Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2018-480 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2018-480
(
Prof. mr. M.L. Hendrikse, voorzitter en mr. D.B. Holthinrichs, secretaris)

 

Klacht ontvangen op        : 11 mei 2017

Ingediend door               : Consument

Tegen                            : Achmea Schadeverzekeringen N.V., gevestigd te Tilburg, verder te noemen Verzekeraar

Datum uitspraak             : 2 augustus 2018

Aard uitspraak                : Bindend advies

 

Samenvatting

 

Consument heeft een aanrijding gehad met een verzekerde van Verzekeraar. Hij vordert op grond van artikel 6 WAM schadeloosstelling met betrekking tot de schade aan zijn voertuig en terugval in premiekorting. Daartoe beroept hij zich op de situatieschets in het door beide partijen getekende aanrijdingsformulier. De Commissie oordeelt dat aan de situatieschets voorbij dient te worden gegaan omdat deze de toedracht niet weergeeft. Nu op Consument de stelplicht en bewijslast rust en hij hieraan niet heeft voldaan, worden zijn vorderingen afgewezen.

  • Procesverloop 

 

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken met bijlagen:

 

  • de klachtbrief van Consument;
  • het verweerschrift van Verzekeraar;
  • de repliek van Consument;
  • de dupliek van Verzekeraar.

 

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies.

 

De Commissie stelt vast dat het niet nodig is de zaak mondeling te behandelen. De zaak kan daarom op grond van de stukken worden beslist.

 

  • Feiten 

 

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

 

    1. Consument heeft voor zijn auto een autoverzekering met WA-dekking bij [Naam financieel dienstverlener].

 

    1. Op 30 juni 2015, om circa 23:15 uur, is de vrouw van Consument op een ongelijkwaardige kruising betrokken geweest bij een verkeersongeval.
      Zijn auto is in botsing gekomen met de auto van een andere weggebruiker (hierna: ‘Tegenpartij’), die op een voorrangsweg reed. Het voertuig van Consument heeft schade opgelopen aan de linker voorzijde en het voertuig van Tegenpartij aan de rechter voorzijde.

 

    1. Ter gelegenheid van het ongeluk hebben Consument en Tegenpartij een aanrijdingsformulier (hierna: ‘Aanrijdingsformulier’) ingevuld en ondertekend. Daarop is een tweetal situatieschetsen getekend om de toedracht te beschrijven. Consument en Tegenpartij hebben bij de verschillende voorbedrukte situatiebeschrijvingen op het Aanrijdingsformulier echter geen kruisjes geplaatst om de weergave te verduidelijken. De twee getekende situatieschetsen op het formulier zijn als volgt:

 

 

    1. Op de achterzijde van het Aanrijdingsformulier dat Tegenpartij bij Verzekeraar heeft ingediend heeft Tegenpartij met dagtekening 2 juli 2015 omtrent de toedracht verklaard:

 

Aansprakelijkheid: Wie is naar uw mening aansprakelijk? Waarom meent u dat?

Bestuurder van auto B [Consument], aangezien deze bij het verlaten van een benzinestation de voorrangsweg op is gereden”

 

    1. Op het moment van het ongeluk passeerde een andere weggebruiker, die net als Tegenpartij ook op de voorrangsweg reed. Hij heeft zich als getuige (hierna: ‘Getuige’) gemeld.De Getuige heeft bij Verzekeraar omtrent de toedracht van het ongeluk verklaard:

 

Waar bevond u zich tijdens het ongeval?

Getuige: In mijn auto

 

Zag u het ongeluk gebeuren?

Getuige: ja en nee, in de binnenspiegel

 

Met welke snelheden werd er door betrokkenen gereden?

Getuige: voertuig Tegenpartij ca. 80 km/uur; voertuig ca. Consument 10 km/uur

 

Wie handelde volgens u foutief en waarop baseert u uw mening

Getuige: Consument gaf geen voorrang op mij en het voertuig van Tegenpartij

 

In welke relatie staat u tot betrokkenen?

Getuige: geen”

 

    1. Ook heeft Getuige een situatieschets gemaakt die er als volgt uitziet (Getuige=Ik; Tegenpartij=A en Consument=B):

 

 

    1. De verzekeraar van Consument heeft aansprakelijkheid erkend en Tegenpartij schadeloos gesteld. Daarna heeft deze verzekeraar een bonus-/malus-correctie toegepast, waardoor de premie van Consument overeenkomstig is verhoogd.

 

    1. De schade aan het voertuig van Consument is door een deskundige begroot op                           € 7.720,-.
    2. Consument heeft zich in deze kwestie rechtstreeks tot Verzekeraar, verzekeraar van Tegenpartij, gewend en heeft vervolgens een klacht bij Kifid aanhangig gemaakt.
  • Vordering, klacht en verweer

 

 

Vordering Consument

    1. Consument vordert schadevergoeding ten bedrage van € 10.000,-. Hij onderbouwt dit als volgt:
  • een vergoeding ter zake herstel van zijn auto ter hoogte van € 9.500,-;
  • een vergoeding voor de hogere te betalen premie van de autoverzekering, omdat zijn verzekeraar minder premiekorting toepast vanwege de bonus-/maluscorrectie;
  • vergoeding van de kosten van rechtsbijstand ter zake onderhavig geschil, ten bedrage van € 700,- (op grond van artikel 6:96 lid 2 BW).

 

Grondslagen en argumenten daarvoor

    1. Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag. Verzekeraar handelt onrechtmatig jegens Consument omdat hij ten onrechte niet de aansprakelijkheid van Tegenpartij voor het ongeluk heeft erkend. Ten onrechte is de aansprakelijkheid van Consument voor het ongeluk aangenomen, als gevolg waarvan de verzekeraar van Consument overging tot schadeloosstelling van Tegenpartij en verhoging van de premie. Het is echter Verzekeraar die gehouden is Consument schadeloos te stellen. Consument voert hiertoe de volgende argumenten aan.
  • Consument en Tegenpartij hebben gezamenlijk een Aanrijdingsformulier ingevuld en ondertekend. Op dit formulier hebben zij twee situatieschetsen getekend, waarvan de eerste als onjuist is doorgestreept. Dit schriftelijk formulier is door beide betrokkenen ondertekend, zodat het als onderhandse akte geldt. Op grond van artikel 157 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft dit tussen Consument en Tegenpartij dwingende bewijskracht, behoudens tegenbewijs. Onjuist is de lezing van Verzekeraar dat partijen aanvankelijk een eerste situatieschets hebben gemaakt en dat daarvoor is getekend, terwijl Consument vervolgens – zonder toestemming van Tegenpartij – de afwijkende tweede situatieschets heeft gemaakt. Verzekeraar draagt daarvan namelijk geen enkel bewijs aan.
  • Verzekeraar meent met de getuigenverklaring van Getuige tegenbewijs te hebben geleverd. Dit is echter niet het geval omdat de verklaring van de Getuige ongeloofwaardig is. Op de vraag of hij het ongeluk had zien gebeuren, antwoordde hij namelijk zowel bevestigend als ontkennend. Bovendien heeft de Getuige het ongeluk naar eigen zeggen vanuit zijn binnenspiegel zien gebeuren. Dit is te meer ongeloofwaardig, gezien de opgegeven snelheid van het voertuig van Tegenpartij (ca. 80 km/uur), dat het donker was, dat de Getuige voor Tegenpartij reed en het feit dat de Getuige op dat moment zelf ook een manoeuvre verrichtte (het inhalen van Tegenpartij).Ten slotte, uit de door Getuige opgegeven snelheid van het voertuig van Consument zou volgen dat dit voertuig vol in de zijkant zou zijn geraakt door de auto van Tegenpartij, hetgeen niet het geval is: de auto wordt linksvoor geraakt.
  • De tweede situatieschets in het door beide partijen ondertekende Aanrijdingsformulier is helder. Tegenpartij is niet binnen de rijstroken gebleven en heeft het voor de haaientanden (stil)staande voertuig van Consument geraakt. Consument is daarom slachtoffer. De latere lezing van Tegenpartij, dat het voortuig van Consument voorbij de haaientanden stond, is in strijd met het Aanrijdingsformulier dat Tegenpartij zelf heeft ondertekend en daarom ongeloofwaardig.
  • Aan het een en ander kan niet afdoen dat de eigen verzekeraar van Consument aansprakelijkheid van Consument heeft erkend voor het ongeluk. Dit is immers op kennelijk onjuiste gronden gebeurd.

 

 

Verweer Verzekeraar

    1. Verzekeraar heeft de stellingen van Consument gemotiveerd weersproken. Voor zover nodig zal de Commissie bij de beoordeling daarop ingaan.

 

  • Beoordeling 

 

    1. Consument is met Verzekeraar, de verzekeraar van Tegenpartij, verdeeld over de vraag wie aansprakelijk is voor het ongeluk van 30 juni 2015. De Commissie begrijpt de vordering van Consument in die zin dat hij op grond van artikel 6 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) schadeloosstelling verlangt van Verzekeraar. De Commissie dient hier daarom de vraag te beantwoorden of de Tegenpartij aansprakelijk is voor het ongeluk. In dat verband zal de Commissie hierna ingaan op de gestelde toedracht van het ongeluk.

 

    1. Ten behoeve van het vaststellen van de toedracht van het ongeluk van 30 juni 2015 dient in de eerste plaats te worden gekeken naar het Aanrijdingsformulier. Vaststaat immers dat Consument en Tegenpartij gezamenlijk een Aanrijdingsformulier hebben ingevuld. Hoewel dit formulier niet volledig is ingevuld – er zijn geen kruisjes geplaatst bij de situatiebeschrijvingen (zie alinea 2.3 hiervoor) – is wel een tweetal situatieschetsen getekend, waarvan er één is doorgekrast.

 

    1. De vraag is vervolgens welke conclusies aan het Aanrijdingsformulier kunnen worden verbonden. Consument stelt dat het Aanrijdingsformulier enkel de conclusie toelaat dat Tegenpartij verantwoordelijk is voor het ongeluk. Volgens hem geeft de tweede situatieschets de juiste situatie weer omdat de eerste is doorgekrast en daardoor niet van toepassing is. De tweede situatieschets rechtvaardigt volgens Consument de conclusie dat Consument ten tijde van het ongeluk stilstond voor de haaientanden terwijl Tegenpartij buiten de rijstroken is getreden en op de weghelft van Consument is geraakt.
      Verzekeraar heeft dit betwist en gesteld dat de tweede situatieschets zonder medewerking van Tegenpartij is opgetekend, terwijl de eerste, doorgekraste, situatieschets de juiste weergave is. Volgens Verzekeraar moet daarom aan de tweede situatieschets voorbij worden gegaan.

 

    1. De Commissie stelt vast dat geen van beide situatieschetsen een duidelijke en betrouwbare weergave biedt van de toedracht van het ongeluk. Voorop dient te worden gesteld dat het Aanrijdingsformulier reeds aan duidelijkheid inboet omdat de toedracht niet is toegelicht door aankruising van de voorbedrukte toepasselijke situatiebeschrijvingen. Weliswaar zou kunnen worden gesteld dat de tweede situatieschets – anders dan de eerste variant – gezien de schuine positionering van het voertuig van Tegenpartij, er eerder op duidt dat Tegenpartij verantwoordelijk is voor het ongeluk. Deze situatieschets biedt echter geen uitsluitsel omdat er niet uit blijkt waar de voertuigen in botsing zijn gekomen. Op de schets bevinden beide voertuigen zich immers op hun eigen weghelften. Daarom kan op basis van die schets niet worden bepaald of op het moment van aanrijding Consument zich (ten onrechte) op de weghelft van Tegenpartij bevond of dat Tegenpartij zich (ten onrechte) op de weghelft van Consument bevond. Wordt, in weerwil van de stellingen van Consument, uitgegaan van de eerste, doorgekraste, situatieschets, dan geldt eveneens dat niet duidelijk wordt dat een botsing heeft plaatsgevonden. In deze schets kan niet goed worden bepaald of het voertuig van Consument zich op of over de haaientanden bevindt. De Commissie concludeert hier daarom dat aan beide situatieschetsen voorbij dient te worden gegaan.

 

  • De stelling van Consument dat Tegenpartij verantwoordelijk en aansprakelijk is voor het ongeluk wordt verder niet gesteund door verklaringen van getuigen of andere bewijsmiddelen. Daar staat tegenover dat Verzekeraar zich ter afwering van de aansprakelijkstelling beroept op de verklaring van Tegenpartij bij het Aanrijdingsformulier en op een verklaring van de Getuige. Daargelaten of de verklaring van Getuige een betrouwbare weergave is van de toedracht van het ongeluk, geldt dat Verzekeraar de stellingen van Consument gemotiveerd betwist. Daarmee rust op grond van artikel 150 Wetboek van Rechtsvordering (Rv) op Consument de bewijslast van zijn stelling dat Tegenpartij aansprakelijk is voor het ongeluk. Nu Consument geen bewijs heeft aangedragen of aangeboden, stelt de Commissie vast dat Consument hier niet in is geslaagd.

 

 

    1. De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat Verzekeraar op grond van artikel 6 WAM jegens Consument tot uitkering is gehouden. De Commissie wijst de vordering van Consument daarom af.
  • Beslissing

 

 

De Commissie wijst de vordering af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld.

 

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 40 van het Reglement.

 

 

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact