Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2017-754 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2017-754
(prof. mr. M.L. Hendrikse, voorzitter, mr. J.S.W. Holtrop en mr. dr. S.O.H. Bakkerus, leden en mr. Z. Bonoo, secretaris)

Klacht ontvangen op : 17 april 2017
Ingediend door : Consument
Tegen : ABN AMRO Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, verder te noemen de Bank en
ASR Levensverzekering N.V., gevestigd te Utrecht, verder te noemen Verzekeraar
Datum uitspraak : 13 november 2017
Aard uitspraak : Bindend advies

Samenvatting

Consument heeft vanaf december 2011 tot en met 1 november 2016 een te lage premie voor zijn spaarhypotheekverzekering betaald. Bij de rentewijziging van de hypothecaire geldlening in december 2011 heeft de Bank verzuimd Verzekeraar van de wijziging van de hypotheekrente op de hoogte te brengen dan wel heeft Verzekeraar verzuimd om de rentevergoeding van de spaarhypotheekverzekering te wijzigen naar aanleiding van de hem doorgegeven wijziging van de hypotheekrente. De verschuldigde premie voor de spaarhypotheekverzekering is hierdoor ten onrechte ongewijzigd gebleven. Consument vordert dat de Bank, dan wel Verzekeraar wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 3.630,-, zijnde het verschil in premie tot het einde van de huidige rentevastperiode in december 2021. De Commissie is van oordeel dat – hoezeer het nalaten van de Bank dan wel Verzekeraar ook te betreuren is – Consument aan dit nalaten niet het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zijn premie uit hoofde van de spaarhypotheekverzekering gedurende de rentevastperiode € 106,26 zou blijven bedragen. De Commissie overweegt voorts dat Consument ook geen nadeel heeft ondervonden van de gedragingen van de Bank of Verzekeraar. De vordering wordt afgewezen.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken met de daarbij behorende bijlagen:

• het door Consument (digitaal) ingediende klachtformulier;
• het verweerschrift van de Bank;
• het verweerschrift van Verzekeraar;
• de repliek van Consument op de verweerschriften;
• de dupliek van de Bank;
• de dupliek van Verzekeraar.

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor een bindend advies.

Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 20 september 2017 te Den Haag en zijn aldaar verschenen.

2. Feiten

Bij de beoordeling van de klachten gaat de Commissie uit van de volgende feiten.

2.1 Consument heeft in 1995 bij de rechtsvoorganger van de Bank een hypothecaire geldlening gesloten. Ter aflossing van de hypothecaire geldlening heeft Consument bij de rechtsvoorganger van Verzekeraar een spaarhypotheekverzekering gesloten.
2.2 In 2002 is tussen de Bank en Consument een nieuwe rentevastperiode van 15 jaar tegen een rentepercentage van 6,8% overeengekomen. Het rentepercentage voor de spaarhypotheekverzekering is eveneens gewijzigd naar 6,8%. De verschuldigde spaarpremie is aangepast.
2.3 Bij brief van 29 juli 2002 heeft de rechtsvoorganger van de Bank Consument het volgende medegedeeld:

2.4 Bij brief van 14 augustus 2002 heeft de rechtsvoorganger van de Bank Consument het volgende bericht:

2.5 Consument heeft de Bank in 2011, via zijn tussenpersoon, verzocht om een uitbreiding van de hypothecaire geldlening in verband met de aankoop van een nieuwe woning.
2.6 In de hypotheekofferte van 25 oktober 2011 staat, voor zover relevant, het volgende vermeld:
‘‘(…)
Betaling van de premie
De premie voor de spaarverzekering is maandelijks achteraf verschuldigd gedurende 165 termijnen en zal op de passeerdatum door de verzekeringsmaatschappij opnieuw worden vastgesteld.
(…)’’
2.7 Op 9 december 2011 heeft de Bank de hypothecaire geldlening van Consument aangepast. Het rentepercentage is hierbij gewijzigd van 6,8% naar 4,85%. Het rentepercentage van de spaarhypotheekverzekering en de verschuldigde premie zijn niet gewijzigd.
2.8 Bij brief van 19 oktober 2016 heeft Verzekeraar Consument het volgende bericht:
‘‘(…)
U hebt een spaarhypotheekverzekering bij a.s.r. die gekoppeld is aan uw hypotheek bij ABN AMRO Bank N.V. U betaalt voor deze verzekering iedere maand een premie om een bedrag op te bouwen. Daarmee kunt u uw hypotheek aan het einde van de looptijd (gedeeltelijk) aflossen.

Onjuiste rente
Uit controle is gebleken dat het rentepercentage in onze administratie niet klopt. De rente op uw verzekering zou moeten zijn aangepast aan de hoogte van de nieuwe hypotheekrente en dit is niet gebeurd.

Te weinig premie betaald
De hypotheekrente heeft invloed op de hoogte van de premie voor uw verzekering. Hierbij geldt: gaat de hypotheekrente omhoog, dan gaat de premie voor uw verzekering omlaag. Als de hypotheekrente omlaag gaat, dan gaat de premie juist omhoog.

Uw hypotheekrente is omlaag gegaan. Dit betekent dat wij de premie voor uw verzekering hadden moeten verhogen. Dit is helaas niet gebeurd. Hierdoor hebt u te weinig premie betaald. Als gevolg hiervan, hebt u minder waarde in uw verzekering opgebouwd dan de bedoeling was.

Tekort aan premie
We vinden het erg vervelend dat dit is gebeurd. Vanzelfsprekend herstellen wij de fout die wij gemaakt hebben. U hoeft het tekort aan premie niet aan ons terug te betalen. a.s.r. vult dit tekort aan. Zo klopt de waarde in uw verzekering weer met wat er eigenlijk zou moeten zijn opgebouwd.

Wat verandert er voor u?
Sinds 09-12-2011 is de rente die u op uw verzekering krijgt hoger dan de rente die u voor uw hypotheek betaalt. Daarom hebben we de rente op uw verzekering per 09-12-2011 verlaagd naar 4,85%. Deze aanpassing van de rente heeft invloed op uw premie. Die gaat daardoor omhoog en wordt € 180,34 per maand. U betaalt de nieuwe premie vanaf 01-11-2016.
(…)’’
2.9 Op 1 november 2016 heeft Verzekeraar de premie van de spaarhypotheekverzekering, als gevolg van de rentewijziging, verhoogd van € 106,26 naar € 180,34 per maand.
2.10 Consument heeft bij zowel de Bank als Verzekeraar een klacht ingediend. De uitwisseling van standpunten in de interne klachtprocedures heeft niet geleid tot een oplossing.
2.11 Bij e-mail van 24 januari 2017 heeft Verzekeraar Consument het volgende medegedeeld:
‘‘(…)
Een gebaar met betrekking tot de ergernis en het ongemak
Hoe wij de wijzigingen naar u hebben gecommuniceerd verdient zeker geen schoonheidsprijs. Ik heb uitvoerig met u over gesproken en mijn excuses hiervoor aangeboden. Ik heb u ook een bedrag van € 243,39 aangeboden. In mijn vorige e-mail heb ik u uitgelegd hoe dit bedrag is opgebouwd. Mijn voorstel heb ik niet gedaan omdat u hier recht op hebt maar als gebaar voor de ergernis en het ongemak. Indien u hiermee akkoord gaat ontvang ik graag het rekeningnummer waar ik de betaling van € 243,39 naar kan overmaken.
(…)’’
2.12 Bij e-mail van 24 januari 2017 heeft Consument gereageerd op het aanbod van Verzekeraar. In die e-mail staat het volgende vermeld:
‘‘(…)
De meningen blijven verdeeld. Desondanks gaat u de klacht sluiten.
Ik ga akkoord met uw gebaar.
(…)’’

2.13 Bij e-mail van 15 februari 2017 heeft de Bank Consument het volgende medegedeeld:
‘‘(…)
Zojuist spraken wij elkaar telefonisch. In dit gesprek zijn wij tegen finale kwijting tot een oplossing van uw klacht gekomen. De Bank vergoedt aan u een bedrag van EUR 444,28 zijnde het verschil in premie voor een periode van zes maanden. Dit bedrag ontvangt u deze week op uw rekening bij de bank.
(…)’’
2.14 Bij e-mail van 16 februari 2017 heeft Consument de Bank het volgende bericht:
‘‘(…)
In het gesprek dat we gevoerd hebben heeft u aangegeven een vergoeding te willen betalen ter compensatie voor het geschade vertrouwen. Die vergoeding heeft u vastgesteld op EUR 444,28, een bedrag gelijk aan het verschil in premie voor een periode van 6 maanden. Daar ben ik mee akkoord gegaan.
De term ‘’tegen finale kwijting’’ is niet ter sprake gekomen.
(…)’’
2.15 Bij e-mail van 17 februari 2017 heeft de Bank Consument het volgende medegedeeld:
‘‘(…)
In ons eerste gesprek is besproken dat wat de bank betreft het aanbod geldt als een definitieve afhandeling van uw klacht. In ons tweede gesprek bent u akkoord gegaan met dit aanbod. Onderstaande e-mail is de formalisering van onze afspraak. Finale kwijting is niets anders dan de juridische verwoording van onze afspraak.
(…)’’

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering Consument
3.1 Consument vordert dat de Bank, dan wel Verzekeraar wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 3.630,-, zijnde het verschil in premie tot het einde van de huidige rentevastperiode in december 2021.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslagen:
• Consument mocht ervan uitgaan dat de Bank de juiste bedragen voor Verzekeraar incasseerde, nu hij vanaf december 2011 overeenkomstig de gefactureerde bedragen heeft betaald. Consument heeft jarenlang maandelijks een nota ontvangen. De Bank en Verzekeraar hebben Consument nooit gevraagd om de bedragen op de nota’s op juistheid te controleren. Consument heeft geen inzicht in de wijze waarop de premie wordt vastgesteld door Verzekeraar. Consument mocht er dan ook vanuit gaan dat Verzekeraar de premie juist had vastgesteld en dat de Bank de juiste bedragen bij Consument in rekening bracht. Dat de Bank respectievelijk Verzekeraar de wijziging van de premie en de rente niet (tijdig) heeft doorgegeven of doorgevoerd, dient derhalve niet voor rekening van Consument te komen. De financiële huishouding van Consument wordt als gevolg van het laakbaar handelen van de Bank en Verzekeraar ten onrechte verstoord. Consument vindt het daarom redelijk dat de Bank, dan wel Verzekeraar het verschil in premie van € 74,06 tot aan de eerstvolgende renteherzieningsdatum in 2021 compenseert.
• De Bank heeft, niet eerder dan in de e-mail van 15 februari 2017, de term ‘tegen finale kwijting’ genoemd. De door de Bank verstrekte vergoeding diende ter compensatie voor het (wederom) geschade vertrouwen. Consument heeft de vergoeding daarom niet teruggestort. Consument vindt het opmerkelijk dat zowel de Bank als Verzekeraar elkaar verantwoordelijk houden voor de gemaakte fout.

Verweer van de Bank
3.3 De Bank heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
• Consument dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn klacht. De Bank heeft Consument telefonisch een aanbod tegen finale kwijting gedaan. Consument heeft zich akkoord verklaard met de definitieve beëindiging van het geschil na betaling van de overeengekomen vergoeding.
• De stelling van Consument dat hij ervan uit mocht gaan dat hij sinds december 2011 de juiste premie voor de verzekering betaalde, houdt geen stand. Bij wijziging van het rentepercentage van de hypothecaire geldlening, wijzigt ook de rentevergoeding van de spaarhypotheekverzekering. Deze eigenschap is inherent aan de door Consument in 1995 afgenomen spaarhypotheekverzekering. Consument had dan ook kunnen en moeten weten dat de premie voor de spaarhypotheekverzekering verhoogd moest worden. In 2002 is dit ook gebeurd toen het rentepercentage van de hypothecaire geldlening werd gewijzigd. Ook in de hypotheekofferte van 25 oktober 2011 wordt vermeld dat Verzekeraar de premie van de spaarhypotheekverzekering opnieuw vaststelt na het passeren van de hypothecaire geldlening. Het had op de weg van Consument gelegen om in december 2011 via zijn tussenpersoon met de Bank of Verzekeraar contact op te nemen. Dit heeft Consument nagelaten.
• In artikel 19 lid 1 van de Algemene Bankvoorwaarden 2011 is bepaald dat Consument de nota’s van de Bank op juistheid dient te controleren. Dit heeft Consument nagelaten. De Bank betwist dat Consument op enige wijze schade lijdt als gevolg van het handelen van de Bank.

Verweer van Verzekeraar
3.3 Verzekeraar heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
• Verzekeraar heeft geconstateerd dat de rente op de spaarhypotheekverzekering van Consument niet juist was. De verzekering is daarom in oktober 2016 aangepast. Verzekeraar heeft Consument op 20 oktober 2016 schriftelijk geïnformeerd over de premiewijzing. Daarbij heeft Verzekeraar vermeld de rentewijziging niet eerder te hebben ontvangen van de Bank. Om die reden is verhoging van de premie niet met terugwerkende kracht aangepast. De premie is per 1 november 2016 aangepast naar € 180,34 per maand. Verzekeraar heeft het verschil tussen de oude en de nieuwe premie voor de periode van december 2011 tot november 2016 vergoed. De spaarhypotheekverzekering van Consument loopt hierdoor weer correct. Verzekeraar heeft voorts uit coulance een extra bedrag van € 243,39 uitgekeerd. Hiermee wordt het verschil van € 3,99 per maand tot aan de eerstvolgende renteherzieningsdatum vergoed. Consument is financieel volledig gecompenseerd. Er is dan ook geen sprake van schade.

Indien de aanvullende eis van Consument zou worden toegekend, dan zou Consument in een meer voordelige positie komen dan hij had verkeerd als de premie in 2011 correct was doorgevoerd.
• Verzekeraar is het niet eens met de stelling van Consument dat hij ervan uit mocht gaan dat hij sinds 2011 de juiste premie betaalt. Vast staat dat Consument door de rentewijzigingen in 2002 en 2005 op de hoogte was van het feit dat de premie voor de paarhypotheekverzekering wijzigt na aanpassing van de hypotheekrente. Beide hypotheekrentewijzigingen resulteerden immers in een aanpassing van de levensverzekeringspremie. Dat in 2011 geen premieverhoging heeft plaatsgevonden was voor Consument dan ook een kenbare vergissing. Consument wist, althans had kunnen weten dat hij vanaf 2011 een te lage premie betaalde.

4. Beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1 De Commissie zal allereerst ingaan op het meest verstrekkende verweer van de Bank, dat erop neerkomt dat Consument niet-ontvankelijk is in zijn klacht. De Bank stelt zich op het standpunt dat de klacht van Consument niet-ontvankelijk is, omdat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen tegen finale kwijting. Deze overeenkomst heeft betrekking op alle onderdelen van de vermeende fout die de Bank zou hebben gemaakt. Dit zou tot gevolg hebben dat de Commissie de klacht niet in behandeling kan nemen.
4.2 De Bank voert in dit kader aan dat zij Consument telefonisch een voorstel heeft gedaan tegen finale kwijting van het onderhavige geschil. Volgens de Bank heeft Consument dit aanbod en de overeengekomen vergoeding geaccepteerd. Voorts staat vast dat Consument de door hem ontvangen vergoeding niet heeft terugbetaald aan de Bank.
4.3 Het is aan de Bank – zie artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – om aan te tonen dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen tegen finale kwijting. De Bank is daarin niet in geslaagd. De door de Bank gestelde mondelinge toezegging wordt door Consument gemotiveerd betwist en de Bank heeft haar stelling niet nader onderbouwd met stukken. Naar het oordeel van de Commissie is dan ook onvoldoende komen vast te staan dat ten aanzien van het onderhavige geschil tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen tegen finale kwijting. Op grond van het voorgaande acht de Commissie Consument ontvankelijk in zijn klacht. De Commissie zal overgaan tot de inhoudelijke behandeling van de klacht.

Gerechtvaardigd vertrouwen
4.4 De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of bij Consument op enig
moment het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat zijn premie uit hoofde van
de spaarhypotheekverzekering gedurende de rentevastperiode € 106,26 zou blijven
bedragen en of Consument in dat kader schade lijdt.
4.5 Bij het beantwoorden van deze vraag moet de Commissie uitgaan van hetgeen artikel
3:35 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt:

“Tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.”

4.6 Deze wetsbepaling brengt mee dat (1) indien de Bank, dan wel Verzekeraar op een bepaalde wijze heeft verklaard of zich op een bepaalde wijze heeft gedragen (waaronder het nalaten van iets), (2) Consument deze handeling of gedraging op een bepaalde wijze heeft opgevat en (3) Consument deze handeling of gedraging ook redelijkerwijze zo mocht opvatten, de Bank, dan wel Verzekeraar in beginsel daaraan gebonden is.
4.7 Vast staat dat Consument een overeenkomst van hypothecaire geldlening heeft gesloten met de (rechtsvoorganger van de) Bank. Ter aflossing van de hypothecaire geldlening heeft Consument bij de rechtsvoorganger van Verzekeraar een spaarhypotheekverzekering gesloten. De rentevergoeding van de spaarhypotheekverzekering is gekoppeld aan het rentepercentage van de hypothecaire geldlening. Als het rentepercentage van de hypothecaire geldlening wijzigt, wijzigt ook de rentevergoeding van de spaarhypotheekverzekering. Bij de rentewijziging van de hypothecaire geldlening in december 2011 heeft de Bank verzuimd Verzekeraar van de wijziging van de hypotheekrente op de hoogte te brengen dan wel heeft Verzekeraar verzuimd om de rentevergoeding van de spaarhypotheekverzekering te wijzigen naar aanleiding van de hem doorgegeven wijziging van de hypotheekrente. De verschuldigde premie voor de spaarhypotheekverzekering is hierdoor ten onrechte ongewijzigd gebleven. Consument heeft derhalve vanaf december 2011 tot en met 1 november 2016 een te lage premie voor zijn spaarhypotheekverzekering betaald. Verzekeraar heeft Consument bij brief van 19 oktober 2016 hierover geïnformeerd. Zowel de Bank als Verzekeraar hebben aangegeven het ontstaan van de huidige situatie te betreuren.
4.8 Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van Consument, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Van belang zijn de aard van de rechtshandeling, de bijzondere (on)deskundigheid van partijen, de mogelijkheid van nader onderzoek naar de wil van degene die heeft verklaard en de met de handeling verbonden voor- en nadelen voor de betrokken partijen. De Commissie heeft deze omstandigheden bij de beoordeling in aanmerking genomen. Daarbij is de Commissie tot het oordeel gekomen dat – hoezeer het nalaten van de Bank dan wel Verzekeraar ook te betreuren is – Consument aan dit nalaten niet het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zijn premie uit hoofde van de spaarhypotheekverzekering gedurende de rentevastperiode € 106,26 zou blijven bedragen. De Commissie licht dit toe.
4.9 In 2002 is na afloop van de rentevastperiode tussen Consument en de Bank een nieuwe rentevastperiode van vijftien jaar tegen een rentepercentage van 6,8% overeengekomen. De rentevergoeding van de spaarhypotheekverzekering is aangepast naar 6,8%. Ook de verschuldigde premie is aangepast (verhoogd). Bij brieven van 29 juli 2002 en
14 augustus 2002 heeft de (rechtsvoorganger van de) Bank Consument hiervan in kennis gesteld. Tevens staat in de hypotheekofferte van 25 oktober 2011 vermeld dat de premie voor de spaarhypotheekverzekering op de passeerdatum door de verzekeringsmaatschappij opnieuw wordt vastgesteld. Consument had, nu hij bekend was met de werking van het spaarproduct althans hiermee bekend had kunnen zijn, redelijkerwijs kunnen en moeten weten dat de premie uit hoofde van de spaarhypotheekverzekering in 2011 verhoogd had moeten worden bij verlaging van het rentepercentage van de hypothecaire geldlening. De Commissie is derhalve van oordeel dat Consument er niet op mocht vertrouwen dat zijn premie uit hoofde van de spaarhypotheekverzekering gedurende de rentevastperiode
€ 106,26 zou blijven bedragen.
4.10 De Commissie overweegt voorts dat Consument ook geen nadeel heeft ondervonden van de gedragingen van de Bank of Verzekeraar. Consument is weliswaar bij de rentewijziging in 2011 niet tijdig geïnformeerd dat de rentevergoeding van de spaarhypotheekverzekering en de daarbij behorende spaarpremie gewijzigd had moeten worden, maar hij is als gevolg hiervan niet in een nadeligere positie geraakt. Verzekeraar heeft de verhoging van de spaarpremie immers niet met terugwerkende kracht ingevoerd, maar heeft besloten dit per 1 november 2016 van Consument te vorderen. Het verschil tussen de oude en de nieuwe premie voor de periode van december 2011 tot november 2016, te weten een bedrag van
€ 1.075,52, heeft Verzekeraar vergoed en in de spaarhypotheekverzekering gestort. Tevens heeft Verzekeraar een aanvullend bedrag van € 243,38 vergoed. Van benadeling van Consument door de te late aanpassing van de spaarpremie is derhalve geen sprake.
4.11 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wordt de vordering van Consument afgewezen.

5. Beslissing

De Bank
De Commissie wijst de vordering af.

Verzekeraar
De Commissie wijst de vordering af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 40 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact