Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2018-046 (bindend)

Uitspraak Commissie van Beroep 2018-046 d.d. 24 juli 2018
(mr. W.J.J. Los, voorzitter, mr. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, mr. J.B.M.M. Wuisman,
mr. A. Bus en F.R. Valkenburg AAG RBA, leden, en mr. H.C. Dobbelaar-ten Cate, secretaris)

Samenvatting

Afkoop levensverzekeringen door verzekeringnemer buiten medeweten en zonder toestemming echtgenote. De verzekeringnemer was bevoegd om alleen, dus zonder instemming echtgenote,
te beslissen over afkoop van de door hem gesloten verzekeringen, tenzij zijn echtgenote de begunstiging had aanvaard. Uit artikel 7:969 lid 1 BW volgt dat de aanvaarding had moeten plaatsvinden door middel van een schriftelijke of elektronische verklaring aan de verzekeraar, met schriftelijke of elektronische toestemming van [naam echtgenoot]. Een dergelijke aanvaarding van de begunstiging heeft in dit geval niet plaatsgevonden. Ook al vielen de rechten uit de verzekeringen in de huwelijksgemeenschap, de verzekeringnemer was op grond van artikel 1:97
lid 1 BW in samenhang met artikel 1:90 lid 1 BW bevoegd tot het bestuur van die rechten.

 

 

Klik hier voor de uitspraak in eerste aanleg.

 

  1. De procedure in beroep

 

1.1       Bij een tijdig ontvangen beroepschrift van 11 maart 2018 heeft Belanghebbende bij de Commissie van Beroep financiële dienstverlening (verder: Commissie van Beroep) beroep ingesteld tegen een bindend advies van de Geschillencommissie financiële dienstverlening (verder: Geschillencommissie) van 30 januari 2018 (dossiernummer [nummer]).

 

1.2       Belanghebbende heeft een verweerschrift, gedateerd 12 april 2018, ingediend.

 

1.3       De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2018.

Partijen zijn aldaar verschenen en hebben hun standpunten toegelicht, Belanghebbende aan de hand van een pleitnota, en zij hebben vragen van de Commissie van Beroep beantwoord.

 

 

  1. De procedure in eerste aanleg

 

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst de Commissie van Beroep naar de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van de Geschillencommissie.

 

 

  1. Feiten

 

3.1       De Commissie van Beroep gaat uit van de feiten die de Geschillencommissie heeft vermeld in het bindend advies van 30 januari 2018 onder 2.1 tot en met 2.8. Die feiten zijn niet betwist en worden voor zover relevant aangevuld met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan. Kort gezegd gaat het om het volgende.

 

3.2       Belanghebbende is gehuwd geweest met [naam echtgenoot] (verder: [naam echtgenoot]).

[Naam echtgenoot] heeft in 1991een gemengde verzekering gesloten met Verzekeraar, met polisnummer [polisnummer 1]. Deze verzekering voorzag in een uitkering bij leven op de einddatum of bij overlijden voor de einddatum. De heer [naam echtgenoot] was zowel verzekeringnemer als verzekerde voor deze overeenkomst. De verzekering was voorzien van een standaardbegunstigingsclausule.

Tot 2003 was de verzekering verpand aan een hypotheekverstrekker.

Op de verzekering waren de voorwaarden Ge-82 van toepassing.

 

3.3       [Naam echtgenoot] heeft in 2002 een tweede overeenkomst van levensverzekering gesloten met Verzekeraar. Het was een zogeheten ‘OHRA Groeiroute’. De overeenkomst is geadministreerd onder polisnummer [polisnummer 2]. Ook voor deze verzekering gold [naam echtgenoot] als verzekeringnemer en verzekerde. Belanghebbende is

bij deze verzekering als enige begunstigde aangemerkt voor de uitkering bij overlijden. Voor de uitkering bij leven was de verzekering voorzien van een standaardbegunstigings-clausule.

De rechten uit de verzekering waren verpand aan een hypotheekverstrekker.

Op deze verzekering waren de voorwaarden SP-02 van toepassing.

 

3.4       Op 1 februari 2009 is het pandrecht, dat in verband met de hypothecaire lening op de bovengenoemde verzekeringen rustte, vervallen.

 

3.5       In februari 2014 heeft [naam echtgenoot] aan Verzekeraar gevraagd om opgaaf van de afkoopwaarden van de genoemde verzekeringen. Verzekeraar heeft de afkoopwaarden vervolgens aan [naam echtgenoot] meegedeeld.

 

3.6       Op 16 juni 2014 heeft [naam echtgenoot] een afkoopformulier ondertekend, teneinde te bewerkstelligen dat de verzekering met polisnummer [polisnummer 2] zou worden afgekocht en dat de afkoopwaarde aan hem zou worden uitgekeerd. Verzekeraar heeft de afkoop bij brief van 24 juni 2014 aan [naam echtgenoot] bevestigd en heeft de afkoopwaarde van € 21.052,76 aan [naam echtgenoot] uitgekeerd.

 

3.7       Op 11 augustus 2014 heeft [naam echtgenoot] aan Verzekeraar verzocht om afkoop van de verzekering met polisnummer [polisnummer 1]. Verzekeraar heeft de afkoop bij brief van 25 augustus 2014 aan [naam echtgenoot] bevestigd en heeft de afkoopwaarde van
€ 24.165,78 aan [naam echtgenoot] uitgekeerd.

 

3.8       Op 14 oktober 2015 is [naam echtgenoot] overleden. Naar aanleiding daarvan heeft Belanghebbende Verzekeraar verzocht om uitkering bij overlijden onder de afgekochte verzekeringen. Verzekeraar heeft dit geweigerd omdat de verzekeringen waren afgekocht.

 

 

 

 

 

  1. Klacht en advies Geschillencommissie

 

4.1       De klacht van Belanghebbende luidt, samengevat, dat Verzekeraar aan de afkoop heeft meegewerkt zonder daarvoor haar toestemming te vragen. Zij verlangt dat Verzekeraar de schade vergoedt die zij door de afkoop heeft geleden.

 

4.2       De Geschillencommissie heeft, kort gezegd, het volgende overwogen.

[Naam echtgenoot] was verzekeringnemer ten aanzien van de onderhavige verzekeringen. Op grond van de wet (artikel 7:966 lid 1, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW)) en de polisvoorwaarden (artikelen 5 en 10 van de voorwaarden Ge-82 en artikelen 10 en 13 van de voorwaarden SP-02) kon [naam echtgenoot] derden als begunstigden aanwijzen. Belanghebbende was (mede) als begunstigde aangewezen.

Er was echter geen schriftelijke aanvaarding van de begunstiging. [Naam echtgenoot] kon daarom zonder toestemming van een begunstigde de rechten uit de verzekerings-overeenkomsten uitoefenen.

[Naam echtgenoot] had als verzekeringnemer op grond van de wet (artikel 7:978 BW) en de polisvoorwaarden (artikel 5, aanhef en onder b, en artikel 9 lid 2 van de voorwaarden Ge-82 en artikel 10, aanhef en onder g, en artikel 14 van de voorwaarden SP-02) tevens het recht om de verzekeringen af te kopen. Hij had daarvoor geen toestemming van Belanghebbende nodig en na het vervallen van de pandrechten evenmin van de hypotheekverstrekkers.

Ook het huwelijksvermogensrecht stond niet aan de afkoop in de weg. De afkoop viel niet onder het geval dat is bedoeld in artikel 1:88 lid 1, aanhef en onder c, BW. Bovendien was [naam echtgenoot] bevoegd tot het bestuur van de rechten uit de verzekeringen op grond van de artikelen 1:90 en 1:97 BW.

De Geschillencommissie heeft de vordering van Belanghebbende op die gronden afgewezen.

 

 

  1. Beoordeling van het beroep

 

5.1       Belanghebbende betoogt ook in beroep dat de afkoop van de verzekeringen niet zonder haar toestemming had mogen plaatsvinden.

 

5.2       De Commissie van Beroep stelt voorop dat [naam echtgenoot] als verzekeringnemer bevoegd was om alleen, dus zonder instemming van Belanghebbende, te beslissen over afkoop van de door hem gesloten verzekeringen, tenzij Belanghebbende de begunstiging had aanvaard. Uit artikel 7:969 lid 1 BW volgt dat de aanvaarding had moeten plaatsvinden door middel van een schriftelijke of elektronische verklaring aan Verzekeraar, met schriftelijke of elektronische toestemming van [naam echtgenoot].

Een dergelijke aanvaarding van de begunstiging heeft in dit geval niet plaatsgevonden. Dit brengt mee dat het uitgangspunt is dat [naam echtgenoot] voor de afkoop geen toestemming van Belanghebbende nodig had. In dat licht zal de Commissie van Beroep de bezwaren van Belanghebbende tegen het advies van de Geschillencommissie bespreken.

 

5.3       Belanghebbende heeft in beroep in de eerste plaats gewezen op een polisblad van
8 november 1989 van een verzekering met polisnummer [polisnummer 3]. Daarop staat dat deze polis niet kan worden beleend, verpand, vervreemd of afgekocht.

 

5.4       De verzekering waarop dit polisblad betrekking heeft, is een pensioenverzekering. Dergelijke verzekeringen kunnen, behoudens een enkele uitzondering, volgens de Pensioenwet niet worden afgekocht. De onderhavige verzekeringen waren echter geen pensioenverzekeringen.

 

5.5       Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat de onderhavige verzekeringen waren gekoppeld aan een hypothecaire geldlening.

 

5.6       Het is op zichzelf juist dat de rechten uit de verzekeringen aanvankelijk waren verpand aan de hypotheekbank. De verpanding had tot doel om de hypotheekbank de zekerheid te geven dat uitkeringen op grond van de verzekeringen in mindering zouden worden gebracht op het saldo van de hypothecaire geldlening. Gebleken is echter dat de hypotheekbank in 2009 afstand heeft gedaan van haar pandrecht(en). Voor de afkoop was dus niet meer de toestemming van de hypotheekbank nodig.

 

5.7       Tijdens de mondelinge behandeling heeft Belanghebbende nog een beroep gedaan op het huwelijksgoederenrecht. Zij heeft in dat verband gewezen op artikel 1:94 BW. Volgens Belanghebbende waren de rechten uit de verzekeringen vermogensrechten en waren die niet aan [naam echtgenoot] verknocht.

 

5.8       Artikel 1:94 BW regelt (alleen) welke goederen in de huwelijksgemeenschap vallen. Het staat niet ter discussie dat de rechten uit de verzekeringen vermogensrechten waren, die niet aan [naam echtgenoot] verknocht waren en dat die rechten dus behoorden tot de huwelijksgemeenschap. Maar daar gaat het niet om. Ook al vielen de rechten in de huwelijksgemeenschap, [naam echtgenoot] was op grond van artikel 1:97 lid 1 BW in samenhang met artikel 1:90 lid 1 BW bevoegd tot het bestuur van die rechten. Tot dat bestuur behoorde het uitoefenen van de bevoegdheden die aan de rechten waren verbonden, zoals de bevoegdheid tot afkoop, zo volgt uit artikel 1:90 lid 2 BW.

 

5.9       Belanghebbende meent ten slotte dat het tot de zorgplicht van Verzekeraar behoorde om te onderzoeken of zij als begunstigde toestemming voor afkoop zou verlenen. Dit argument gaat niet op omdat Belanghebbende de begunstiging niet had aanvaard op de wijze die de wet voorschrijft, zodat haar toestemming voor de afkoop niet was vereist. Verzekeraar had daarom niet de bevoegdheid de afkoop te weigeren toen [naam echtgenoot] tot afkoop wilde overgaan, ook al zou bij navraag zijn gebleken dat Belanghebbende daarmee niet instemde.

 

 

 

 

 

 

Conclusie

5.10     De conclusie is dat de bezwaren die Belanghebbende in beroep heeft aangevoerd, ongegrond zijn.

 

5.11     Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft niet te worden besproken, omdat dit niet tot een andere beslissing kan leiden.

 

5.12     Uit het voorgaande volgt dat het bindend advies van de Geschillencommissie moet worden gehandhaafd.

 

 

  1. Beslissing

 

De Commissie van Beroep handhaaft het bindend advies van de Geschillencommissie.

 

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact