Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2018-639

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2018-639
(
mr. R.J. Paris, voorzitter en mr. M. Veldhuis, secretaris)

 

Klacht ontvangen op        : 10 februari 2017

Ingediend door               : Consument

Tegen                            : ABN AMRO Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, verder te noemen de Bank

Datum uitspraak             : 15 oktober 2018

Aard uitspraak                : Niet-bindend advies

 

Samenvatting

 

Kifid heeft een klacht tussen Consument en de Bank in behandeling gehad onder kenmerk GC [nummer]. Tussen partijen is onenigheid ontstaan over de uitvoering van een in deze procedure getroffen schikking. De Commissie heeft geoordeeld dat Consument niet heeft mogen verwachten dat het door hem geaccepteerde voorstel van 31 maart 2016 gelijk was aan het voorstel van
16 april 2015. De Bank is enkel gehouden het voorstel van 31 maart 2016 uit te voeren. De Commissie oordeelt tevens dat Consument onvoldoende heeft gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat de Bank geen (correcte) uitvoering heeft gegeven aan de tussen partijen getroffen schikking. De vordering wordt afgewezen.

 

  1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken met bijbehorende bijlagen:

 

  • de stukken uit dossier [nummer];
  • de klachtbrief van Consument;
  • de brieven van Consument van 6 maart 2017, 12 juni 2017 en 9 juli 2017;
  • het verweerschrift van de Bank;
  • de repliek van Consument;
  • de dupliek van de Bank;
  • de brief van Consument van 1 februari 2018;
  • de verklaring van Consument met diens keuze voor een niet-bindend advies.

 

De Commissie stelt vast dat Consument heeft gekozen voor een niet-bindend advies. De uitspraak is daardoor niet-bindend.

 

De Commissie stelt vast dat het niet nodig is de zaak mondeling te behandelen. De zaak kan daarom op grond van de stukken worden beslist.

 

  1. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

 

  • Kifid heeft een klacht tussen Consument en de Bank in behandeling gehad onder kenmerk GC [nummer]. Consument beklaagde zich over het feit dat de Bank zijn extra stortingen van december 2013 op zijn bankspaarrekeningen ten onrechte heeft teruggestort. In de procedure bij Kifid heeft de Bank Consument op 16 april 2015 een voorstel gedaan. In de e-mail van de Bank van 16 april 2015 is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

    In bijlage vindt u de offerte voor de inkorting van de geldlening en de gekoppelde bankspaarrekeningen naar 20 jaar. In de offerte staan gewijzigde maandbedragen. Deze maandbedragen zullen weer naar beneden toe worden bijgesteld na het storten van de
    EUR 20.000 per bankspaarrekening.

    De bank is uitgegaan van de wens van [Naam Consument] om per bankrekening EUR 10.000 bij te storten in het fiscaal jaar l mei 2013 tot 1 mei 2014 en een storting van EUR 10.000 in het fiscaal jaar 1 mei 2014 tot 1 mei 2015. De vergelijkingen, om te bepalen of er schade is, die de bank heeft gemaakt hebben deze wens als uitgangspunt gehad.

    Om een storting in december 2013 mogelijk te maken, had voorafgaand aan de storting de looptijd moeten worden ingekort. De bank heeft hierbij gekozen voor het in één keer inkorten van de looptijd naar 20 jaar. Aangezien een dergelijke wijziging kosten met zich meebrengt en, zoals gebleken, ook niet van de een op de andere dag is geregeld. De bank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat normaal gesproken een dergelijke wijziging adviesplichtig is dan wel dat de aanvrager hiervoor eerst een Kennis- en Ervaringstoets dient af te leggen. De reden hiervoor is evident, een inkorting kan mogelijk verstrekkende (fiscale) gevolgen hebben. Teneinde nog meer vertraging en kosten te voorkomen, heeft de bank in dit geval ervoor gekozen om hiervan af te wijken.

    Het extra storten, met gelijkblijven van de premie, en het niet inkorten van de bankspaarrekeningen en de geldleningen is niet mogelijk. Het is voor de bank immers namelijk niet meer mogelijk om adequaat zicht te houden op het blijven voldoen aan de door fiscus gestelde bandbreedte eis.

    Voor de berekening gaan ervan uit dat de looptijd per 1 december 2013 was ingekort naar een looptijd van 20 jaar.

    Het inlegverloop van de rekeningen had er dan als volgt uitgezien:
    1 mei 2012 tot 1 december 2013 EUR 113,80
    1 december 2013 tot 1 februari 2014           EUR 255,45 (als gevolg van de kortere looptijd)
    1 februari 2014 tot 1 februari 2015 EUR 182,93 (als gevolg van de extra storting van
    EUR 10.000,00 d.d. 31 december 2013)
    1 februari 2015 tot heden EUR 107,95 (als gevolg van de extra storting van EUR 10.000,00
    d. 31 december 2014)

    Bij de extra stortingen ben ik uitgegaan van een herberekening van de inleg per
    1 februari aangezien het gezien de ontvangstdatum van de stortingen niet aannemelijk is dat deze voor 1 januari bestemd hadden kunnen worden. Uiteraard heb ik wel rekening gehouden met een rentevergoeding over de extra stortingen vanaf 31 december.

    Dit verloop zou betekenen dat er per 1 april 2015 een opgebouwde waarde zou zijn geweest van EUR 26.302,14 en een bandbreedte van 1:9,25.

    Bovenstaande is echter niet meer mogelijk. Wel kan er nog een storting van EUR 10.000 worden toegerekend aan het fiscaal jaar 1 mei 2014 tot 1 mei 2015 en een storting van EUR 10.000 aan het fiscaal jaar 1 mei 2015 tot 1 mei 2016. Indien de bank deze stortingen zonder rentecorrectie zou verwerken, dan zou de situatie er (ongeveer) als volgt gaan uitzien:

    Storting EUR 20.000,00, waarvan EUR 10.000,00 zal worden toegekend aan het rekeningjaar
    1 mei 2014 tot 1 mei 2015 en EUR 10.000,00 aan het rekeningjaar 1 mei 2015 tot
    1 mei 2016, zonder rekening te houden met rentecorrectie:
    De inleg wordt dan per 1 mei 2015 circa EUR 123,00, waarmee een benutte bandbreedte ontstaat van 1:8,3.

    Wanneer er wel een rentecorrectie wordt toegepast, dan zal de situatie er (ongeveer) als volgt uitzien:

    Storting EUR 20.000,00, waarvan EUR 10,000,00 zal worden toegekend aan het rekeningjaar
    1 mei 2014 tot 1 mei 2015 en EUR 10.000,00 aan het rekeningjaar 1 mei 2015 tot
    1 mei 2016, rekening houdend met rentecorrectie:
    Hierbij ben ik voor de rentecorrectie uitsluitend uitgegaan van een correctie over de
    EUR 10.000,00 die per 31-12-2013 is gestort en ook over de tweede EUR 10.000,00 die per
    31-12-2014 is gestort. De rentecorrectie bedraagt in dat geval EUR 843,36 (o.b.v. samengestelde rente over de periode 31 december 2013 tot 1 april 2015). De inleg wordt dan per 1 mei 2015 circa EUR 116,62, waarmee een benutte bandbreedte ontstaat van 1:8,6.

    Bovenstaande berekeningen zijn op beide rekeningen van toepassing en gelden per bankspaarrekening. Bij al deze berekening(en) gaan wij ervan uit dat:
    – De storting in april bestemd kan worden, zodat de inleg per 1 mei 2015 wordt herberekend
    – De extra storting op 1 april 2015 op de daarvoor bestemde tussenrekening is bijgeschreven
    – Cliënt niet extra op de Bankspaar Hypotheek aflost
    – De rentevergoeding van de Bankspaar Hypotheek 5,45% blijft
    – De berekende rentecorrectie bovenop de extra storting in de rekening geboekt zal worden

    Afwijkingen op bovenstaande kunnen gevolgen hebben voor:
    – de nieuw berekende periodieke inleg
    – de nieuw berekende benutte bandbreedte
    – de berekende rentecorrectie over de extra stortingen

    De bank gaat ervan uit dat [Naam Consument] inziet dat hij geen schade lijdt door het accepteren van het voorstel van de bank en er voor zorgt dat de getekende offerte voor
    1 mei 2015 is geretourneerd en de benodigde extra stortingen ook voor 1 mei 2015 op de tussenrekening staan. De bank merkt op dat er op dit moment al een bedrag ad EUR 20.000 op de tussenrekening staat geparkeerd, welk bedrag kan worden doorgestort na het inkorten van de bankspaarrekeningen en de gekoppelde geldleningen.

  • Bij brief van 25 april 2015 heeft Consument aangegeven niet akkoord te gaan met dit voorstel.
  • Op 8 september 2015 heeft een zitting plaatsgevonden bij de Ombudsman Financiële Dienstverlening. Na de zitting heeft de Bank Consument verschillende voorstellen gedaan, onder meer bij e-mail van 28 december 2015:

    De bank betreurt het dat er tijdens de comparitie bij [Consument] blijkbaar een verkeerde indruk is gewekt. [Naam medewerker Bank] ontkent dat er tijdens de comparitie overeenstemming is bereikt over de wijze van berekening. [Naam medewerker Bank] heeft hier een kanttekening bij geplaatst en aangegeven dat hij de consequenties van de voorgestelde berekeningen niet kon overzien. Hierom zou er ook nog een uitgewerkt voorstel op papier komen.

    De bank heeft haar bezwaren tegen de berekeningsmethodiek die de Ombudsman voor stond uitgebreid toegelicht. Zij is van mening dat, gelet op deze onderbouwing, in redelijkheid niet van haar kan worden verwacht dat zij een berekeningsmethodiek hanteert die tot een onjuiste schadeberekening leidt en bovendien kan leiden tot een overschrijding van de bandbreedte.

    Wel is de bank, voor de laatste keer, bereid haar voorstel ietwat aan te passen. Zij is bereid om omstreeks mei 2016 een soortgelijk voorstel te doen als zij afgelopen jaar heeft gedaan (twee gelijktijdige stortingen die in twee opvolgende jaren worden verwerkt). Coulancehalve zal zij dan de rentevergoeding berekenen tot het moment van daadwerkelijke storting. Indien [Consument] hier akkoord mee gaat, zal zij berekeningen laten maken om inzichtelijk te maken hoe het plaatje er dan uit komt te zien.
    Daarna zal er dan kort voor de daadwerkelijke stortingen een inkortingsofferte worden uitgebracht. De bank merkt alvast op dat de tweede storting niet eerder dan mei 2016 hoeft te worden overgemaakt. Indien [Consument] een extra storting doet, zal dit bedrag worden teruggestort.

  • Partijen hebben tussen januari en maart 2016 veelvuldig gecommuniceerd over een mogelijke oplossing. Bij e-mail van 31 maart 2016 heeft de Bank Consument opnieuw een voorstel gedaan:

    De bank heeft haar indicatieve (handmatige) berekening wederom aangepast (bijlage). Nu dusdanig dat [Consument] over de gehele looptijd minder betaalt dan in zijn rekenvoorbeeld aangegeven. Om dit te bereiken verhoogt de bank de te storten vergoeding tot twee maal
    EUR 1.250 per bankspaarrekening. De nieuwe premie daalt daardoor naar 113,83 per maand.

    De bank merkt op dat zij dit doet in een laatste poging dit geschil in de minnelijke fase op te lossen. De bank blijft immers van mening dat de gebruikte vergelijking niet opgaat aangezien het, gelet op de wensen die [Consument] destijds had, niet voor de hand heeft gelegen dat op dat moment de bankspaarrekening zou zijn ingekort tot 20 jaar onder betaling van een (veel) hogere maandlast. Daarnaast wijst de bank er nogmaals op dat de storting destijds terecht niet is geaccepteerd, omdat de storting (zonder inkorting van de geldlening en bij gelijkblijvende premie) niet binnen de bandbreedte paste.
    (…)
    Indien [Consument] akkoord gaat met het voorstel dan zal de bank de benodigde offertes gaan opvragen, waarna de inkorting en de storting in gang kunnen worden gezet.

  • Bij brief van 4 april 2016 heeft Consument het voorstel van de Bank van 31 maart 2016 geaccepteerd. Consument heeft eind mei 2016 de door de Bank toegezonden hypotheekofferte ondertekend.
  • Bij e-mail van 8 juni 2016 heeft de Bank het volgende aan Kifid medegedeeld:

    Zoals zojuist besproken vindt u hieronder de stortingsinstructie voor [Consument]. Teneinde de aangeboden en geaccepteerde oplossing te kunnen uitvoeren dient [Consument] twee keer
    EUR 10.000 te storten volgens de volgende instructie:

    Eén storting ad EUR 10.000 op [rekeningnummer] o.v.v. ‘extra premiestorting’ leningnummer […] boekjaar 2016-2017

    Eén storting ad EUR 10.000 op [rekeningnummer] o.v.v. ‘extra premiestorting’ leningnummer […] boekjaar 2016-2017
    De bank zal zorgdragen voor het doorstorten van de twee keer EUR 10.000 die in een eerder stadium zijn gestort en zij zal ook de toegezegde rente vergoeding (2 x EUR 1.300) storten. Vervolgens zal zij nog een bedrag ad EUR 150 overmaken naar de rekening van cliënt in verband met de administratiekosten.

    De bank verzoekt [Consument] haar te berichten wanneer hij de bedragen heeft overgemaakt, zodat zij er tijdig zorg voor kan dragen dat deze bedragen ook juist worden bestemd.

  • De Bank heeft bij e-mail van 29 juni 2016 het volgende aan Kifid medegedeeld:

    In opgemelde kwestie kan ik melden dat de stortingen inmiddels zijn verricht met valutadatum 1-6-2016. Door het verwerken van deze stortingen, is er voor de maand juni 2016 wel een hoger premiebedrag in rekening gebracht dan in de berekeningen is opgenomen. Dit heeft de bank laten corrigeren en het verschil, 2 x € 177,23 = € 354,46, is terugbetaald naar het incassonummer […].

    De nieuwe maandpremie wordt, zoals ook uit de eerdere berekeningen blijkt, EUR 113,84.
    Na 1 juli zal [Consument] de nieuwe spaarcertificaten ontvangen.

    Tevens zal de bank vandaag twee keer EUR 150 overmaken aan [Consument] als compensatie voor de wijzigingskosten. De gaat ervan uit dat de zaak hiermee is afgerond en het dossier kan worden gesloten.

  • De Bank heeft bij brief van 1 juli 2016 het volgende aan Consument medegedeeld:

    Met rentedatum 1 juni 2016 hebben wij op uw beide bankspaarrekeningen met nummers […] en […] een bedrag van EUR 22.600,00 verwerkt als extra inleg.

    Op beide spaarrekeningen is een bedrag van EUR 11.300,00 toegekend aan het spaarjaar dat loopt van 1 mei 2015 tot 1 mei 2016. Het andere bedrag van EUR 11.300,00 is toegekend aan het spaarjaar dat loopt van 1 mei 2016 tot 1 mei 2017. De spaarrekeningen blijven hiermee voldoen aan de fiscale regelgeving voor dit product.

    De maandelijkse inleg bedraagt met ingang van 1 juni 2016 op beide spaarrekeningen
    EUR 113,84. Over de maand juni 2016 bent u belast voor een inleg van EUR 291,07. Dat is per spaarrekening EUR 177,23 te veel. Wij hebben het te veel betaalde bedrag van 2 x EUR 177,23 = EUR 354,46 aan u terugbetaald.
    (…)

  • De klacht onder kenmerk GC [nummer] is op 29 juli 2016 gesloten.
  • Consument heeft bij brieven van 11 juni 2016, 10 juli 2016 en 13 augustus 2016 aan Kifid medegedeeld dat de Bank het voorstel mogelijk niet correct uitvoert.
  • Bij e-mail van 17 augustus 2016 heeft de Bank medegedeeld dat het voorstel conform de gemaakte afspraken is uitgevoerd.
  • Op 15 december 2016 heeft Consument een klacht bij Kifid ingediend over de uitvoering van de getroffen schikking.
  1. Vordering, klacht en verweer

 

Vordering Consument

  • Consument vordert nakoming van het voorstel van 28 december 2015.

Grondslagen en argumenten daarvoor

  • Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag. De Bank is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen uit een overeenkomst. Consument voert hiertoe de volgende argumenten aan.
  • De Bank heeft Consument bij e-mail van 28 december 2015 een voorstel gedaan dat gelijk zou moeten zijn aan een eerder voorstel van 16 april 2015. Het voorstel van 16 april 2015 dient derhalve als uitgangspunt te worden genomen. Het nieuwe voorstel blijkt niet gelijk te zijn aan het voorstel van 16 april 2015 en daarnaast wordt het voorstel niet uitgevoerd zoals toegezegd. De Bank heeft toegezegd dat zij een bedrag van € 1.300,- zou storten, maar zij heeft slechts € 1.250 gestort. Wanneer de Bank het voorstel niet uitvoert zoals overeengekomen (gelijk aan het voorstel van 16 april 2015), stelt Consument zich op het standpunt dat er geen schikking tot stand is gekomen.

 

Verweer van de Bank

  • De Bank heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
  • Consument heeft de klacht eerder bij Kifid ingediend. In deze procedure hebben partijen een schikking getroffen. De klacht ziet op exact hetzelfde feitencomplex en is derhalve niet behandelbaar op grond van artikel 9.2.a van het Reglement Ombudsman en Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (hierna: ‘het Reglement’). Daarnaast ziet de klacht van Consument op de uitvoering van de tussen partijen getroffen schikking. Dit is geen financiële dienst in de zin van het Reglement.
  • De Bank heeft op correcte wijze uitvoering gegeven aan hetgeen tussen partijen is overeengekomen. De Bank heeft per bankspaarrekening tweemaal € 11.300,- gestort. Het betreft hier de door Consument gewenste storting van € 10.000,- plus de schadevergoeding van € 1.300,-. Het verwijt van Consument dat tweemaal € 1.250,- in plaats van € 1.300,- op de bankspaarrekeningen zou zijn gestort, is onterecht. Consument kent in zijn berekeningen de storting van € 1.250,- toe aan 1 mei 2016. De Bank heeft de stortingen toegekend aan rentedatum 1 juni 2016. Dit verklaart het verschil tussen de berekening van Consument en van de Bank. In de berekening van Consument genereert het bedrag namelijk één maand meer rente.
  • Consument stelt dat het aanbod van 16 april 2015 gunstiger zou zijn dan het aanbod dat hij heeft geaccepteerd. De Bank heeft Consument verschillende voorstellen gedaan, welke Consument telkens om hem moverende redenen heeft afgewezen. Ook het aanbod van
    16 april 2015 heeft Consument niet geaccepteerd. Het is, gelet op de schikking die tussen partijen is getroffen, niet mogelijk alsnog gebruik te maken van dit aanbod.

 

  1. Beoordeling

 

  • Het geschil spitst zich toe op de vraag of de Bank een correcte uitvoering heeft gegeven aan de tussen partijen getroffen schikking. De Commissie zal zich in haar beoordeling beperken tot die vraag en zal de oorspronkelijke klacht (kenmerk GC [nummer]) niet beoordelen.

    Behandelbaarheid

  • Voordat de vordering van Consument inhoudelijk kan worden beoordeeld, dient aan de hand van het Reglement te worden nagegaan of de Commissie de klacht van Consument in behandeling kan nemen. De Bank heeft aangevoerd dat de klacht niet-behandelbaar moet worden verklaard, omdat de klacht reeds door Kifid is behandeld en de klacht niet ziet op een financiële dienst.
  • De Commissie kan, volgens het bepaalde in artikel 9.1 van het Reglement, uitsluitend oordelen over klachten van Consumenten over financiële diensten tegen Aangeslotenen. Daarnaast behandelt de Commissie op grond van artikel 9.2a van het Reglement geen klachten die reeds door Kifid zijn behandeld.
  • De Commissie is van oordeel dat de klacht over de uitvoering van de tussen partijen getroffen schikking behandelbaar is, nu de klacht gelieerd is aan een financiële dienst in de zin van artikel 9.1 van het Reglement. Daarnaast wijkt de klacht inhoudelijk af van de oorspronkelijke klacht met kenmerk [nummer], de klacht ziet namelijk op de uitvoering van de getroffen schikking. De klacht dient derhalve als nieuwe klacht te worden aangemerkt en is op grond hiervan behandelbaar.

    Uitvoering voorstel

  • Consument stelt zich op het standpunt dat het voorstel van de Bank gelijk zou moeten zijn aan het voorstel van 16 april 2015 en dat de Bank het voorstel niet heeft uitgevoerd zoals partijen zijn overeengekomen.
  • Allereerst stelt de Commissie vast dat Consument het voorstel van de Bank van
    16 april 2015 om hem moverende redenen niet heeft geaccepteerd. Dat betekent dat het voorstel is komen te vervallen en Consument daar in rechte geen beroep meer op kan doen. Voorts stelt de Bank in haar voorstel van 28 december 2015, waarvan het uiteindelijk door Consument geaccepteerde voorstel van 31 maart 2016 een nadere uitwerking is, dat zij bereid is in mei 2016 een soortgelijk voorstel als van 16 april 2015 te doen. Hiermee heeft de Bank aangegeven dat het voorstel overeenkomsten zal hebben met het voorstel van 16 april 2015, maar dat het niet volledig gelijk zal zijn. Daarnaast heeft de Bank haar voorstel bij e-mail van 31 maart 2016 nader uitgewerkt en berekeningen hiervan aan Consument toegezonden. Hier is Consument mee akkoord gegaan. Consument heeft derhalve niet mogen verwachten dat het door hem geaccepteerde voorstel van 31 maart 2016 gelijk was aan het voorstel van 16 april 2015 en de Bank is enkel gehouden het voorstel van 31 maart 2016 uit te voeren.
  • Voorts stelt Consument dat de Bank in plaats van de overeengekomen € 1.300,-, tweemaal € 1.250,- op de bankspaarrekeningen heeft gestort. Ter onderbouwing hiervan heeft Consument berekeningen overgelegd. De Bank heeft de stelling en berekeningen van Consument gemotiveerd betwist aan de hand van eigen berekeningen en door te stellen dat Consument in zijn berekeningen de stortingen aan een onjuiste rentedatum heeft toegekend. Consument heeft de berekeningen en toelichting van de Bank niet weerlegd. Consument heeft derhalve onvoldoende gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat de Bank geen (correcte) uitvoering heeft gegeven aan de tussen partijen getroffen schikking.
  • Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wordt de vordering van Consument afgewezen.
  1. Beslissing

 

De Commissie wijst de vordering af.

 

De uitspraak heeft de vorm van een niet-bindend advies. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. U kunt de zaak nog wel aan de rechter voorleggen.

 

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 46 van het Reglement.

 

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact