitkering van fl. 90.090 (€ 40.881,05) op de einddatum (29 juni 2018) of bij eerder overlijden. Voorts is sprake van een recht op hypothecaire overrentedeling, waardoor de uiteindelijke uitkering op de einddatum gelijk is aan de hoogte van de hypothecaire geldlening
(fl. 130.000,-/€ 58.991,43).

2.2 Bij het afsluiten van de hypothecaire geldlening zijn partijen overeengekomen dat Consumenten een gedeelte van de geldlening, te weten fl. 25.000,- (€ 11.071,50), binnen vijf jaar zouden aflossen. Dit hebben Consumenten ook gedaan.

2.3 In 1994 hebben Consumenten een aanvullende hypothecaire geldlening van fl. 25.000,-
(€ 11.071,50) afgesloten bij de bank. In de daarbij opgemaakte Akte van Geldlening met Schuldbekentenis (hierna: ‘Akte van Geldlening’) is het volgende bepaald:

‘‘De lening groot f 25.000,00 (zegge vijfentwintig duizend gulden) zal een geheel uitmaken met de eerder genoemde lening, pro resto groot fl. 105.600,00 (zegge: een honderd vijf duizend zes honderd gulden). De lening zal als een afzonderlijk leningdeel worden geadministreerd, hierna te noemen ‘de aanvullende financiering’. Voor zover daarvan bij deze akte niet is afgeweken zullen alle bepalingen en bedingen die zijn gemaakt bij genoemde akte van geldlening met hypotheekstelling en de Algemene Voorwaarden die in die akte van toepassing zijn verklaard gelden voor de totale lening, thans in hoofdsom groot fl. 130.600,00 (zegge: een honderd dertig duizend zes honderd gulden);’’

2.4 In juni 1998 is de hypotheekrente gewijzigd, als gevolg waarvan de premie diende te worden aangepast. Verzekeraar heeft Consumenten bij brief van 1 juli 1998 geïnformeerd over de nieuwe premie. In deze brief staat voorts het volgende vermeld:

‘‘De verzekerde uitkeringen bedragen na mutatie f. 80.899,00.’’

2.5 Eind september 2010 hebben Consumenten bij hun tussenpersoon geïnformeerd naar de gevolgen van de aflossing van hun geldlening voor hun verzekeringen. De tussenpersoon heeft Consumenten daarop het volgende bericht:

‘‘Momenteel is de verzekering gekoppeld aan een hypotheek bij (…). Bij aflossing van de lening door verkoop van de woning kan de koppeling met de hypotheek niet in stand blijven. Indien u een nieuwe woning aankoopt en financiert bij (…), dan kunt u deze verzekering wederom koppelen aan die hypotheek. Indien u geen nieuwe financiering afsluit bij (…), dan kan de verzekering zelfstandig voortgezet worden. De huidige verzekeringsovereenkomst blijft van kracht wat betekent dat u bij overlijden voor 28 juni 2018 eenmalig € 47.919,- zult ontvangen of bij in leven zijn op de einddatum € 47.919 ontvangt.’’

In januari 2011 hebben Consumenten hun hypothecaire geldlening in haar geheel afgelost.

2.6 Bij brief van 21 januari 2013 heeft Verzekeraar Consumenten bericht dat, nu de hypothecaire geldlening waaraan de verzekeringen gekoppeld waren in haar geheel is afgelost, de verzekeringen niet ongewijzigd konden worden voortgezet. Verzekeraar heeft Consumenten daarop wijzigingsvoorstellen doen toekomen.
Consumenten zijn uiteindelijk onder protest akkoord gegaan met het voorstel waarbij de premie gelijk blijft. De totale uitkering op de einddatum bedraagt thans € 44.304,-.

Vordering, klacht en verweer
Vordering Consumenten
2.7 Consumenten vorderen dat Verzekeraar wordt gehouden om op de einddatum een bedrag van € 58.991,43 aan Consumenten uit te keren.

Grondslagen en argumenten daarvoor
2.8 Consumenten voeren hiertoe de volgende argumenten aan:
• De in 1994 afgesloten hypothecaire geldlening ad fl. 25.000,- (€ 11.071,50) vormt één geheel met de in 1988 afgesloten geldlening. Dit blijkt onder meer uit de Akte van Geldlening en de jaarlijks toegezonden waarde overzichten waarin de leningen zijn geadministreerd als leningdeel 1 en leningdeel 2. Beide leningdelen zijn dan ook onlosmakelijk verbonden met de afgesloten levensverzekeringen. Het initieel overeengekomen verzekerde bedrag dient dan ook, vermeerderd met de overrentedeling, op de einddatum te worden uitgekeerd.
• Consumenten dachten dat de aanpassing van het verzekerd bedrag in de brief van 1 juli 1998 het gevolg was van de rentewijziging.
• Polisaanhangsel G1 is nimmer door Consumenten ontvangen.

Verweer Verzekeraar
2.9 Verzekeraar heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
• In het polisaanhangsel G1 onder artikel 3 valt te lezen dat onder de hypothecaire schuld in het kader van de hypothecaire overrentedeling dient te worden verstaan ‘‘de geleende hoofdsom of een nader aangeduid gedeelte daarvan, zoals blijkt uit de hypotheekakte welke is gepasseerd op de ingangsdatum van deze verzekering’’. Het leningdeel dat Consumenten in 1994 hebben afgesloten valt dus niet onder de hypothecaire schuld die in het polisaanhangsel G1 wordt omschreven, omdat deze lening niet is opgenomen in de hypotheekakte die is gepasseerd op de ingangsdatum van deze verzekering.
• Bij brief van 1 juli 1998 zijn Consumenten geïnformeerd over het gegeven dat het verzekerde kapitaal was aangepast tot fl. 80.899,- (€ 36.710,37). Met het nieuwe verzekerde kapitaal, vermeerderd met de overrentedeling, zou de restantlening van fl. 105.600,-
(€ 47.919,-) kunnen worden afgelost.
• De in 1994 afgesloten geldlening was aflossingsvrij, dus had sowieso niet aan de levensverzekeringen gekoppeld kunnen worden.
• Verzekeraar heeft altijd de juiste informatie verstrekt.

3. Beoordeling

3.1 Uit de stukken is gebleken dat de tussenpersoon van Consumenten bereid is het (eventuele) verschil tussen uiteindelijke uitkering en het verzekerd kapitaal (plus overrentedeling) per 29 juni 1998 (zijnde in totaal fl. 105.600,- (€ 47.919,-)) voor haar rekening te nemen.

Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag in hoeverre Verzekeraar kan worden gehouden het bedrag van € 47.919,- te verhogen tot het initieel overeengekomen eindkapitaal (zijnde fl. 130.000,- (€ 58.991,43)).

3.2 De Commissie merkt allereerst op dat zij van oordeel is dat de onder de feiten opgenomen passage uit de Akte van Geldlening, welke is opgemaakt tussen Consumenten en de bank, wat ongelukkig is geformuleerd en zij zich dan ook kan indenken dat deze bij Consumenten voor onduidelijkheid heeft gezorgd. Dit neemt echter niet weg dat met deze passage louter wordt bewerkstelligd dat het reeds gevestigde recht van hypotheek ook geldt ten aanzien van de aanvullende lening. Nu in de Akte van Geldlening bovendien geen melding wordt gemaakt van de bij Verzekeraar afgesloten verzekeringen dan wel de eventuele verpanding hiervan aan de in 1994 afgesloten geldlening, hadden Consumenten kunnen weten dat de koppeling tussen de levensverzekeringen en deze geldlening ontbrak.

3.3 Dit geldt te meer daar Consumenten, bij brief van 1 juli 1998, door Verzekeraar erover zijn geïnformeerd dat het verzekerd kapitaal fl. 80.899,- bedroeg. Consumenten hadden, als gemiddeld oplettende consumenten, dan ook kunnen en moeten constateren dat het verzekerd kapitaal was aangepast en hadden, indien zij een aanvullende dekking wensten, zich op dat moment tot Verzekeraar dan wel hun tussenpersoon moeten wenden voor het afsluiten van een aanvullend product. Dat Consumenten dit hebben nagelaten, kan Verzekeraar niet worden verweten.

3.4 De conclusie is dan ook dat niet is komen vast te staan dat Verzekeraar in deze tekort is geschoten. De Commissie ziet dan ook geen reden om Verzekeraar gehouden te achten aan Consumenten een aanvullende uitkering te doen. De Commissie wijst de vordering van Consumenten daarom af.

4. Beslissing

De Commissie wijst de vordering af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 46 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact