Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2018-290 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2018-290
(prof. mr. M.L. Hendrikse, voorzitter, mr. W.H.G.A. Filott mpf,
mr. dr. S.O.H. Bakkerus, leden en mr. A. Kanhai, secretaris)

Klacht ontvangen op : 11 oktober 2016
Ingediend door : Mevrouw [Naam consument] (hierna: ‘Consument I’) en de heer [Naam
echtgenoot Consument] (hierna: ‘Consument II’), verder gezamenlijk te noemen
‘Consumenten’
Tegen : Coöperatieve Rabobank U.A., gevestigd te Amsterdam , verder te noemen ‘de
Bank’
Datum uitspraak : 11 mei 2018
Aard uitspraak : Bindend advies

Samenvatting

De hypothecaire financiering voldeed aan de destijds geldende wet- en regelgeving reden waarom van overkreditering geen sprake is. De financiële problemen waarmee Consumenten te kampen hebben gekregen zijn terug te voeren op feiten en omstandigheden die niet de Bank zijn aan te rekenen.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

· het door Consument I ingediende klachtformulier;
· de klachtbrief van Consument I met bijlagen;
· de aanvullende reactie van Consument I met bijlagen;
· het verweerschrift van de Bank;
· de aanvullende reactie van Consument I;
· de verklaring van Consument I met haar keuze voor bindend advies.

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies.

Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 29 september 2017 en zijn aldaar verschenen.

De enkelvoudige Commissie, onder voorzitterschap van prof. mr. M.L. Hendrikse, heeft partijen na de mondelinge enkelvoudige behandeling te kennen gegeven dat zij de klacht meervoudig wenst af te doen. Aan de Commissie zijn de leden mr. W.H.G.A. Filott mpf en mr. dr. S.O.H. Bakkerus toegevoegd. Partijen zijn daarover geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld, voor zover gewenst, deze leden te wraken. Het is de Commissie gebleken dat partijen hiervan hebben afgezien. Op
1 november 2017 vond de meervoudige behandeling op stukken plaats.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

2.1. Bij brief van 12 december 2002 heeft de voorganger van de Bank aan Consumenten een offerte voor een hypothecaire geldlening ter grootte van EUR 440.000,– uitgebracht. Deze geldlening bestond uit de volgende leningdelen:
– Opmaat Hypotheek EUR 385.000,–
– Overbruggingslening EUR 55.000,–

Blad 1:
In de offerte is -voor zover relevant- het volgende vermeld (blad 1):

[…]
Blad 2:

Blad 3:

[…]

Blad 5:

[…]

2.2. Consumenten hebben de offerte op 16 december 2002 voor akkoord ondertekend.

2.3. Op 12 december 2002 heeft Interpolis (hierna: de verzekeraar) Consumenten een Financiële Bijsluiter voor het product OpMaat Verzekering gezonden. In deze bijsluiter is -voor zover relevant- het volgende bepaald:
[…]
Blad 1:

Blad 2:

[…]

Blad 3

[…]

[…]

2.4. Verder heeft de Bank voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een Hypotheekplan voor Consumenten opgesteld. De Bank is bij het opstellen daarvan uitgegaan van de volgende gegevens:
lad 1:

Gegevens Consument II

Gegevens Consument I

[…]

[…]
Blad 4:
[…]

Blad 5:

Blad 6:

2.5. Uit het formulier ‘Aanvraag financiering particulieren’(hierna: ‘AFP’), dit is een intern document van de Bank waarin zij, voorafgaand aan het verstrekken van de financiering, haar overwegingen ten aanzien van de verstrekking daarvan vastlegt, blijkt het volgende:

2.6. Op 27 juli 2015 hebben Consumenten de woning op aandringen van de Bank verkocht. De opbrengst bij verkoop van de woning is onvoldoende geweest om de hypothecaire geldlening volledig te kunnen aflossen waardoor een restschuld van circa €100.000,- resteerde.

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering Consument
3.1. Consumenten hebben, desgevraagd, geen concreet antwoord gegeven op de vraag welk bedrag zij van de Bank vorderen. De Commissie leidt uit de stellingen van Consumenten af dat zij kwijtschelding van de gehele restschuld vorderen.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2. Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag. De Bank is toerekenbaar tekortgeschoten in de op haar rustende (bijzondere) zorgplicht voortvloeiende uit het door haar gegeven advies voor en de gesloten overeenkomst van geldlening. Consumenten voeren hiertoe de volgende argumenten aan.
· De Bank had Consumenten nimmer een geldlening van €385.000,- mogen verstrekken als de Bank een bedrag van ‘slechts’ € 282.500,- verantwoord achtte. Consumenten betwijfelen of de verstrekking van een lening van een dergelijke omvang in lijn was met het (landelijke) verstrekkingsbeleid.
· Consumenten hadden op hun oude woning een overwaarde van € 100.000,-. Deze overwaarde is volledig verdampt.
· De Bank heeft Consumenten ten tijde van het aangaan van de hypothecaire geldlening onvolledig voorgelicht over de hoge lasten en het beleggingsrisico dat zij liepen met deze hypotheekconstructie;
· De Bank heeft zich voorafgaand aan en tijdens de uitwinning van het met een hypotheek bezwaarde onroerend goed en bij de verdere afhandeling daarvan te hard, autoritair en weinig empathisch opgesteld;
· Consumenten hebben de Voorzitter van de Raad van Bestuur (hierna: RvB) van de Bank gevraagd te bemiddelen bij het zoeken naar een oplossing voor de restschuld na de verkoop van de woning in 2015. In plaats van een persoonlijke reactie afkomstig van de Voorzitter van de RvB, kregen zij een bericht van de afdeling Klachtenservice.
· Het is de ervaring van Consumenten dat het belang van de Bank prevaleert boven dat van de klant. De leus ‘klantbelang centraal’ is slechts een marketingtruc.
· Zeer vervelende ervaring bij een eerdere schenking afkomstig uit [Land].

Verweer van de Bank
3.3. De Bank heeft de stellingen van Consumenten gemotiveerd weersproken. Voor zover nodig zal de Commissie bij de beoordeling daarop ingaan.

4. Beoordeling

4.1. De Commissie merkt op, alvorens over te gaan tot de beoordeling van het geschil dat partijen verdeeld houdt, dat zij ervan doordrongen is dat Consumenten zich al jaren in een benarde (financiële) positie bevinden en dat met name hun toekomstperspectieven hierdoor blijvend zijn veranderd.

Het geschil
4.2. Consumenten zijn van mening dat er sprake is van overkreditering. Ter onderbouwing van hun standpunt voeren zij aan dat de Bank nooit een hypothecaire geldlening van
€ 385.000,- aan hen had mogen verstrekken omdat de geldlening en de daaraan verbonden lasten te hoog waren voor hun inkomen. Consumenten baseren hun standpunt verder op het door de Bank opgestelde Hypotheekplan, waaruit blijkt dat de Bank op basis van het inkomen een geldlening van maximaal € 282.500,- verantwoord achtte. Daarnaast was er sprake van een beleggingsrisico terwijl voor een ander, minder risicovol, opbouwproduct gekozen had kunnen worden en zijn Consumenten niet of niet volledig geïnformeerd over de kosten en de premies verbonden aan de OpMaat-verzekering.

Het juridisch kader
4.3. Volgens vaste jurisprudentie brengt de maatschappelijke functie van een bank een bijzondere zorgplicht mee, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van die zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval.

4.4. Op 16 juni 2017 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin wordt ingegaan op de aansprakelijkheid van de kredietaanbieder voor mogelijke overkreditering in de periode 1999-2003. Zie HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1107. Uit dit arrest kan -voor zover voor het onderhavige geschil van belang worden opgemaakt

– Hoewel in de periode 1999-2003 specifieke wetgeving ontbrak, diende een aanbieder van hypothecair krediet consumenten te behoeden voor overkreditering. Een kredietverlenende bank is als ter zake deskundige in de regel beter in staat om de gevolgen van kredietverstrekking te overzien en weer te geven, en om te beoordelen of de consument in staat zal zijn de lasten van de kredietverstrekking te (blijven) dragen, dan een kredietvragende consument aldus de Hoge Raad (zie r.o.v. 4.2.6).

– Een aanbieder van hypothecair krediet diende in die periode voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst inlichtingen in te winnen over de inkomens- en vermogenspositie van de kredietvragende consument teneinde overkreditering te voorkomen (r.o.v. 4.2.7).

– Indien uit het onderzoek van de aanbieder van hypothecair krediet bleek dat de consument de aan de hypothecaire geldlening verbonden lasten niet (geheel) uit zijn inkomen zou kunnen voldoen, diende zij na te gaan of de consument de lasten voor het overige met voldoende zekerheid zou kunnen en willen voldoen uit zijn vermogen. In dat geval diende rekening te worden gehouden met inteereffecten (r.o.v. 4.2.8).

– Over de uitkomst van het onderzoek van de aanbieder van het hypothecair krediet over de inkomens-en vermogenspositie van de klant, diende deze op zodanige wijze te worden geïnformeerd dat deze kan beoordelen of hij de verplichtingen zou kunnen blijven dragen. Indien de kredietverstrekking mogelijk niet verantwoord is, dan diende de klant hierop te worden gewezen en te worden gewaarschuwd voor de risico’s (r.o. 4.2.9).

– Van een weigeringsplicht om de hypothecaire geldlening te verstrekken was in die tijd echter nog geen sprake.

Het geschil
Consumenten zijn van mening dat er sprake is van overkreditering. Ter onderbouwing van hun standpunt voeren zij aan dat de Bank nooit een hypothecaire geldlening van
€ 385.000,- aan hen had mogen verstrekken omdat de geldlening en de daaraan verbonden lasten te hoog waren voor het inkomen. Consumenten baseren hun standpunt verder op het door de Bank opgestelde Hypotheekplan, waaruit blijkt dat de Bank op basis van het inkomen een geldlening van maximaal € 282.500,- verantwoord achtte. Daarnaast was er sprake van een beleggingsrisico terwijl voor een ander, minder risicovol, opbouwproduct gekozen had kunnen worden en zijn Consumenten niet of niet volledig geïnformeerd over de kosten en de premies verbonden aan de OpMaat-verzekering.

De beoordeling van de klacht betreffende overkreditering
4.5. De Commissie stelt vast dat de Bank ten tijde van de verstrekking heeft gehandeld zoals in die periode van een goed kredietverstrekker mocht worden verwacht. De Bank heeft onderzoek gedaan naar de inkomsten en lasten van Consumenten. In dat kader heeft zij onderzocht of de financiering binnen de door Rabobank gehanteerde normen viel (zie r.o. 2.5). De Bank heeft toegelicht dat de werkelijke lasten van de geldlening binnen de maximaal toegestane lasten pasten. Hoewel het inkomen van Consumenten niet binnen de gestelde normen viel, zou bij de geadviseerde hypotheekconstructie een deel van de overwaarde
(€ 42.688,-) van de nog te verkopen woning worden gestort in een premiedepot. De premies voor de OpMaat Verzekering konden hiermee worden voldaan. De werkelijke lasten zouden dan volgens de berekening van de Bank met € 2.000,- onder de (volgens Rabobank) toegestane lasten blijven. Consumenten hebben zich akkoord verklaard met de gekozen hypotheekconstructie door ondertekening van de offerte.

4.6. De Commissie oordeelt dat de financiële problemen van Consumenten niet het gevolg zijn van overkreditering door de Bank maar van een inkomensdaling doordat een opdrachtgever van het bedrijf van Consument II failliet is gegaan. Die omstandigheid komt in de verhouding tot de Bank voor rekening en risico van Consumenten. Ook de waardeontwikkeling van de OpMaat Verzekering bleef door de wereldwijde economische crisis in 2008 achter bij de geprognosticeerde waarde. Ook deze omstandigheid blijft voor rekening en risico van Consumenten. De Commissie tekent hierbij aan dat het ten tijde van de verstrekking van de hypothecaire geldlening aan Consumenten niet ongebruikelijk was om met een geprognosticeerd beleggingsrendement van 8% te rekenen.

4.7. Het verwijt van Consumenten dat de Bank hen tijdens het adviestraject onvolledig heeft voorgelicht over de hoge lasten en het beleggingsrisico dat zij liepen met de gekozen hypotheekconstructie, passeert de Commissie. Uit de processtukken en de daarbij gevoegde bijlagen blijkt dat de Bank Consumenten op diverse momenten uitdrukkelijk en in heldere bewoordingen heeft geïnformeerd over de kosten en dat zij heeft gewaarschuwd voor de risico’s die kleefden aan deze financieringsopzet.

Zo heeft de Bank Consumenten in de offerte en in het Hypotheekplan geïnformeerd over de bruto en netto maandlasten voor de geldlening. Daarnaast zijn Consumenten in de offerte gewezen op het risico dat verbonden is aan de verhouding tussen de inkomsten en de lasten die zijn verbonden aan de geldlening (r.o. 2.1, blad 5). De opmerking van Consumenten dat deze vermelding ongebruikelijk is in de branche, kan de Commissie niet plaatsen. Verder heeft de verzekeraar in de Financiële Bijsluiter van de OpMaat Verzekering een hele passage gewijd aan de mogelijke risico’s, genoemd ‘financiële risico’s van de OpMaat Verzekering’. Tijdens de hoorzitting hebben Consumenten naar voren gebracht dat de werking van de gekozen hypotheekconstructie voor hen niet helemaal duidelijk was. Van hen mocht echter worden verwacht dat zij kennis namen van de door de Bank aan hen verstrekte informatie en het lag dan ook op hun weg om, indien deze informatie onduidelijk voor hen was, daarover vragen te stellen aan de adviseur van de Bank. Zo is in deze passage duidelijk vermeld dat van een gegarandeerde uitkering geen sprake is en dat de inleg bij tegenvallende rendementen geheel verloren kan gaan (r.o. 2.3, blad 2).

Ook zijn Consumenten in de Financiële Bijsluiter geïnformeerd over de variabele en vaste kosten die in mindering worden gebracht op het beleggingstegoed. Verder staat vast dat Consumenten ermee akkoord zijn gegaan om de inleg voor 85% te beleggen in aandelen en obligaties, terwijl zij er ook voor hadden kunnen kiezen om de inleg volledig te sparen. Deze mogelijkheid is namelijk genoemd in het Hypotheekplan. De Bank heeft aangevoerd dat zij reeds in 2007 en 2009 met Consumenten over deze mogelijkheid hebben gesproken maar dat Consumenten, om hen moverende redenen, deze wijziging niet eerder dan 2011 hebben gerealiseerd.

Uit het bovenstaande volgt dat de Bank Consumenten 1) deugdelijk heeft ingelicht over de uitkomst van het onderzoek naar de inkomens- en vermogenspositie van Consumenten, 2) op zodanige wijze heeft geïnformeerd zodat zij konden beoordelen of zij de verplichtingen zouden kunnen blijven dragen, en 3) heeft gewaarschuwd voor de risico’s van de verhouding tussen de inkomsten van Consumenten en de lasten die aan de hypothecaire geldlening waren verbonden.

4.8. Op grond van het vorenstaande wordt het klachtonderdeel ter zake de overkreditering verworpen. De Commissie is van oordeel dat de Bank heeft voldaan aan de verplichtingen die op grond van de destijds geldende inzichten op haar rustten en dat zij tot meer niet gehouden was.

De overige klachtonderdelen
4.9. Voorts hebben Consumenten aangevoerd dat de overwaarde die zij op hun oude woning hadden volledig is verdampt. Dit klachtonderdeel kan de Commissie, net als de Bank niet plaatsen. Consumenten hebben een deel van de overwaarde ter hoogte van € 42.688,- gestort in het premiedepot en met het restant is het overbruggingskrediet, dat zij hadden afgesloten omdat voornoemde woning nog niet was verkocht, afgelost. Nu Consumenten deze stelling niet nader hebben onderbouwd, zal de Commissie hier verder aan voorbijgaan.

4.10. Ten aanzien van het argument dat de Bank zich voorafgaand aan en tijdens de uitwinning van het met een hypotheek bezwaarde onroerend goed en bij de verdere afhandeling daarvan te hard, autoritair en weinig empathisch heeft opgesteld, overweegt de Commissie dat zij hier geen oordeel over kan geven, nu zij niet bij (telefoon)gesprekken tussen Consumenten en de Bank aanwezig was en zij dus niet kan vaststellen wat er tijdens die gesprekken is besproken.

4.11. De Commissie neemt zonder meer aan dat deze periode zeer stressvol is geweest voor Consumenten. Wel staat vast dat partijen een overeenkomst van hypothecaire geldlening hebben gesloten en dat daaruit, over en weer, rechten en verplichtingen voortvloeien. Gelet op de in het verleden ontstane en oplopende betalingsachterstanden en het feit dat de Bank het recht van hypotheek had op de woning van Consumenten, maakt dat de Bank gerechtigd was om een invorderingstraject te starten. De Bank kan dan bepaalde maatregelen treffen die voor Consumenten autoritair overkomen, maar dat maakt niet dat de Bank daartoe niet mag overgaan.

4.12. De Bank heeft ter zitting aangevoerd dat de gesprekken tussen partijen in een impasse zijn geraakt vanwege de houding van Consumenten. De Bank heeft er vervolgens voor gekozen om het dossier over te dragen aan de deurwaarder. Consumenten hebben desgevraagd aan de behandelende secretaris laten weten dat zij van mening zijn dat het aan de Bank is om een voorstel te doen ter oplossing van het geschil. De Bank heeft Consumenten vervolgens ter zitting voorgesteld om het dossier weer in eigen beheer te nemen. Dit op voorwaarde dat Consumenten openheid van zaken geven met betrekking tot hun financiën en dat zij volledige medewerking verlenen aan de Bank. Indien Consumenten daartoe bereid zijn, zal de Bank het dossier overdragen aan de afdeling restantvorderingen van de Bank en zal het dossier worden weggehaald bij de deurwaarder.

Consumenten hebben de door de Bank aangereikte spreekwoordelijke hand geweigerd en hebben de Commissie verzocht om een definitieve beslissing. De Bank heeft Consumenten ter zitting gewezen op de consequenties hiervan.

4.13. De klacht over het niet beantwoorden van brieven door de Voorzitter van de Raad van Bestuur die aan hem zijn gericht, wordt eveneens afgewezen. De Commissie kan zich voorstellen dat Consumenten graag een persoonlijke reactie van de bestuursvoorzitter van de Bank hadden gekregen. Het staat de Bank echter vrij om het beantwoorden van brieven te delegeren aan een bepaalde afdeling binnen het bedrijf en om de klachtenprocedure in te richten op een wijze die zij het meest geraden acht. De Commissie treedt niet in die bevoegdheid van de Bank.

4.14. Ten slotte hebben Consumenten aangevoerd dat het hun ervaring is dat het belang van de Bank prevaleert boven dat van de klant. De leus ‘klantbelang centraal’ is slechts een marketingtruc. Consumenten hebben deze stelling niet nader onderbouwd zodat het de Commissie niet duidelijk is wat hiermee wordt bedoeld. De klacht over de zeer vervelende ervaring bij een eerdere schenking afkomstig uit [Land], hebben Consumenten ook niet toegelicht. De Commissie kan daar dan ook niet over oordelen.

4.15. De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat de Bank haar zorgplicht heeft geschonden. De Commissie wijst de vordering van Consumenten daarom af.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vordering af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak.
Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 46 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact