Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2018-030 (bindend)

Uitspraak Commissie van Beroep 2018-030 d.d. 19 april 2018
(mr. W.J.J. Los, voorzitter, mr. dr. S.B. van Baalen, mr. A. Bus, drs. P.H.M. Kuijs AAG, leden, en mr. J.B.M.M. Wuisman en mevr. mr. H.C. Dobbelaar-ten Cate, secretaris)

Samenvatting

Beleggingsverzekeringen. Belanghebbende voert in beroep aan dat de Bank aansprakelijk is voor de door hem geleden schade als gevolg van de beleggingsverzekeringen die bij Verzekeraar zijn afgesloten. De Bank betwist dat zij verantwoordelijk is voor de gestelde productgebreken en stelt dat Belanghebbende daarover moet klagen bij Verzekeraar.
De Commissie van Beroep oordeelt als volgt. Verzekeraar is niet betrokken in de onderhavige procedure. De rol van de Bank was er primair in gelegen was dat zij Belanghebbende een hypothecair krediet ter beschikking stelde en voorts dat zij als degene die het aanbod van Verzekeraar inzake de beleggingsverzekeringen aan Belanghebbende overbracht de van Verzekeraar afkomstige informatie bij Belanghebbende terecht deed komen, die Verzekeraar omtrent de beleggingsverzekeringen op de voet van de voorschriften uit de Riav 1998 en de
CRR 1998 had te verstrekken. Niet gebleken is dat deze informatie niet zou zijn verstrekt. Evenmin is gebleken dat de Bank zich als adviseur omtrent de verzekeringen verbonden had jegens Belanghebbende. De Bank was ten aanzien van de beleggingsverzekeringen dan ook niet gehouden tot verdergaande verplichtingen dan hiervoor vermeld. Het lag op de weg van Verzekeraar als aanbieder van de beleggingsverzekeringen om Belanghebbende over mogelijke specifieke aspecten, zoals inteer- en hefboomeffecten en TER kosten, te informeren. Een ander oordeel zou erop neer komen dat de Bank en Verzekeraar vereenzelvigd worden als het gaat om het nakomen van precontractuele specifieke (informatie)verplichtingen ten aanzien van de door Verzekeraar aangeboden beleggingsverzekeringen, hetgeen in het geval van rechtspersonen (die zelfstandige rechtssubjecten zijn), slechts bij hoge uitzondering gerechtvaardigd kan zijn (vgl. HR 9 juni 1995, NJ 1996/213). Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is niet gebleken. De klachten van Belanghebbende falen derhalve.

Klik hier voor de uitspraak in eerste aanleg.

1. De procedure in beroep

1.1 Bij een op 17 mei 2016 door de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening
(verder: Commissie van Beroep) ontvangen pro forma beroepschrift heeft Belanghebbende een uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (verder: Geschillen-commissie) van 13 april 2016 (kenmerk: [dossiernummer]) ter toetsing voorgelegd.
De bezwaren tegen voormelde uitspraak heeft Belanghebbende vervolgens uiteengezet bij een door de Commissie van Beroep op 8 juni 2016 ontvangen aanvullend beroepschrift.

1.2 De Bank heeft bij een op 8 augustus 2016 bij de Commissie van Beroep binnengekomen verweerschrift ingediend, alsmede heeft zij een incidentele grief opgeworpen tegen de bestreden uitspraak.

1.3 Bij een op 3 oktober 2016 bij de Commissie van Beroep binnengekomen verweerschrift heeft Belanghebbende verweer gevoerd tegen de incidentele grief.

1.3 De Commissie van Beroep heeft het beroep mondeling behandeld op 28 november 2016. Daarbij is Belanghebbende in persoon verschenen, vergezeld door zijn echtgenote en zijn gemachtigde [naam 1]. Namens de Bank zijn verschenen mr. [naam 2] en mr. [naam 3] (beiden bedrijfsjuristen bij de Bank). De Bank werd vertegenwoordigd door mr. [naam 4]. Zij hebben hun standpunten aldaar nader toegelicht, beiden aan de hand van een pleitnota.

2. De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst de Commissie van Beroep naar de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van de Geschillencommissie.

3. Feiten

3.1 De Commissie van Beroep verwijst voor de feiten naar hetgeen de Geschillencommissie in r.o. 2.1 t/m 2.6 van haar uitspraak heeft overwogen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen, komen de feiten neer op het volgende.

3.2 In 1999 heeft Belanghebbende een huis gekocht. In een brief van 9 april 1999 schrijft
[naam makelaar] (verder: de “makelaar”) namens Belanghebbende onder meer het volgende aan de Bank:
“(….)
De heer en mevrouw [naam Belanghebbende] hebben gisteren de woning (….) in [plaats] gekocht. In principe hoeft de woning niet gefinancierd te worden. De waarde van hun
aandelen bedraagt meer dan f 800.000,-. De overwaarde in de huidige woning is f 250.000,-.
Om fiscale redenen wordt er wel gefinancierd. Om de maandlast te drukken zal f 300.000,- worden belegd bij de Bank waar ook de financiering loopt. Het is de bedoeling om hier 8% rendement aan te onttrekken -/- de rendementsheffing. netto dus +/- 7%. De netto maandlast komt dan op +/- f 100,- uit. Waar de klant de f 500.000,- aan beleggingen laat lopen weet hij nog niet. Momenteel wordt er (niet naar volle tevredenheid) belegd bij de [naam de Bank / Verzekeraar].
(….)”
In het door de makelaar met deze brief meegezonden Aanvraagformulier Financiering staat
onder meer het volgende:
“(….)
Financieringsvorm
[naam hypotheekproduct]. Rente 10 jaar vast 5,0% 30 jr. 710.000
Premie uit depot. op 8% beleggen. 48 x hoog f 1712,- en 406 x laag f 172,-
(….)
Verzekering. Op twee levens 299.000
(….)”
3.3 Op 12 april 1999 brengt de Bank een hypotheekofferte uit (verder: de “offerte”). In de
offerte wordt een aanbod gedaan voor het sluiten van een hypothecaire geldlening bij de Bank ter grootte van NLG 710.000,- en ter aflossing daarvan mede voor het sluiten van twee gelijke beleggingsverzekeringen, zogenoemde [naam beleggingsverzekeringen] (zoals aangeboden door [naam Verzekeraar], hierna ook de Verzekeraar), één waarbij Belanghebbende als verzekeringnemer optreedt en één waarbij de echtgenote van Belanghebbende als verzekeringnemer optreedt. In de offerte staat onder meer het volgende:
“(….)
[naam hypotheekproduct]
Bedrag lening : NLG 710.000,–
Rentepercentage : 5,00% per jaar (effectief 5,2% per jaar)
Renteperiode : 10 jaar vast
Looptijd : 30 jaar
(….)
Aflossing ([naam beleggingsverzekering])
Met de [naam beleggingsverzekering] bouwt u vermogen op waarmee u de hypotheek geheel of gedeeltelijk kunt aflossen.
(….)
[naam beleggingsverzekering] (polis 1)
(….)
Verzekerd bedrag bij overlijden is NLG 299.000,– of 110% van het belegd vermogen van de polis indien dat hoger is.
(….)
Premie NLG 767,00 per maand vooraf gedurende maand 1 tot en met 48 daarna NLG 76,70 per maand gedurende de volgende jaren.
(….)
Totaal doelvermogen na 30 jaar : NLG 355.000,–
Beleggingsdeel van de premie : 100%
Prognoserendement beleggingen : 7,50%
Portefeuillemodel : Matig offensief
(….)
De premie en de looptijd zijn vast, het voorbeeldkapitaal kan variëren afhankelijk van het
daadwerkelijk gerealiseerde rendement. Een toelichting op en berekening van de
verschillende voorbeeldkapitalen op basis van diverse rendementen, treft u aan in de bijlage.
(….)
[naam beleggingsverzekering] (polis 2)
(….)
Verzekerd bedrag bij overlijden is NLG 299.000,– of 110% van het belegd vermogen van de polis
indien dat hoger is.
(….)
Premie NLG 1.056,60 per maand vooraf gedurende maand 1 tot en met 48 daarna NLG 105,66 per maand gedurende de volgende jaren.
(….)
Totaal doelvermogen na 30 jaar : NLG 355.000,–
Beleggingsdeel van de premie : 100%
Prognoserendement beleggingen : 7,50%
Portefeuillemodel : Matig offensief
(….)
De premie en de looptijd zijn vast, het voorbeeldkapitaal kan variëren afhankelijk van het
daadwerkelijk gerealiseerde rendement. Een toelichting op en berekening van de verschillende
voorbeeldkapitalen op basis van diverse rendementen, treft u aan in de bijlage.

De hypotheekofferte is op 15 april 1999 door Belanghebbende en zijn echtgenote ondertekend.

3.3 Op 27 april 1999 hebben Belanghebbende en zijn echtgenote ieder een van de Bank afkomstig formulier van 20 april 1999 voor het aanvragen van een [naam beleggingsverzekering] ondertekend. Daarin worden in verband met de beoogde belegging van het beleggingsdeel van de premie ook als portefeuillemodel vermeld matig offensief portefeuillemodel en als fondskeuze een fondsmix van de volgende samenstelling:
5% [naam fonds 1], 35% [naam fonds 2] (obligaties), 50% [naam fonds 3] (aandelen) en 10% [naam fonds 4] (vastgoed).

3.4 Evenals in de hypotheekofferte wordt in het aanvraagformulier melding gemaakt van een depotrekening op naam van Belanghebbende ter grootte van NLG 44.887,- en op naam van diens echtgenote ter grootte van NLG 60.571,-

3.5 De door Belanghebbende en zijn echtgenote bij [naam Verzekeraar] gesloten [naam beleggingsverzekeringen] (verder: ook de “beleggingsverzekeringen”) zijn ingegaan op
1 augustus 1999. De einddatum van de Verzekeringen is 1 augustus 2029.
Belanghebbende is bij de door hem gesloten beleggingsverzekering verzekeringnemer, terwijl zowel hij als diens echtgenoot onder de verzekering als verzekerde optreden. Bij in leven zijn van de verzekerden op de einddatum wordt de opgebouwde waarde uitgekeerd. Bij overlijden van Belanghebbende vóór de einddatum van de verzekering vindt geen uitkering plaats en wordt de gehele verzekering beëindigd. In verband hiermee vindt er maandelijks een bijschrijving van bonus-participaties plaats. Bij overlijden van de echtgenote van Belanghebbende vóór de einddatum van de verzekering wordt een bedrag van
NLG 299.000,- (€ 135.680,28) uitgekeerd of 110% van de opgebouwde waarde als dat een hoger bedrag is.
Bij de door de echtgenote van Belanghebbende gesloten beleggingsverzekering treedt zij op als verzekeringnemer en verzekerde. Belanghebbende treedt bij deze verzekering ook op als verzekerde. Bij in leven zijn van de verzekerden op de einddatum wordt de opgebouwde waarde uitgekeerd. Bij overlijden van de echtgenote van Belanghebbende voor de einddatum van de beleggingsverzekering vindt geen uitkering plaats en wordt de gehele verzekering beëindigd. In verband hiermee vindt er maandelijks een bijschrijving van bonus-participaties plaats. Bij overlijden van Belanghebbende voor de einddatum van de verzekering wordt een bedrag van NLG 299.000,- (€ 135.680,28) uitgekeerd of 110% van de opgebouwde waarde als dat een hoger bedrag is.
De premies voor de verzekeringen worden geïncasseerd uit de bij de Bank aangehouden premiedepotrekeningen.
In de op 6 augustus 1999 gedateerde polis waarbij Belanghebbende optreedt als verzekeringnemer staat onder meer het volgende:
“(….)
Premie : NLG 778,20 per maand van 01-08-1999 tot 01-08-2003
NLG 77,82 per maand van 01-08-2003 tot 01-08-2019
(….)
Investering : NLG 778,20 per maand van 01-08-1999 tot 01-08-2003
NLG 77,82 per maand van 01-08-2003 tot 01-08-2019
(….)”

3.6 De beide polissen zijn aan de Bank verpand in verband met de hypothecaire lening.

3.7 In een brief van 7 april 2008 aan de echtgenote van Belanghebbende schrijft de Bank onder meer het volgende:
“(….)
De beurskoersen zijn ten opzichte van een aantal jaren geleden aanzienlijk gedaald. Deze lagere beurskoersen hebben onder meer tot gevolg dat het doelvermogen, dat u destijds heeft vastgesteld bij ongewijzigde voortzetting, naar verwachting niet meer bereikt kan worden. Aan het einde van de looptijd van uw hypotheek zult u dus minder vermogen hebben opgebouwd dan bij aanvang was verwacht en zult u minder kunnen aflossen dan u had beoogd. Onlangs heeft u van [naam Verzekeraar] een overzicht gekregen waarin dit staat vermeld.
Wij achten het van groot belang u van deze ontwikkeling en de gevolgen daarvan op de hoogte te stellen. Wij adviseren u graag in een gesprek over de mogelijkheden die u heeft om de financiering van uw woning aan genoemde omstandigheden aan te passen. Uw totale financiële situatie en eventueel gewijzigde persoonlijke financiële omstandigheden spelen daarbij een belangrijke rol.
Wij nemen voor 20 mei 2008 telefonisch contact met u op om een afspraak te maken voor een adviesgesprek met één van onze hypotheekadviseurs.
(….)”

3.8 Op 29 augustus 2011 heeft de Bank een brief aan Belanghebbende gestuurd met een uitnodiging voor een adviesgesprek over de hypotheek. Op 13 juni 2012 vindt een
gesprek tussen Belanghebbende en een medewerkster van de Bank plaats. In een brief
van 19 juni 2012 aan Belanghebbende schrijft de Bank naar aanleiding van dit gesprek
onder meer het volgende:
“(….)
Hartelijk dank voor het prettige gesprek van woensdag 13 juni jl. waarin wij kennis hebben gemaakt en uw hypotheek hebben besproken. Hiervan treft u een korte samenvatting aan.
[naam hypotheekproduct]
Tijdens het gesprek hebben wij gekeken naar uw [naam hypotheekproject], voornamelijk naar de
gekoppelde verzekering. Wij hebben met u besproken dat gezien de huidige verzekering en de
beleggingsresultaten wij momenteel prognosticeren dat u het gewenste doelkapitaal niet zult
behalen. Wij hebben toelichting gegeven op de kostenstructuur van de [naam beleggingsverzekering].
(….)

[naam beleggingsverzekering]
Uw huidige [naam beleggingsverzekeringen] lopen tot 01-08-2029. De premiebetaling stopt echter op
01-08-2019 (zoals bij het sluiten is afgesproken). Wij hebben voor u een drietal berekening[en]
gemaakt:
– Premiebetaling tot 01-08-2029 met overlijdensrisicodekking o.b.v. beleggen
– Premiebetaling tot 01-08-2029 zonder overlijdensdekking o.b.v. beleggen
– Premiebetaling tot 01-08-2029 zonder overlijdensdekking o.b.v. sparen.
(….)”

3.9 In het in maart 2011 aan Belanghebbende verzonden waarde-overzicht, afkomstig van de Verzekeraar, over 2010 wordt gewezen op het hefboomeffect respectievelijk het inteereffect.

3.10 In een brief van 23 november 2012 van de Bank aan Belanghebbende staat dat in 2010/2011 een hefboomvergoeding van €65,03 op de verzekering van Belanghebbende is toegekend en een hefboomvergoeding van €381,20 op de verzekering van de echtgenote van Belanghebbende. In deze brief staat verder:
“(….)
Er is voor klachtenmanagement geen aanleiding om op dit moment een tweede vergoeding te doen.
Wel is de tip meegegeven om de overlijdensrisicoverzekering uit de [naam beleggingsverzekering] te halen en deze los af te sluiten. Ik heb verteld dat wij inmiddels al in het proces zitten om de verzekering aan te gaan passen en dat dit onderwerp naar boven is gekomen.
(….)”

3.11 [naam hypotheekproduct] is in februari 2014 omgezet in een spaarhypotheek.

3.12 Belanghebbende heeft tegen de Bank een vordering tot vergoeding van schade ingesteld. Daaraan heeft Belanghebbende ten grondslag gelegd met name dat de Bank jegens hem toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen dan wel onrechtmatig heeft gehandeld door hem in de precontractuele fase niet volledig te informeren over de te sluiten beleggingsverzekeringen. Het schadebedrag werd door Belanghebbende begroot op € 245.000,-.

3.12.1 De Geschillencommissie heeft de vordering van Belanghebbende afgewezen. Zij concludeert eerst dat door Belanghebbende niet aannemelijk is gemaakt dat de Bank in het kader van de totstandkoming van de beleggingsverzekeringen als adviseur van Belanghebbende is opgetreden. Gelet op de brief van 9 april 1999 aan de Bank van de door Belanghebbende ingeschakelde makelaar en het daarbij gevoegde Aanvraagformulier moet naar het oordeel van de Geschillencommissie deze makelaar als diens adviseur worden beschouwd.

3.12.2 De Geschillencommissie concludeert onder verwijzing naar de RIAV 1998 en de CRR 1998 verder – kort gezegd – dat behalve op [naam Verzekeraar] ook op de Bank zelf in de precontractuele fase de verplichting rustte om aan Belanghebbende volledige en begrijpelijke informatie te verschaffen omtrent de kenmerkende eigenschappen van de aan hem en diens echtgenote aangeboden verzekeringen. Daartoe neemt de Geschillencommissie in aanmerking niet alleen de nauwe verwevenheid van de hypothecaire geldlening en de beleggingsverzekeringen, maar ook de nauwe concernrelatie tussen de Bank en Verzekeraar, die beide zich presenteerden onder de naam “[naam de Bank / Verzekeraar]”. De Geschillencommissie is van oordeel dat de Bank alleen voor wat betreft het verstrekken van de informatie over het hefboom- en inteereffect in de nakoming van genoemde precontractuele verplichting is tekort geschoten, maar dat Belanghebbende daarvoor afdoende gecompenseerd is met de door de door de Bank al verstrekte vergoedingen. Daarnaast neemt de Geschillencommissie nog het volgende in aanmerking. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de achterblijvende waardeontwikkeling van de Verzekering geheel of in overwegende mate te wijten was aan het hefboom- en inteereffect in plaats van de teleurstellende koersontwikkeling. Verder valt het feit dat een groter deel van de premie van de Verzekeringen besteed diende te worden aan de premie voor de dekking van het overlijdensrisico vanwege de keuze voor een (hoge) overlijdensrisico op twee levens, als zodanig niet aan te merken als een gevolg van het hefboom- en inteereffect maar als een gevolg van een bij de aanvang met de makelaar gemaakte keuze.

3.13 Belanghebbende heeft in beroep 6 grieven geformuleerd tegen het oordeel van de Geschillencommissie en zijn schadevordering in die zin gewijzigd dat de Commissie van Beroep verzocht wordt de schadevergoeding op grond van de door Belanghebbende aangevoerde gronden naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen. De Bank heeft verweer gevoerd en heeft incidenteel beroep ingesteld waarin zij 1 grief heeft geformuleerd. Tegen de incidentele grief heeft Belanghebbende verweer gevoerd.

4. Beoordeling van het beroep

4.1 Belanghebbende heeft ten aanzien van de incidentele grief betoogd dat de Bank daarin niet-ontvankelijk is. Dat beroep op niet-ontvankelijkheid wordt verworpen wegens gebrek aan belang. De Bank heeft hetgeen zij in incidenteel beroep naar voren heeft gebracht, mede ten grondslag gelegd aan haar bestrijding van de door Belanghebbende aangevoerde grieven, hetgeen rechtvaardigt dat een en ander bij de beoordeling betrokken wordt.

4.2 In het eerste door hem aangevoerde bezwaar (grief 1) stelt Belanghebbende – kort gezegd- dat de Geschillencommissie ten onrechte heeft geoordeeld dat er tussen de Bank en Belanghebbende geen assurantie- en beleggingsadviesrelatie ten aanzien van de beleggingsverzekeringen (inclusief de daarbij behorende zorgplicht) heeft bestaan. Grief 3 van Belanghebbende ligt in het verlengde van grief 1. In grief 3 betoogt Belanghebbende dat de Geschillencommissie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de beleggingsaspecten van de beleggingsverzekering. Aan het gekozen fonds met het daarbij behorende risicoprofiel ligt geen deugdelijk beleggingsadvies ten grondslag, aldus Belanghebbende.

4.3 De Bank voert verweer tegen deze grieven en doet dat mede in het kader van haar incidentele grief. Zij stelt zich op het standpunt dat zij niet voorafgaande aan en tijdens de totstandkoming van de [naam beleggingsverzekeringen] en ook niet daarna als adviseur dan wel als assurantietussenpersoon van Belanghebbende is opgetreden. Een verdergaande verplichting dan de precontractuele verplichting die de Geschillencommissie heeft aangenomen, te weten het verschaffen van volledige informatie aan Belanghebbende omtrent de kenmerkende eigenschappen van de aan Belanghebbende aangeboden Verzekeringen, heeft niet op haar gerust. Van een volledige vereenzelviging van de Bank met de Verzekeraar kan niet worden uitgegaan.

4.4 De Commissie van Beroep ziet – gelet op de samenhang tussen grieven 1 en 3 van Belanghebbende en de incidentele grief waarbij het ook gaat om de stelling dat de Bank geen adviseur was – aanleiding om deze gezamenlijk te behandelen. Belanghebbende heeft via de makelaar met de brief van 9 april 1999 een gespecificeerde aanvraag voor een [naam hypotheekproduct] en voor twee [naam beleggingsverzekeringen] gedaan. Uit beide stukken blijkt dat Belanghebbende daarbij door de makelaar is geadviseerd. De door de Bank uitgebrachte offerte sluit in hoge mate aan bij de door Belanghebbende gedane aanvraag. Dat de Bank geadviseerd heeft is daarbij niet gebleken. Weliswaar wordt de aanvraag in de offerte nader uitgewerkt ten aanzien van de dekking van het overlijdensrisico (twee aparte verzekeringen voor Belanghebbende en diens echtgenote met een uitkering in geval van vooroverlijden van Belanghebbende of zijn echtgenote) en ten aanzien van het aan te houden beleggingsfonds (het mix-fonds), echter daaruit volgt nog niet dat de Bank zelf ter zake van de verzekeringen als adviseur is opgetreden ten behoeve van Belanghebbende. Er is geen sprake van een zodanige op de persoon toegesneden beredeneerde aanbeveling ten aanzien van de beleggingsverzekeringen dat gesproken zou kunnen worden van het verstrekken van een advies. De beleggingsverzekeringen werden bovendien niet aangeboden door de Bank maar door de Verzekeraar. Deze laatste zou ook zorgdragen voor het beleggen van de premie en niet de Bank. Bovendien werd Belanghebbende reeds bijgestaan door de makelaar als adviseur.

4.5 Dat de Bank zich heeft verbonden om als beleggingsadviseur op te treden ten behoeve van Belanghebbende is evenmin gebleken. Daartoe is een contractuele grondslag vereist (op basis van een overeenkomst van opdracht), waarvan gesteld noch gebleken is dat deze schriftelijk is vastgelegd, terwijl ook uit de feiten van een dergelijke overeenkomst niet is gebleken. Voor zover Belanghebbende stelt dat hij reeds in een beleggingsadviesrelatie stond tot de Bank en deze duurovereenkomst zou zijn voortgezet, geldt het volgende. Niet betwist wordt dat de Bank Belanghebbende vóór het afsluiten van de onderhavige beleggingsverzekeringen adviseerde met betrekking tot zijn beleggingsportefeuille. Vast staat echter ook dat deze portefeuille in het kader van de nieuwe hypothecaire financiering en de daarbij af te sluiten beleggingsverzekeringen deels is geliquideerd. Voor zover de Bank nadien nog als beleggingsadviseur is opgetreden, is niet gebleken dat die werkzaamheden betrekking hadden op de beleggingsverzekeringen.
Nu, zoals hiervoor in 4.4 toegelicht, ook voor wat betreft de door Belanghebbende gestelde rol van de Bank als assurantietussenpersoon niet is gebleken dat zij Belanghebbende uit dien hoofde heeft geadviseerd of dat de Bank daartoe contractueel verplicht was, faalt dus grief 1. Daarmee faalt ook grief 3 aangezien de Bank niet gehouden was te adviseren en op haar dus ook geen zorgplicht rustte horende bij een beleggings- of assurantieadviseur. De Bank heeft overigens wel – onbetwist – adviezen verstrekt ten aanzien van de beleggingsverzekeringen vanaf 2008. Op deze adviezen zal de Commissie van Beroep hierna (onder 4.7) ingaan bij de bespreking van grief 6 van Belanghebbende die daarop specifiek betrekking heeft.

4.6 Belanghebbende komt met grief 2 op tegen het oordeel van de Geschillencommissie dat niet aannemelijk is gemaakt dat bij een correcte informatieverschaffing de beleggingsverzekeringen niet zouden zijn gesloten en verder dat de schade uit het tekortschieten in de nakoming van die inlichtingenverplichting reeds voldoende gecompenseerd is met de uitgekeerde vergoedingen. Eén en ander wordt nader onderbouwd door te wijzen op het inteer- en hefboomeffect en de hoge dekking met betrekking tot het overlijdensrisico. Met grief 5 bestrijdt Belanghebbende het oordeel van de Geschillencommissie omtrent de TER kosten. Ook daarover is Belanghebbende volgens hem niet juist en onvolledig geïnformeerd door de Bank.
De Bank stelt zich in haar incidentele grief op het standpunt dat de Bank geen productinhoudelijke verwijten kunnen worden gemaakt. Meer in het bijzonder gaat het dan om informatieplichten ten aanzien van de TER kosten (waarop grief 5 van Belanghebbende betrekking heeft). De Bank heeft voorts zowel in eerste aanleg als in beroep (voor zover nodig) bestreden dat op haar een informatieplicht rustte ten aanzien van het hefboom- en inteereffect. Op productinhoudelijke verwijten kan en wil de
Bank niet zelf reageren. Dat is aan de Verzekeraar. Deze dient alsnog op de voet van artikel 17 van het Reglement Geschillencommissie (zoals dit gold tot 1 oktober 2014) in de procedure te worden betrokken. Althans Belanghebbende dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in die grieven die enkel de Verzekeraar aangaan.

4.7 De Commissie van Beroep oordeelt over deze grieven, die allemaal betrekking hebben op de rol van de Bank ten aanzien van specifieke producteigenschappen, als volgt. De rol van de Bank was er primair in gelegen dat zij Belanghebbende een hypothecair krediet ter beschikking stelde en voorts dat zij als degene die het aanbod van Verzekeraar inzake de beleggingsverzekeringen aan Belanghebbende overbracht de van Verzekeraar afkomstige informatie bij Belanghebbende terecht deed komen, die Verzekeraar omtrent de beleggingsverzekeringen op de voet van de voorschriften uit de Riav 1998 en de CRR 1998 had te verstrekken. In beroep zijn geen grieven gericht tegen het oordeel van de Geschillencommissie dat de verplichtingen uit de voorschriften uit de Riav 1998 en de CRR 1998 voorafgaande aan of uiterlijk bij het tot stand komen van de beleggingsverzekeringen jegens Belanghebbende als zodanig zijn nageleefd, zodat daarvan wordt uitgegaan bij de verdere beoordeling. De Bank was ten aanzien van de beleggingsverzekeringen echter niet gehouden tot verdergaande verplichtingen dan hiervoor vermeld. Het lag op de weg van Verzekeraar als aanbieder van de beleggingsverzekeringen om Belanghebbende over mogelijke specifieke aspecten, zoals inteer- en hefboomeffecten en TER kosten, te informeren. Een ander oordeel zou erop neer komen dat de Bank en Verzekeraar vereenzelvigd worden als het gaat om het nakomen van precontractuele specifieke (informatie)verplichtingen ten aanzien van de door Verzekeraar aangeboden

beleggingsverzekeringen, hetgeen in het geval van rechtspersonen (die zelfstandige rechtssubjecten zijn), slechts bij hoge uitzondering gerechtvaardigd kan zijn (vgl. HR 9 juni 1995, NJ 1996/213). Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is niet gebleken. Niet voldoende is dat de kredietverstrekking verbonden was met de beleggingsverzekeringen (vanwege de verpanding aan de Bank en vanwege het feit dat beoogd werd om met de opbrengst van de verzekeringen de hypothecaire schuld deels af te lossen), en ook niet dat de Bank en Verzekeraar nauw verbonden waren in een concernrelatie en overeenkomsten hadden in de naamgeving. Ook het feit dat het een complex product betrof, maakt dat niet anders. Gelet daarop falen de grieven 2 en 5 van Belanghebbende en is hetgeen in de incidentele grief door de Bank is betoogd dienaangaande, terecht voorgesteld.

4.8 Grief 4 heeft betrekking op de verstrekte jaaroverzichten vanaf 2008. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat deze ondeugdelijk zijn en maakt daarvan de Bank een verwijt. De Bank stelt zich – in haar verweer en haar incidentele grief – op het standpunt dat Verzekeraar verantwoordelijk is voor (de samenstelling van) de verstrekte jaaroverzichten en dat haar dus geen verwijt valt te maken. De Commissie van Beroep heeft hiervoor overwogen dat Verzekeraar de aanbieder was van de onderhavige beleggingsverzekeringen en dat de Bank ter zake van de verstrekking van informatie over de verzekeringen tot niet meer gehouden was dan wat vereist was in het kader van de hypothecaire kredietverstrekking en in het kader van het overbrengen van het aanbod van Verzekeraar van de verzekeringen en het daarna zijn van de contactpersoon van Verzekeraar. Voorts is geoordeeld dat niet gebleken is dat de Bank zich als beleggings- of assurantieadviseur verbonden had jegens Belanghebbende. Vast staat ook dat de overzichten samengesteld zijn door en afkomstig zijn van Verzekeraar, als aanbieder van de beleggingsverzekeringen en de contractuele wederpartij van Belanghebbende. Daarmee is niet gebleken van een grondslag waaruit zou volgen dat de Bank verantwoordelijk is voor de gestelde ondeugdelijkheid van de jaaroverzichten. Die grondslag vloeit niet voort uit de contractuele relatie tussen de Bank en Belanghebbende ten aanzien van het verstrekte hypothecaire krediet en ook niet uit het ongeschreven recht. Hiervoor heeft de Commissie van Beroep overwogen dat Verzekeraar en de Bank afzonderlijke rechtspersonen zijn en slechts onder uitzonderlijke omstandigheden vereenzelviging kan worden aangenomen. Van die omstandigheden is niet gebleken. Daarmee kan in het midden blijven of de jaaroverzichten al dan niet deugdelijk zijn aangezien de Bank noch voor de samenstelling noch voor de verstrekking ervan verantwoordelijk kan worden gehouden. Grief 4 faalt derhalve en hetgeen de Bank heeft gesteld in haar incidentele grief ter zake is juist.

4.9 Grief 6 heeft betrekking op de hersteladviezen van de Bank, die volgens Belanghebbende ondeugdelijk zijn. Ook in deze grief stelt Belanghebbende zich op het standpunt dat sprake is van een (contractuele) adviesrelatie tussen Belanghebbende en de Bank.
De Bank betwist dat er een dergelijke relatie heeft bestaan en bestrijdt overigens dat de adviezen ondeugdelijk zijn. De Commissie van Beroep is van oordeel dat in het midden kan blijven of sprake is (geweest) van een contractuele adviesrelatie (en zo ja, vanaf wanneer), aangezien van ondeugdelijkheid van de hersteladviezen niet is gebleken.

De Bank heeft Belanghebbende een aantal opties voorgesteld (‘Premiebetaling
tot 01-08-2029: met overlijdensrisicodekking o.b.v. beleggen, zonder overlijdensdekking o.b.v. beleggen, zonder overlijdensdekking o.b.v. sparen’). Voorts heeft Belanghebbende de tip gekregen om ‘de overlijdensrisicoverzekering uit de [naam beleggingsverzekering] te halen en deze los af te sluiten’. Vervolgens is de [naam hypotheekproduct] door Belanghebbende omgezet naar een spaarhypotheek. Niet gebleken is dat de Bank in het kader van haar rol als hypothecair kredietverstrekker, rekening houdend met het belang van haar klant om enerzijds verzekerd te zijn tegen het risico van voortijdig overlijden van de echtgenoot en anderzijds de wens een bepaalde mate van zekerheid te hebben op een bepaald eindkapitaal ter aflossing van de hypothecaire schuld, deze adviezen in redelijkheid niet heeft kunnen geven. Ook grief 6 slaagt derhalve niet.

4.10 Aangezien de grieven van Belanghebbende falen en de incidentele grief van de Bank niet resulteert in een vordering tot vernietiging van de beslissing van de Geschillencommissie, zal de Commissie van Beroep die beslissing van de Geschillencommissie handhaven. Bij deze stand van zaken behoeft het verzoek van de Bank om toe te staan dat Verzekeraar alsnog in het geding betrokken wordt, geen bespreking meer.

5. Beslissing

De Commissie van Beroep handhaaft bij bindend advies de bestreden beslissing van de Geschillencommissie.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact