Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2018-295

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2018-295
(mr. R.J. Verschoof, voorzitter, mr. B.F. Keulen en drs. W. Dullemond, leden en
mr. D.J. Olthoff, secretaris)

Klacht ontvangen op : 4 oktober 2016
Ingediend door : Consument
Tegen : SRLEV N.V., gevestigd te Amstelveen, verder te noemen Verzekeraar
Datum uitspraak : 15 mei 2018
Aard uitspraak : Niet-bindend

Samenvatting

Consument heeft bij Verzekeraar een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule gesloten, de looptijd is van 1 oktober 1983 tot 1 juni 2003, polisnummer [polisnr. 1]. Op 25 april 2003 heeft Verzekeraar Consument schriftelijk geinformeerd over de beeindiging van de verzekering per
1 juni 2003 evenals die van een andere verzekering. Consument heeft Verzekeraar in april/mei schriftelijk een aantal vragen gesteld, waaronder de vraag of het uit te keren bedrag op een bankrekening kan worden gestort. Naar aanleiding van een afkoopverzoek heeft Verzekeraar op 27 april 2004 de afkoopwaarde van de verzekering aan Consument overgemaakt.
Op 10 december 2015 heeft Conusment een klacht ingediend, daarbij stellende dat hij voorafgaand aan de afkoop van de verzekering onvoldoende is geinformeerd/geadviseerd door Verzekeraar. Zou Verzekeraar hier naar behoren hebben gehandeld, dan zou Consument niet voor afkoop hebben gekozen maar voor der aankoop van een lijfrente. Consument ondermeer € 14.000,00 in verband met de fiscale consequenties van de afkoop van de verzekering. De Commissie oordeelt dat Verzekeraar heeft mogen afgaan op het door Consument getekende uitkeringsverzoek waaruit zijn wens tot afkoop bleek, temeer nu Consument voor de andere verzekering wel voor een lijfrente heeft gekozen. Verzekeraar heeft niet gehandeld in strijd met zijn zorgplicht. De vordering van Consument wordt afgewezen.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken met de daarbij behorende bijlagen:

• het door Consument ingediende klachtformulier;
• de klachtbrief van Consument met bijlagen;
• het verweerschrift van Verzekeraar;
• de repliek van Consument;
• de dupliek van Verzekeraar.

De Commissie stelt vast dat Consument heeft gekozen voor een niet-bindend advies. De uitspraak is daardoor niet-bindend.

Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 22 januari 2018 en zijn aldaar verschenen.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Consument heeft bij Verzekeraar, althans diens rechtsvoorganger, per 1 oktober 1983 een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule ([polisnr. 1]) gesloten met een looptijd tot
1 juni 2003.

2.2 Artikel 1 lid 1 van de toepasselijke “Algemene Verzekeringsvoorwaarden voor Individuele verzekeringen met dekking van overlijdensrisico en met spaarelement”
luidt:
“De rechten en verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst blijken uit de polis en de eventuele daarbij behorende aanhangsels. De verzekeringsovereenkomst is onderworpen aan Nederlands recht.”

2.3 Verzekeraar heeft Consument op 25 april 2003 schriftelijk bericht dat de verzekeringsduur van deze verzekering, evenals die van een andere verzekering met polisnummer [polisnr. 2], per1 juni 2003 zou eindigen.

2.4 Bij brief van 20 april/mei 2003 heeft Consument Verzekeraar gevraagd of het mogelijk was de waarde van de verzekering met polisnummer [polisnr. 1] ad € 35.375,00 op een bankrekening te storten. Daarbij heeft Consument gevraagd naar de fiscale consequenties. In dezelfde brief heeft Consument ook vragen gesteld over de verzekering met polisnummer [polisnr. 2]. In de brief, verzonden vanaf het woonadres van Consument destijds in [Naam stad], is het volgende te lezen:
“(…) Aangezien bovenvermelde levensverzekeringen ten einde lopen op 01.06.2003, had ik graag antwoord van U ontvangen op volgende vragen:
1. Betreffende het contract [polisnr. 2] (waarde: 38.748 EUR):
In uw brief van 25/04/2003, schreef u: ‘Aangezien de PSW-B clausule van toepassing is, dient dit bedrag aangewend te worden voor een pensioenverzekering. Ben ik echt vereist een pensioenverzekering onder de vorm van een directingaandelijfrente te onderschrijven? Waarom zo’n clausule? Was het een verplichting? Welke zouden de gevolgen (fiscaal of ander) zijn als ik wens dat het bedrag op een bankrekening gestort wordt?
2. Betreffende het contract [polisnr. 1] (waarde: 53.375 EUR):
Heb ik de mogelijkheid de storting op en bankrekening te vragen? Wat zouden de fiscale gevolgen zijn? (…)”

2.5 Op verzoek van Consument heeft Verzekeraar de afkoopsom ad € 35.375,00 van de verzekering met polisnummer [polisnr. 1] op 27 april 2004 overgemaakt op een Nederlandse bankrekening van Consument.

2.6 Op 6 mei 2004 heeft Consument via een aanvraagformulier een lijfrenteverzekering bij Verzekeraar aangevraagd. De koopsom is afkomstig van de uitkering uit de verzekering met polisnummer [polisnr. 2].

2.7 Met een brief van 10 december 2015 heeft de advocaat van Consument zich bij Verzekeraar beklaagd over de afhandeling van de verzekeringen met polisnummers [polisnr. 2] en [polisnr. 1]. In de brief is onder meer het volgende te lezen:
“(…) 2. Polisnummer [polisnr. 1]:
[Naam Verzekeraar] heeft cliënt naar aanleiding van diens brief laten weten dat cliënt de afkoopsom bij het invullen van de jaaropgave diende aan te geven bij de fiscus.
Cliënt heeft [naam Verzekeraar] na ar aanleiding daarvan om overmaking van de afkoopsom verzocht en [naam Verzekeraar] heeft het bedrag ad € 35.375,- op 27 april 2004 op de bankrekening van cliënt voldaan.
Zwitserleven heeft verzuimd om cliënt te informeren:
(i) dat cliënt met genoemd bedrag ook een lijfrenteverzekering kon sluiten. en
(ii) dat het sluiten van een lijfrenteverzekering voor cliënt mogelijk minder fiscaal nadelige gevolgen zou hebben. en
(iii) dat cliënt het advies van een belastingadviseur diende in te winnen alvorens een keuze te maken.
Cliënt heeft als gevolg van de afkoop van Polis nummer [polisnr. 1] inmiddels fiscaal nadeel en schade gleden. Cliënt begroot deze schade op een bedrag van € 14.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente, maar behoudt zich dienaangaande alle rechten voor.
Ik stel [naam Verzekeraar] hierbij aansprakelijk voor alle als gevolg van genoemd verzuim door cliënt geleden schade.
(…)”

2.8 Verzekeraar heeft per brief van 29 december 2015 onder meer als volgt gereageerd op de klacht met betrekking tot de verzekering met polisnummer [polisnr. 1]:
“(…)
Verjaring
(…)
Rechtsverwerking
(…)
Voor zover beroep op bovenstaande verweren geen stand zou houden, wijzen wij de claim af op basis van het ontbreken van fiscale schade.
Uw cliënt heeft een verzekering met lijfrenteclausulering (zogenoemd oud regime lijfrenteverzekering) afgesloten bij ons. Dat houdt in dat de inleg in aftrek kon worden gebracht bij de aangifte loonbelasting.
Daartegenover staat dat over de uitkering(en) wèl belasting wordt geheven. Het maakt bij een oud regime lijfrenteverzekering voor de belastingheffing niet uit of de uitkering ineens (zoals in dit geval) of in termijnen zou zijn genoten. Er is in beide gevallen sprake van belastingheffing. Er is dan ook geen sprake van fiscale schade. (…)”

2.9 Consument heeft met betrekking tot de afhandeling van de verzekering met polisnummer [polisnr. 1] een klacht bij Kifid ingediend.

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering Consument
3.1 Consument vordert vergoeding van de door hem geleden schade, door hem voorlopig geraamd op € 14.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente alsmede een bedrag van
€ 750,- ter zake redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW).

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag. Verzekeraar heeft niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. Hij is hiermee toerekenbaar tekortgeschoten bij de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst. Consument voert hiertoe de volgende argumenten aan.
• In tegenstelling tot hetgeen Verzekeraar stelt, had Consument ten tijde van het beëindigen van zowel de onderhavige als een eveneens bij Verzekeraar lopende gelijksoortige verzekering geen verzekerings- financieel- of fiscaal adviseur. Consument heeft over de beëindiging rechtstreeks contact gehad met Verzekeraar. Verzekeraar had Consument, naar aanleiding van diens verzoek om afkoop van de verzekering, uit eigen beweging moeten waarschuwen en moeten verwijzen naar een (fiscaal) adviseur in verband met de fiscale consequenties nu het ging om afkoop van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule.
• Dit klemt temeer nu Consument in zijn brief van 20 april/mei 2003 heeft gevraagd hem hierover te informeren. Verzekeraar heeft Consument in reactie op deze brief laten weten dat hij de afkoopsom bij zijn jaaropgave voor de belastingdienst diende in te vullen. Naar aanleiding van dit antwoord heeft Consument een verzoek tot afkoop ingediend. Juist omdat het een verzekering met lijfrenteclausule betrof, had Verzekeraar Consument moeten waarschuwen voor de fiscale gevolgen alvorens tot uitkering over te gaan.
• Consument is geconfronteerd met een naheffing over het jaar 2007-2008 door de Nederlandse Belastingdienst. Naar informatie van Consument zou hij in [Naam Land], waar hij sinds 2007 woont, het door hem geclaimde bedrag minder verschuldigd zijn geweest indien hij had gekozen voor een lijfrente en niet voor afkoop.
• Verzekeraar beroept zich ten onrechte op verjaring op basis van artikel 3:307 BW. De vordering van Consument betreft immers niet de nakoming van de principale verplichting van Verzekeraar, maar schadevergoeding wegens onrechtmatige daad. De vraag of sprake is van verjaring dient dan te worden beoordeeld op basis van artikel 3:310 BW, waarin is bepaald dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart na verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag waarop een benadeelde bekend is geworden met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Op grond van dit artikel is de vordering van Consument niet verjaard. Consument heeft immers voor het eerst in 2015 een fiscaal adviseur geraadpleegd en pas toen vernomen dat minder belasting verschuldigd zou zijn geweest indien hij een lijfrenteverzekering had gesloten.
• Met de vervolgens aan Verzekeraar gerichte brief van 10 december 2015 heeft Consument tijdig geklaagd. Het beroep van Verzekeraar op artikel 6:89 Burgerlijk Wetboek (BW) gaat dan ook niet op.
• Los van het voorgaande is een beroep van Verzekeraar op verjaring in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
Verweer Verzekeraar
3.3 Verzekeraar heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
• De vordering van Consument is verjaard. De ingangsdatum van de verzekering is
1 oktober 1983, de einddatum 1 juni 2003 en de uitkering is reeds op 27 april 2004 gedaan. Conform artikel 3:307 BW verjaart een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis na een termijn van 5 jaar. Consument is de verzekering 32 jaar voor het indienen van de klacht aangegaan en de einddatum van de verzekering was 12 jaar voordat een klacht aanhangig werd gemaakt. Consument heeft te lang gewacht met het indienen van zijn klacht en hiermee zijn mogelijke rechten verwerkt op grond van artikel 6:89 BW. Door het lange tijdsverloop beschikt Verzekeraar niet meer over een volledig dossier, waardoor hij is geschaad in zijn bewijspositie.
• Voor zover Verzekeraar kan nagaan, heeft Consument niet gereageerd althans geen contact opgenomen met Verzekeraar naar aanleiding van diens berichtgeving aan Consument in 2003 dat de onderhavige verzekering per 1 juni 2003 zou expireren.
• Het is ongeloofwaardig dat Consument geen advies heeft gehad van een financieel adviseur over de mogelijkheden met betrekking tot de uitkering van de verzekering. Het uitkeringsproces van de onderhavige verzekering liep immers synchroon met het uitkeringsproces van de verzekering met polisnummer [polisnr. 2].
• Op het polis blad staat vermeld dat de uitkering van de verzekering uitsluitend kan worden gebezigd als koopsom voor (een) lijfrente(n). Hieruit volgt dat het Consument op de hoogte was of had moeten zijn van de mogelijkheid om een lijfrenteverzekering af te sluiten. Consument wist dat op de uitkering uit de onderhavige verzekering een fiscale claim rustte.
• Consument stelt dat Verzekeraar in reactie op zijn vragen in zijn brief van 20 april/mei 2003 hem heeft laten weten dat hij bij afkoop het bedrag bij de fiscus zou moeten opgeven, maar er is geen bewijs van zijn stelling. Overigens zou deze reactie wel juist zijn geweest als antwoord op een zeer specifieke vraag van Consument. Verzekeraar heeft in één keer het gehele bedrag, zonder inhouding van de belasting, aan Consument overgemaakt. Consument heeft hiervoor moeten tekenen. Consument wist bij die gelegenheid in ieder geval dat er een fiscale claim rustte op de uitkering.
• De stelling van Consument dat Verzekeraar heeft gehandeld in strijd met zijn zorgplicht vindt geen steun in het dossier. Zo Consument ter zake al enig bewijs over zou kunnen leggen, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij door de door hem gestelde handelwijze van Verzekeraar schade heeft geleden.
• Ten onrechte stelt Consument dat op de onderhavige verzekering [Naam Land] recht van toepassing is.

4. Beoordeling

4.1 Op grond van artikel 1 lid 1 van de verzekeringsvoorwaarden dient het onderhavige geschil naar Nederlands recht te worden beoordeeld. Dat Consument wegens zijn verhuizing naar [Naam Land] mogelijk met een ander fiscaal regime te maken heeft (gehad), doet hieraan niet af.

4.2 Consument stelt onder meer dat hij op advies van Verzekeraar is overgegaan tot afkoop van de verzekering met polisnummer [polisnr. 1] en hij door navolging van dit advies schade heeft geleden.
Ingevolge artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RV) heeft als hoofdregel te gelden dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast draagt van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid of billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. De Commissie acht geen omstandigheden aanwezig op grond waarvan het redelijk en billijk zou zijn om af te wijken van deze hoofdregel.
Consument heeft zelfs niet een begin van bewijs overgelegd waaruit blijkt dat Verzekeraar hem heeft geadviseerd. De Commissie oordeelt vervolgens dat Consument niet slaagt in het bewijs van zijn stelling.

4.3 Verzekeraar beroept zich tot zijn verweer onder meer er op dat hij een door Consument ondertekend verzoek tot afkoop van de verzekering heeft ontvangen en op grond daarvan tot uitkering is overgegaan. Deze gang van zaken is door Consument niet weersproken. Verzekeraar heeft mogen afgaan op dit door Consument ondertekende uitkeringsverzoek. Er rustte op Verzekeraar in deze omstandigheden, handelend als intermediairmaatschappij, geen bijzondere zorgplicht om na ontvangst van een dergelijk verzoek bij Consument te verifiëren of hij daadwerkelijk tot afkoop wenst over te gaan, en wel te minder nu Consument tegelijkertijd een beslissing heeft genomen over de andere verzekering met polisnummer [polisnr. 2] en daarbij heeft gekozen voor een direct ingaande lijfrente. Daaruit blijkt dat Consument op de hoogte was van de mogelijkheid van het aankopen van een lijfrente.

4.4 Verzekeraar heeft in zijn brief van 29 december 2015 het door hem gemotiveerde standpunt ingenomen dat Consument, zo Verzekeraar al klachtwaardig handelen zou kunnen worden verweten, geen schade heeft geleden. Consument heeft vervolgens nagelaten zijn standpunt nader te onderbouwen door bijvoorbeeld stukken over te leggen waaruit de door hem gestelde gang van zaken blijkt.

4.5 De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat Verzekeraar zijn zorgplicht heeft geschonden en/of toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens Consument. De Commissie wijst de vordering van Consument daarom af.

4.6 Op grond van het voorgaande ziet de Commissie verder geen aanleiding zich uit te spreken over het door Verzekeraar gedane beroep op verjaring ex artikel 3:307 BW en rechtsverwerking ex artikel 6:89 BW.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vordering af.

De uitspraak heeft de vorm van een niet-bindend advies. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. U kunt de zaak nog wel aan de rechter voorleggen.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 46 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact