Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2019-010

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2019-010
(mr. R.J. Paris, voorzitter, mr. E.C. Ruinaard, mr. W.F.C. Baars, leden en
mr. C.I.S. Dankelman, secretaris)

Klacht ontvangen op : 14 mei 2018
Ingediend door : Consument
Tegen : Nationale-Nederlanden Bank N.V., gevestigd te ‘s-Gravenhage, verder te noemen de Bank
Datum uitspraak : 9 januari 2019
Aard uitspraak : Niet-bindend advies

Samenvatting

Consument vordert doorhaling van de registratie van haar persoonsgegevens in het Incidenten-register en het daaraan gekoppelde EVR en vergoeding van de schade. De persoonsgegevens van Consument zijn door de Bank opgenomen in het Incidentenregister en het EVR voor een periode van zes jaar, aangezien Consument bij de kredietaanvraag opzettelijk onjuiste gegevens aan de Bank heeft verstrekt. De Commissie is van oordeel dat de Bank over mocht gaan tot opname in het Incidentenregister en het daaraan gekoppelde EVR. De Commissie ziet geen aanleiding om de registratieduur te verkorten. De vorderingen worden afgewezen.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

· het door Consument (digitaal) ingediende klachtformulier met bijlagen;
· het verweerschrift van de Bank;
· de brief van Consument van 13 juli 2018 waarin zij de Commissie verzoekt om uitspraak te doen.

Gelet op de inhoud van de brief van Consument van 13 juli 2018 heeft de Commissie besloten om geen dupliek bij de Bank op te vragen en gelijk over te gaan tot het plannen van een mondelinge behandeling.

De Commissie stelt vast dat Consument heeft gekozen voor een niet-bindend advies. De uitspraak is daardoor niet-bindend.

Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 11 december 2018. Consument kon wegens privéomstandigheden niet bij de hoorzitting aanwezig zijn. De Commissie heeft besloten om het geschil op stukken te behandelen.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Op verzoek van Consument heeft de Bank op 23 oktober 2017 een offerte voor een persoonlijke lening voor een bedrag van € 50.000,- uitgebracht.

2.2 Consument heeft op de aanvraag vermeld dat de afschrijving plaats dient te vinden van een rekeningnummer bij de ABN AMRO Bank en zij heeft de offerte op 14 november 2017 voor akkoord ondertekend. Bij de offerte heeft Consument een kopie van een arbeidsovereenkomst, een recent bankafschrift en een recente salarisstrook overgelegd.

2.3 In de offerte is vermeld dat de Voorwaarden Persoonlijke Lening (versie maart 2017) en de algemene bankvoorwaarden (2017) van toepassing zijn.

2.4 In artikel 6 ‘Tegenrekening van de Voorwaarden Persoonlijke Lening’ is bepaald:
“1. Het Krediet is gekoppeld aan één Tegenrekening. Kredietnemer staat ervoor in dat die Tegenrekening (mede) op zijn eigen naam staat of blijft staan. Wijziging van de Tegenrekening is mogelijk indien de nieuwe Tegenrekening (mede) op naam van de Kredietnemer staat of blijft staan.”

2.5 Bij de beoordeling van de door Consument toegezonden informatie zijn bij de Bank twijfels ontstaan omtrent de arbeidsovereenkomst. De Bank heeft geconstateerd dat Consument eigenaar is van de onderneming waar zij in loondienst zou zijn ([Naam onderneming]) en dat het een eenmanszaak betrof. De Bank heeft op 27 november 2017 aanvullende informatie verlangd, waaronder salarisspecificaties, bankafschriften met salarisbijschrijvingen en UWV arbeidsverleden en loongegevens.

2.6 Per e-mail van 5 december 2017 heeft Consument de salarisstroken van september en oktober 2017 en een foto met daarop twee kwitanties van kasbetalingen verstrekt. In de e-mail heeft Consument toegelicht dat haar werkgever in september en oktober 2017 kampte met een computerstoring waardoor haar werkgever het salaris contant heeft uitgekeerd.

2.7 De Bank heeft meerdere fraude-indicaties bij de door Consument overgelegde documenten geconstateerd en op 6 december 2017 hebben partijen telefonisch contact gehad. De Bank heeft aan Consument kenbaar gemaakt dat de Bank onregelmatigheden in de door haar overgelegde documenten heeft geconstateerd. Consument heeft in het telefoongesprek verklaard dat zij sinds 2008 in dienst is bij [Naam onderneming].

Consument heeft verder verklaard dat er bij haar gegevens bij het UWV geen werkgevers vermeld stonden. Afsluitend hebben partijen afgesproken dat Consument aanvullende gegevens zou toesturen. De Bank heeft de gemaakte afspraken per e-mail aan Consument bevestigd.

2.8 Consument heeft op 8 december 2017 een klacht ingediend bij de Bank. Consument heeft aangegeven zich onheus bejegend te voelen en haar onvrede geuit over de behandeling van haar aanvraag bij de afdeling Fraude & Veiligheidszaken van de Bank.

2.9 Eveneens op 8 december 2017 heeft Consument een niet ondertekende arbeids-overeenkomst gedateerd 1 januari 2008, een verklaring omtrent het gedrag van
15 februari 2006 en rekeningafschriften van de betaalrekening van oktober, november en december 2017 overgelegd.

2.10 Naar aanleiding van bovenstaande overgelegde documenten heeft de Bank Consument per e-mail uitgenodigd voor een gesprek. Partijen hebben afgesproken elkaar te treffen op
4 januari 2018. De advocaat van Consument zou eveneens bij dit gesprek aanwezig zijn. Consument heeft deze afspraak afgezegd.

2.11 De afdeling Fraude & Veiligheidszaken heeft contact opgenomen met de ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ‘ABN AMRO’). Naar aanleiding van dit contact heeft de Bank op
3 januari 2018 onder meer geconstateerd dat de betaalrekening waarvan Consument rekeningafschriften heeft overgelegd niet op haar naam staat en dat Consument ook geen machtiging heeft voor deze betaalrekening.

2.12 De Bank heeft de advocaat van Consument op 9 januari 2018 per e-mail alle relevante documenten en een document met haar vragen voor Consument toegezonden.

2.13 De Bank heeft op 25 januari 2018 van de advocaat van Consument vernomen dat zij de
e-mail van de Bank van 9 januari 2018 aan Consument heeft doorgestuurd en met Consument heeft besproken. Consument heeft zich op het standpunt gesteld dat van fraude geen sprake is en heeft geen antwoord gegeven op de vragen van de Bank.

2.14 Bij brief van 31 januari 2018 heeft de Bank aan Consument medegedeeld dat zij op basis van de gebeurtenissen de persoonsgegevens van Consument heeft opgenomen in het Incidentenregister en het daaraan gekoppelde Extern Verwijzingsregister (hierna: ‘EVR’). De Bank heeft besloten om Consument voor de duur van zes jaar te registreren.

2.15 Op 7 februari 2018 heeft de Bank aangifte gedaan van valsheid in geschrifte en oplichting, dan wel een poging daartoe.
2.16 De politie heeft Consument opgeroepen om op 18 april 2018 te verschijnen om als verdachte te worden verhoord over poging tot krediet-, hypotheek- en depotfraude, gepleegd op 23 oktober 2017 te [Plaatsnaam].

2.17 In het toepasselijke Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen van 23 oktober 2013 (hierna: ‘het PIFI’) is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

“2. Begripsbepalingen
In dit Protocol wordt verstaan onder:
(…)
Incident: een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding.
(…)
3.1 Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister
3.1.1 Iedere Deelnemer heeft een Incidentenregister, waarin door de betreffende Deelnemer gegevens van (rechts)personen worden vastgelegd ten behoeve van het in artikel 4.1.1 Protocol genoemde doel, naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) Incident.
(…)
3.1.2 Aan het Incidentenregister is het Extern Verwijzingsregister gekoppeld.
(…)
4 Incidentenregister
4.1 Doel Incidentenregister
4.1.1 Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incidentenregister te hanteren:
“Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:
– op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers;
– op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers;
– op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.”
(…)
5 Extern Verwijzingsregister
5.1 Functie van het Extern Verwijzingsregister
5.1.1 Volledige en ongecontroleerde toegang tot het Incidentenregister van een Deelnemer door de overige Deelnemers is niet wenselijk. Daarom is er voor gekozen aan het Incidentenregister een Extern Verwijzingsregister te koppelen. In het Extern Verwijzingsregister zijn uitsluitend Verwijzingsgegevens opgenomen. Het Extern Verwijzingsregister is raadpleegbaar door de (Organisaties van de) Deelnemers. Nadat door een Deelnemer wordt vastgesteld dat een (rechts)persoon is opgenomen in het Externe Verwijzingsregister, zijn volgens het bepaalde in artikel 4.2 Protocol gegevens uit het Incidentenregister voor de Deelnemer beschikbaar. Op deze wijze worden gegevens uit het Incidentenregister op een zorgvuldige en gecontroleerde wijze beschikbaar voor de (Organisaties van de) Deelnemers.

5.2 Vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister
5.2.1 De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.
a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.
b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.
c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.”

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering Consument
3.1 Consument vordert doorhaling van de registratie van haar persoonsgegevens en vergoeding van de schade. Consument heeft haar schade begroot op € 5.000,- te vermeerderen met wettelijke rente sinds 18 oktober 2017.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Deze vordering steunt naar de Commissie begrijpt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag.
Aan de voorwaarden voor de opname van de gegevens in het Incidentenregister en het daaraan gekoppelde EVR is niet voldaan. Consument voert hiertoe aan dat zij geen fraude heeft gepleegd. De Bank heeft zonder gedegen onderzoek te verrichten Consument als fraudeur neergezet. Consument is bij haar moeder in dienst en de betaalrekening is een gezamenlijke rekening. De moeder van Consument heeft dit op 29 juni 2018 verklaard.

Verweer van de Bank
3.3 De Bank heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
· Consument heeft bij de kredietaanvraag opzettelijk onjuiste gegevens aan de Bank verstrekt;
· de registratie in het EVR en de aangifte bij de politie zijn een direct gevolg van het frauduleus handelen door Consument. De financiële sector is in grote mate gebaseerd op vertrouwen, dat door Consument is geschaad.

4. Beoordeling

4.1 De kern van het geschil betreft de vraag of de registratie van de persoonsgegevens van Consument in het EVR en de daaraan gekoppelde, qua werking minder verstrekkende, registratie in het Incidentenregister door de Bank onrechtmatig is, omdat niet voldaan is aan de vereisten voor registratie zoals opgenomen in het PIFI, zoals hiervoor beschreven onder 2.17. De Commissie zal de opname in beide registers hierna afzonderlijk beoordelen.

Registratie Extern Verwijzingsregister
4.2 De Bank heeft de persoonsgegevens van Consument geregistreerd in het Incidenten-register en in het EVR. Opname van persoonsgegevens in deze registers, en met name de registratie in het EVR, kan voor de betrokkene verstrekkende consequenties hebben. Alle deelnemende financiële instellingen kunnen immers door toetsing in het EVR vaststellen dat sprake is van opname in het Incidentenregister van (een) andere deelnemer(s). Het gevolg hiervan kan zijn dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het EVR is overgegaan, maar ook andere deelnemers hun (financiële) diensten aan de betrokkene zullen weigeren. Tegen deze achtergrond is de Commissie van oordeel dat hoge eisen moeten worden gesteld aan de grond(en) van de Bank voor opname van de persoons-gegevens van Consument in de genoemde registers. Zie o.a. de uitspraak van Hof Arnhem- Leeuwarden 26 januari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:494, rechtsoverweging
4.3 en de Geschillencommissie Kifid 2017-717 onder 4.2.

4.3 Ten tijde van de registratie van de persoonsgegevens van Consument waren het
PIFI en Wet Bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp, thans de Algemene
Verordening Gegevensbescherming (AVG) die ten aanzien van de toepasselijke
bepalingen niet afwijkt van de Wbp) van kracht. De opname van persoonsgegevens in het Incidentenregister en het EVR is slechts gerechtvaardigd indien zij in overeenstemming is met de Wbp en het PIFI. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wbp is daarbij gedacht aan gegevens in verband met strafbaar of hinderlijk gedrag, die tot gevoelige gegevens behoren omdat de betrokkene in verband wordt gebracht met strafrechtelijk verwijtbaar gedrag. Artikel 5.2.1 onder a en b van het PIFI bepaalt onder welke voorwaarden persoonsgegevens mogen worden opgenomen in het EVR. Het moet gaan om gedragingen van de betrokkene die een bedreiging vormden, vormen of kunnen vormen voor de (financiële) belangen van een financiële instelling, alsmede voor de continuïteit en integriteit van de financiële sector. De strafrechtelijke aard van de te verwerken gegevens brengt mee dat deze gegevens in voldoende mate moeten vaststaan. Het moet gaan om zodanig concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Straf-vordering kunnen dragen. Een strafrechtelijke veroordeling is niet vereist, maar anderzijds is de enkele verdenking van betrokkenheid bij een strafbaar feit in de zin van een vermoeden van schuld, zoals dat kan blijken uit een aangifte, niet voldoende. Als maatstaf heeft te gelden of de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoons-gegevens in voldoende mate moeten vaststaan. Zie de uitspraak van de Hoge Raad van
29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720, rechtsoverweging 4.4. Bij bevestigende beantwoording van deze vraag dient voorts, overeenkomstig artikel 8 onder f van de Wbp en artikel 5.2.1 sub c van het PIFI, te worden beoordeeld of op grond van een en ander opneming in het Incidentenregister en het EVR gerechtvaardigd was en voor welke duur.

4.4 In de eerste plaats is aan de orde de vraag of Consument bij het aanvragen van de persoonlijke lening opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven
teneinde van de Bank te bewegen een persoonlijke lening te verstrekken.

4.5 Voorop staat dat het op de weg van de Bank ligt om te stellen en ook te bewijzen dat Consument opzet heeft gehad om de Bank te misleiden en daarmee dat sprake is van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld. Een van de vereiste gegevens bij het indienen van een aanvraag voor een persoonlijk krediet is dat een tegenrekening (mede) op naam van de aanvrager opgegeven moet worden. In de onderhavige zaak heeft de Bank zich op het standpunt gesteld dat Consument bij de kredietaanvraag opzettelijk onjuiste gegevens aan de Bank heeft verstrekt.

De Bank heeft zich hierbij onder meer gebaseerd op de door Consument verschafte informatie, de door de ABN AMRO verstrekte informatie en de bevindingen van de afdeling Fraude– en Veiligheidszaken. Hieruit is gebleken dat (i) Consument zelf eigenaresse was van [Naam onderneming], (ii) bepaalde informatie, zoals cumulatieven, functie, datum in dienst en rekeningnummer, op de overgelegde salarisstroken ontbrak, (iii) stickers gebruikt zijn op de salarisstroken, (iv) het bij de aanvraag door Consument opgegeven rekeningnummer niet op haar naam staat, en (v) Consument de door de Bank gestelde vragen niet heeft beantwoord. De Bank verbindt hieraan de conclusie dat de handelwijze van Consument (opzettelijk verstrekken van onjuiste gegevens) een bedreiging vormt voor de belangen van – in ieder geval – de Bank. Volgens de Bank heeft Consument frauduleus gehandeld en de Bank heeft de persoonsgegevens van Consument in het EVR opgenomen.

4.6 Consument heeft verklaard dat er geen sprake is van fraude. Zij heeft toegelicht in dienst te zijn bij [Naam onderneming]. Consument heeft gesteld dat [Naam onderneming] de onderneming van haar moeder is. Daarnaast heeft zij toegelicht dat het bij de aanvraag opgegeven rekeningnummer weliswaar op naam staat van haar moeder, maar dat het een gezamenlijke rekening betreft.

4.7 Vaststaat dat Consument bij de aanvraag een tegenrekening heeft opgegeven die, anders dan zij had opgegeven, niet (mede) op haar naam staat en daarvan afschriften heeft verstrekt ter onderbouwing van haar salarisontvangsten. Met deze handelwijze heeft Consument in strijd met artikel 6 van de Voorwaarden Persoonlijke Lening gehandeld. Dit levert in beginsel een gegronde verdenking op dat Consument zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke misleiding van de Bank om haar te bewegen tot het sluiten van een persoonlijke lening. Dergelijk gedrag vormt een bedreiging voor de financiële belangen van de Bank en voor de integriteit van de financiële sector als geheel. De later door Consument overgelegde verklaring van haar moeder kan haar niet baten. De verklaring doet niet af aan het feit dat Consument ten behoeve van de aanvraag een rekeningafschrift heeft verstrekt die niet op haar naam staat en waartoe zij volgens de gegevens zoals bekend bij de ABN AMRO niet was gemachtigd. Of sprake is geweest van een eigen onderneming en het aanleveren van gemanipuleerde salarisstroken, zoals de Bank stelt, kan naar het oordeel van de Commissie in het midden blijven.

4.8 De Commissie volgt Consument niet in haar betoog dat de Bank geen gedegen onderzoek heeft verricht. Uit de voorliggende stukken blijkt dat de Bank naar aanleiding van de door haar ontvangen offerteaanvraag onderzoek heeft gedaan naar de arbeidsrelatie van Consument. De Bank heeft Consument om nadere stukken verzocht. In deze aanvullende gegevens heeft de Bank vervolgens onregelmatigheden geconstateerd en de Bank heeft contact gezocht met Consument.
De Bank heeft Consument per e-mail gevraagd op haar bevindingen te reageren. Daarvan heeft Consument geen gebruik gemaakt. Daarnaast heeft de Bank navraag gedaan bij de ABN AMRO over de door Consument opgegeven tegenrekening. Naar het oordeel van de Commissie heeft de Bank op deze wijze voldoende zorgvuldig gehandeld. De Bank heeft de betrokkenen benaderd voor meer informatie en zij heeft Consument geïnformeerd over haar bevindingen en conclusies en haar voldoende in de gelegenheid gesteld daarop te reageren en haar lezing van de feiten te geven. Pas toen de Bank geen verdere informatie meer ontving, heeft zij op basis van de toen beschikbare gegevens besloten tot registratie over te gaan.

4.9 Het bovenstaande brengt mee dat aan de vereisten voor registratie in het EVR genoemd in art. 5.2.1 onder a en b van het PIFI is voldaan. De Commissie is van oordeel dat de Bank over mocht gaan tot registratie van de persoonsgegevens van Consument in het EVR. Op grond van art. 5.2.1 onder c van het PIFI dient de Bank bij de registratie van persoons-gegevens in het EVR een proportionaliteitsafweging te maken en bij de beoordeling van de vraag of zij gegevens in het EVR registreert, en zo ja, voor welke duur, de belangen van de betrokkene mee te wegen (zie ook Geschillencommissie Kifid 2016-302, onder 4.9). De betrokkene die verwijdering van een registratie wenst, zal moeten onderbouwen op grond waarvan hij disproportioneel wordt geraakt in zijn belangen en waarom zijn belang prevaleert boven dat van de Bank.

4.10 De Bank heeft gemotiveerd aangevoerd waarom het belang van de financiële sector bij registratie zwaarder weegt dan het belang van Consument bij het niet-registreren van haar persoonsgegevens. Verder heeft de Bank de omstandigheden van het geval meegewogen in haar afweging ten aanzien van de duur van de registratie. Dit heeft ertoe geleid dat de Bank de persoonsgegevens van Consument voor een registratieduur van zes jaar heeft opgenomen in het EVR. In artikel 5.3.2 van het PIFI is opgenomen dat de duur van de registratie maximaal acht jaar is. Het is aan Consument die de beperking van de duur van de registratie wenst, te onderbouwen op grond waarvan zij disproportioneel wordt geraakt in haar belangen. Nu dit niet is gesteld of gebleken, oordeelt de Commissie dat niet is gebleken dat een registratie voor de termijn van zes jaar de grenzen van proportionaliteit overschrijdt.

Registratie Incidentenregister
4.11 De Bank heeft de persoonsgegevens van Consument voorts voor de duur van zes jaar opgenomen in het Incidentenregister. Gelet op het bovenstaande mocht ook de Incidentenregistratie worden gehandhaafd. Het EVR is gekoppeld aan het Incidenten-register (artikel 5.1.1 van het PIFI).

Dit brengt mee dat zolang registratie in het EVR terecht en proportioneel is, de gegevens ook in het Incidentenregister blijven staan.

Slotsom
4.12 Aangezien er voldaan is aan de vereisten van het PIFI, mag de registratie van de persoonsgegevens van Consument in het EVR en het Incidentenregister gehandhaafd blijven voor een periode van zes jaar. Gelet hierop dient de vordering van Consument te worden afgewezen.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vordering af.

De uitspraak heeft de vorm van een niet-bindend advies. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. U kunt de zaak nog wel aan de rechter voorleggen.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 40 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact