Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2018-577

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2018-577
(
mr. R.J. Paris, voorzitter en mr. R.E. van Lambalgen, secretaris)

Klacht ontvangen op        : 16 januari 2018

Ingediend door               : Consument

Tegen                            : International Card Services B.V., gevestigd te Diemen, verder te noemen de Bank

Datum uitspraak             : 12 september 2018

Aard uitspraak                : Niet-bindend advies

Samenvatting

 

Anders dan Consument stelt, heeft de Bank geen incassokosten in rekening gebracht en dus ook niet het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten geschonden. Dit wordt niet anders door het feit dat het contact tussen Consument en de Bank via “[Naam onderneming]” verliep en dat “[Naam onderneming]” zich als incassobureau zou hebben gepresenteerd.

 

  1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

 

  • de klachtbrief van Consument met bijlagen,
  • het verweerschrift van de Bank,
  • de repliek van Consument en
  • de dupliek van de Bank.

 

De Commissie stelt vast dat Consument heeft gekozen voor een niet-bindend advies. De uitspraak is daardoor niet-bindend.

 

De Commissie stelt vast dat het niet nodig is de zaak mondeling te behandelen. De zaak kan daarom op grond van de stukken worden beslist.

  1. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

 

  • Consument heeft sinds 2012 een ABN AMRO Mastercard Gold Card van de Bank met daarop een doorlopende kredietfaciliteit en een limiet van € 6.250,-.

 

  • Op 4 juli 2017 heeft de Bank Consument gesommeerd om – wegens een betalingsachterstand van vier maanden – het volledige openstaande kredietbedrag van € 6.002,09 te voldoen. Het contact tussen Consument en de Bank verliep via de interne incasso-afdeling van de Bank (handelend onder de naam “[Naam onderneming]”).
  • Op 11 juli 2017 is er een betalingsregeling overeengekomen tussen Consument en de Bank.

 

  • Op 29 november 2017 stuurt de Bank Consument het volgende overzicht:

 

“De vordering is als volgt gespecificeerd:

€ 6.002,09       Hoofdsom per 4 juli 2017

€ 0,00             Incassokosten

€ 0,00             Kosten deurwaarder

€ 0,00             Boete Credit Card

€ 321,22         Rente 14,00% effectief per jaar

€ 600,00         Ontvangen betalingen

€5.723,31       Restant Totaal”

 

  • Op de overeenkomst tussen Consument en de Bank met betrekking tot de ABN AMRO Mastercard Gold zijn de algemene voorwaarden van toepassing. Artikel 21.2 van de algemene voorwaarden luidt, voor zover relevant, als volgt:

 

“21.2. De rente wordt als volgt berekend:

(a) (…)

(b) de rente wordt per dag berekend (zodat het rentebedrag per maand kan verschillen afhankelijk van het aantal dagen in de maand) en is gelijk aan de wettelijke rente voor niet-handelstransacties (deze rente is te vinden op www.wetten.overheid.nl met zoekopdracht ‘Besluit wettelijke rente’) vermeerderd met het maximale aantal procentpunten zoals opgenomen in het Besluit kredietvergoeding (artikel 4) welk Besluit ook te vinden is op www.wetten.overheid.nl. De hoogte van de rente staat vermeld op het rekeningoverzicht (als er rente in rekening gebracht wordt). Wij mogen een lagere rente in rekening brengen.

(c) (…)”

  1. Vordering, klacht en verweer

 

Vordering Consument

  • Consument vordert dat de Bank veroordeeld wordt om hem niet meer dan € 840,- in rekening te brengen.

 

Grondslagen en argumenten daarvoor

  • Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag. [Naam onderneming] presenteert zich als een incassobureau en dient zich dan ook aan de incassowetgeving te houden. Door 14% rente in rekening te brengen heeft de Bank in strijd met de incassowetgeving gehandeld. Op grond van de incassowetgeving mag er namelijk niet meer dan € 840,- in rekening worden gebracht.

Verweer van de Bank

  • De Bank heeft de stellingen van Consument gemotiveerd weersproken. Voor zover nodig zal de Commissie bij de beoordeling daarop ingaan.
  1. Beoordeling

 

  • Heeft de Bank terecht 14% rente in rekening gebracht? De Commissie is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Hieronder zal dit worden toegelicht.

 

  • De Commissie overweegt allereerst dat dit rentepercentage in lijn is met de algemene voorwaarden en met de toepasselijke regelgeving.
    • Op grond van artikel 21.2 sub b van de algemene voorwaarden is de rente namelijk gelijk aan de wettelijke rente (zoals opgenomen in het Besluit wettelijke rente) vermeerderd met het maximale aantal procentpunten (zoals opgenomen in artikel 4 van het Besluit kredietvergoeding).
    • Artikel 1 van het Besluit wettelijke rente luidt: “De wettelijke rente als bedoeld in artikel 119 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, wordt vastgesteld op twee procent per jaar.”.
    • Artikel 4 van het Besluit kredietvergoeding luidt: “Voor de berekening van de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding bij regelmatige afwikkeling geldt de wettelijke rente verhoogd met 12 procentpunten als het ten hoogste toegelaten effectieve kredietvergoedingspercentage op jaarbasis.”.

Op grond van deze bepalingen is het toegestaan dat de Bank een rente van 14% in rekening brengt. Twee procent vermeerderd met 12 procentpunten komt immers uit op een percentage van 14.

 

  • Voorts kan de Commissie Consument niet volgen in zijn stelling dat de Bank – door 14% rente in rekening te brengen – de incassowetgeving heeft geschonden. De Commissie stelt allereerst vast dat Consument niet nader toelicht wat hij onder “incassowetgeving” verstaat. Voor zover Consument met de “incassowetgeving” doelt op het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: “het Besluit”), overweegt de Commissie als volgt. In de eerste plaats bevat het Besluit weliswaar maxima voor de incassokosten die een bank in rekening mag brengen, maar in het onderhavige geval zijn er geen incassokosten in rekening gebracht. Zoals de Bank in haar verweerschrift en dupliek heeft toegelicht, mag een bank bij consumentenkrediet geen buitengerechtelijke incassokosten in rekening brengen. De Bank heeft dit dan ook niet gedaan. In de tweede plaats bepaalt het Besluit niets over de rente die in rekening mag worden gebracht. Door 14% rente in rekening te brengen, heeft de Bank dan ook niet het Besluit geschonden.

 

  • Dit wordt niet anders door het feit dat het contact tussen Consument en de Bank via “[Naam onderneming]” verliep en dat “[Naam onderneming]” zich als incassobureau zou hebben gepresenteerd. Of het Besluit van toepassing is, hangt immers niet af van de vraag of de incasso-afdeling van de Bank zich als incassobureau presenteert, maar van de vraag of de Bank incassokosten in rekening heeft gebracht. En dit laatste is – zoals hierboven overwogen – niet het geval.

 

  • Gelet op een en ander dient de vordering van Consument te worden afgewezen.
  1. Beslissing

 

De Commissie wijst de vordering af.

 

De uitspraak heeft de vorm van een niet-bindend advies. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. U kunt de zaak nog wel aan de rechter voorleggen.

 

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 40 van het Reglement.

 

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact