Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2018-685

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2018-685
(
prof. mr. M.L. Hendrikse, voorzitter en mr. D.P. van Strien, secretaris)

 

Klacht ontvangen op        : 6 april 2018

Ingediend door               : Consument

Tegen                            : SRLEV N.V., gevestigd te Alkmaar, verder te noemen Verzekeraar

Datum uitspraak             : 31 oktober 2018

Aard uitspraak                : Niet-bindend advies

 

Samenvatting

 

Consument heeft zijn vorderingen uit hoofde van de Lijfrente aan de Bank overgedragen. Op grond van artikel 3:83 lid 2 BW kunnen de schuldenaar en de schuldeiser de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht met een tussen hen geldend beding uitsluiten. Het is afhankelijk van de manier waarop het beding is opgesteld, of deze uitsluiting leidt tot een daadwerkelijke niet-overdraagbaarheid, die ook werkt tegenover derden (zoals de Bank) of dat de niet- overdraagbaarheid alleen tussen de (doorgaans) twee contracterende partijen geldt. Uitgangspunt daarbij is dat een niet-overdraagbaarheidsbeding niet tegen derden geldt, tenzij uit de manier waarop het beding is opgesteld blijkt, dat dit wel zo bedoeld is (HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682). Artikel 7 van de Voorwaarden is zo geformuleerd, dat dit beding niet tegenover derden geldt. Om dat te bereiken, had Verzekeraar woorden als “het is niet mogelijk”, of “het is onmogelijk” moeten gebruiken, in plaats van het gebruikte “het is niet toegestaan”
(Rb. Oost-Brabant 15 april 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:2179, onder nummer 4.8). Omdat sprake is van een alleen tussen de Verzekeraar en Consument geldende regel, die niet jegens derden als de Bank geldt, heeft Consument de vorderingen uit de Lijfrente aan de Bank kunnen overdragen.

  • Procesverloop

 

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken en de daarbij behorende bijlagen:

 

  • het door Consument ingediende klachtformulier;
  • het verweerschrift van Verzekeraar;
  • de reactie van Consument op dit verweer; en
  • de dupliek van Verzekeraar.

De Commissie stelt vast dat Consument heeft gekozen voor een niet-bindend advies. De uitspraak is daardoor niet-bindend.

 

De Commissie is van oordeel dat het niet nodig is de zaak mondeling te behandelen. De zaak zal daarom op grond van de stukken worden beslist.

  • Feiten

 

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

      1. Consument heeft bij een rechtsvoorganger van Verzekeraar een levensverzekering afgesloten, met ingangsdatum 1 april 1987 en einddatum 1 april 2004 (hierna: ‘de Verzekering’). Verzekerd was een uitkering van NLG 394.372 bij leven op de einddatum, of bij overlijden voor de einddatum. Op de Verzekering was bij leven een lijfrenteclausule van toepassing.
      2. Op 9 december 2004 is in opdracht van Rabobank [Plaatsnaam 1] en op grond van een op
        3 november 2004 uitgesproken verstekvonnis, ten laste van Consument executoriaal beslag gelegd onder Verzekeraar, voor een bedrag van € 536.809,37. Verzekeraar heeft op 24 januari 2005 een derdenverklaring afgelegd, waaruit blijkt dat het beslag doel heeft getroffen en dat de Verzekering onder dit beslag valt.
  • Op 18 en 29 december 2005 hebben Consument en Rabobank [Plaatsnaam 1] (hierna: ‘de Bank’) ter uitvoering van een op diezelfde dagen ondertekende vaststellingsovereenkomst, een akte van cessie ondertekend, die luidt:

    “Overwegende

    1. Dat [de Bank] op grond van het vonnis d.d. 3 november 2004 van de rechtbank
    [Plaatsnaam 3], welk vonnis inmiddels onherroepelijk is geworden, een vordering op [Consument] heeft in hoofdsom groot € 526.890,11 vermeerderd met (wettelijke) rente en kosten t/m
    31 oktober 2005 € 572.846,92

    2. Dat [Consument], ondanks sommatie daartoe, het aan [de Bank] verschuldigde niet heeft voldaan.

    3. Dat [de Bank] op 9 december 2004 voor deze vordering executoriaal derden beslag heeft doen leggen onder de naamloze vennootschap [Verzekeraar] te [Plaatsnaam 2].

    4. Dat [Verzekeraar] op 24 januari 2005 een derdenverklaring heeft afgelegd waaruit blijkt dat [Consument] aldaar als toen een levensverzekering met kapitaalsuitkering onder nummer [nummer 1] had afgesloten.

    5. Dat deze levensverzekering met kapitaaluitkering inmiddels opeisbaar is geworden en [Consument] hiervoor bij [Verzekeraar] een lijfrentepolis heeft afgesloten op grond waarvan hij thans jegens [Verzekeraar] maandelijks aanspraak kan maken op een lijfrente-uitkering onder inhouding door [Verzekeraar] van de op [Verzekeraar] rustende verplichting jegens de fiscus terzake van deze uitkering aan [Consument].

    6. Dat [de Bank] en [Consument] ter voorkoming van dreigende executie van voormeld vonnis de navolgende afspraak hebben gemaakt.

    Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

    [Consument] draagt ter voldoening van zijn schuld aan [de Bank] zijn vorderingen op [Verzekeraar] als blijkende uit deze overeenkomst over aan [de Bank]. (…)”

 

 

  • Verzekeraar heeft in januari 2006 een exemplaar van de akte van cessie ontvangen.

  • Consument heeft ter voortzetting van de Verzekering met ingang van 1 oktober 2005 een direct ingaande lijfrente afgesloten, met polisnummer [nummer 2] (hierna: ‘de Lijfrente’). De koopsom van de Lijfrente bedroeg € 198.592. Op de Lijfrente zijn de voorwaarden DIL-0904-0404 van toepassing (hierna: ‘de Voorwaarden’). Artikel 7 van de Voorwaarden luidt:

    “Verbod van afkoop, belening, vervreemding of zekerheidstelling
    Het is de verzekeringnemer niet toegestaan de verzekering af te kopen, te belenen, te vervreemden, te verpanden, noch de verzekering op enige andere wijze feitelijk of formeel voorwerp van zekerheid te maken.”

 

    1. De Lijfrente heeft op 1 oktober 2015 de einddatum bereikt.

 

  • Vordering, klacht en verweer

 

 

Vordering Consument

    1. Consument vordert uitbetaling van een bedrag van € 213.651, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 oktober 2005.

 

Grondslagen en argumenten daarvoor

    1. Deze vordering steunt, in het kort, op de volgende grondslag. Verzekeraar is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit de met Consument gesloten overeenkomst. Consument voert hiertoe de volgende argumenten aan.
  • Verzekeraar heeft in strijd met artikel 7 van de Voorwaarden de lijfrenteuitkeringen aan de Bank in plaats van aan Consument voldaan. Artikel 7 van de Voorwaarden sluit vervreemding onder welke noemer dan ook uit. Verzekeraar had conform het aanvraagformulier voor de Lijfrente, aan Consument moeten uitkeren.
  • Consument heeft jarenlang niet geweten van het beslag van 9 december 2004. Ook het vonnis uit hoofde waarvan beslag is gelegd, was hem onbekend. Er was bovendien een aflossingsafspraak gemaakt met de Bank uit hoofde waarvan de Bank de hoofdelijke zekerheden heeft vrijgegeven. Consument wijst in dit verband op een brief van
    3 februari 2005, waarin de Bank de vrijgave bevestigt. Consument twijfelt mede hierom aan de rechtsgeldigheid van de beslagen.
  • Vragen van Consument over waarom de uitkeringen niet naar zijn privérekening zijn gegaan, heeft Verzekeraar onbeantwoord gelaten. Het ligt op de weg van Verzekeraar en niet op de weg van Consument om zich met de Bank te verstaan.

 

Verweer Verzekeraar

    1. Verzekeraar heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
  • Op basis van een executoriaal derdenbeslag is een verzekeraar verplicht om uit te keren aan de schuldeiser. De betalingen aan de Bank hebben op grond van het gelegde beslag plaatsgevonden. Artikel 7 is niet van toepassing op een executoriaal derdenbeslag.
  • Consument stelt dat de Bank de zekerheden in 2005 heeft vrijgegeven. Zo lang echter niet aan Verzekeraar is meegedeeld dat het derdenbeslag is opgeheven, heeft Verzekeraar bevrijdend aan de Bank voldaan. Indien Consument van mening is dat de Bank de lijfrente-uitkeringen onterecht heeft opgeëist, dan moet hij zich tot de Bank wenden.
  • De rechter heeft het beslagrecht toegekend. Verzekeraar moet dan meewerken aan het beslag. Als het beslag onterecht is, moet de verzekeringnemer niet bij Verzekeraar, maar bij de beslaglegger of de rechter aankloppen.
  • Consument stelt dat hij niet wist van het beslag. Verzekeraar heeft hem destijds echter via zijn financieel adviseur laten weten dat de Lijfrente niet kon worden aangekocht. De financieel adviseur van Consument heeft zelf de oplossing voor deze impasse aangedragen: keer de Lijfrente uit aan de beslaglegger. Dit is wat er uiteindelijk is gebeurd. Ook uit de door Consument ondertekende vaststellingsovereenkomst en uit de akte van cessie blijkt dat Consument op de hoogte was van het beslag. In beide stukken wordt naar het beslag verwezen. Uit de omstandigheden dat de Lijfrente is aangevraagd, dat Consument hier een polisblad van heeft ontvangen, dat Verzekeraar jaarlijks waardeoverzichten heeft gestuurd van de uitgekeerde bedragen en dat Verzekeraar ook enige malen een bewijs van in leven heeft gevraagd aan Consument (welke hij vervolgens ook heeft afgegeven), hadden ertoe moeten leiden dat als Consument inderdaad niet van het beslag zou hebben geweten, hij navraag had moeten doen over het achterblijven van zijn uitkeringen.

 

  • Beoordeling

 

 

    1. Aan de Commissie ligt de vraag voor of Verzekeraar met het betalen aan van de op grond van de op 1 oktober 2015 gesloten Lijfrente aan Consument toekomende uitkeringen, ten onrechte niet aan Consument, maar aan de Bank heeft uitgekeerd.

 

    1. Consument beroept zich op artikel 7 van de Voorwaarden, dat bepaalt dat het “de verzekeringnemer niet [is] toegestaan de verzekering af te kopen, te belenen, te vervreemden, te verpanden, noch de verzekering op enige andere wijze feitelijk of formeel voorwerp van zekerheid te maken.” Verzekeraar stelt dat hij krachtens het door de Bank gelegde beslag aan de Bank heeft uitgekeerd en dat artikel 7 van de Voorwaarden niet aan beslaglegging in de weg staat.

 

    1. Het was echter de op 1 april 2004 geëxpireerde Verzekering die onder het beslag viel. Dit doet bij de Commissie de vraag rijzen of de met ingang van 1 oktober 2005 als voortzetting van de Verzekering afgesloten Lijfrente daarmee eveneens onder het beslag viel. Het antwoord op deze vraag kan echter in het midden blijven. Dit is om de volgende reden.
    2. Consument heeft in december 2005 met de Bank een vaststellingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan hij zijn vorderingen uit hoofde van de Lijfrente aan de Bank heeft overgedragen. Diezelfde dag is de akte van cessie ondertekend, op grond waarvan de aanspraken zijn geleverd. De overdracht van de aanspraken was compleet na mededeling van de overdracht aan Verzekeraar, door middel van het toezenden van de akte van cessie. Zie hiervoor artikel 3:94 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’) dat bepaalt hoe een vordering op naam moet worden geleverd.
    3. Artikel 7 van de Voorwaarden staat niet aan deze overdracht in de weg. Artikel 3:83 BW regelt wanneer rechten wel of niet kunnen worden overgedragen. Op grond van het tweede lid van artikel 3:83 BW kunnen de schuldenaar (Verzekeraar) en de schuldeiser (Consument) de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht met een tussen hen geldend beding uitsluiten. Het is afhankelijk van de manier waarop het beding is opgesteld, of deze uitsluiting leidt tot een daadwerkelijke niet-overdraagbaarheid, die ook werkt tegenover derden (zoals de Bank) of dat de niet-overdraagbaarheid alleen tussen de (doorgaans) twee contracterende partijen geldt. In dat laatste geval pleegt degene die de vordering ondanks het niet-overdraagbaarheidsbeding toch overdraagt, een toerekenbare tekortkoming jegens zijn contractspartij, maar heeft hij de vordering wèl overgedragen. Uitgangspunt daarbij is dat een niet-overdraagbaarheidsbeding niet tegen derden geldt, tenzij uit de manier waarop het beding is opgesteld blijkt, dat dit wel zo bedoeld is. Zie hiervoor Hoge Raad 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682.
    4. Aan de hand van de manier waarop artikel 7 van de Voorwaarden is geformuleerd, stelt de Commissie vast dat dit beding niet tegenover derden geldt. Om dat te bereiken, had Verzekeraar woorden als “het is niet mogelijk”, of “het is onmogelijk” moeten gebruiken, in plaats van het gebruikte “het is niet toegestaan”. Zie hiervoor Rechtbank Oost-Brabant 15 april 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:2179, onder nummer 4.8. Omdat sprake is van een alleen tussen de Verzekeraar en Consument geldende regel, die niet jegens derden als de Bank geldt, heeft Consument de vorderingen uit de Lijfrente aan de Bank kunnen overdragen.
    5. Nu Consument de vorderingen uit de Lijfrente aan de Bank heeft overgedragen, heeft Verzekeraar met de uitbetaling van de lijfrentetermijnen aan de Bank, aan zijn verplichtingen voldaan. De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat Verzekeraar toerekenbaar is tekortgeschoten. De Commissie wijst de vordering van Consument daarom af.

 

  • Beslissing

 

 

De Commissie wijst de vordering af.

 

De uitspraak heeft de vorm van een niet-bindend advies. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. U kunt de zaak nog wel aan de rechter voorleggen.

 

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 40 van het Reglement.

 

 

 

 

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact