Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2019-084

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2019-084
(mr. dr. S.O.H Bakkerus, voorzitter, mr. E.C. Ruinaard, mr. A.M.T. Wigger, leden
en mr. drs. D.J. Olthoff, secretaris)

 

Klacht ontvangen op        : 7 juli 2017

Ingediend door               : Consument

Tegen                           : Reaal Schadeverzekeringen N.V., gevestigd te Alkmaar, verder te noemen Verzekeraar

Datum uitspraak             : 4 februari 2019

Aard uitspraak                : Niet bindend advies

 

Samenvatting

 

Privacyklacht. Niet bindend advies. Klacht ongegrond. Consument heeft in 2014 bij  Verzekeraar digitaal een autoverzekering aangevraagd. Bij de Akkoordverklaring verklaart verzekeringnemer dat hijzelf of een andere belanghebbende bij de verzekering de laatste 8 jaar niet als verdachte of ter uitvoering van een opgelegde strafmaatregel in aanraking is geweest met politie in verband met (…) de – al dan niet voorwaardelijke – ontzegging van de rijbevoegdheid. Naar aanleiding van een diefstalschade in 2016 heeft Verzekeraar onderzoek laten verrichten en bij die gelegenheid is naar voren gekomen dat Consument eerder een verzekering is geweigerd wegens invordering van zijn rijbewijs in verband met een snelheidsovertreding in 2012. Consument heeft destijds een boete opgelegd gekregen en een maand ontzegging van de rijbevoegdheid. Verzekeraar heeft naar aanleiding van deze bevinding onder meer de persoonsgegevens van Consument opgenomen in zijn Incidentenregister en in het Externe Verwijzingsregister (EVR) voor de duur van drie jaar. Consument vordert verwijdering van deze gegevens met terugwerkende kracht. Tijdens de zitting heeft Verzekeraar verklaard per direct de registratie te zullen doorhalen, maar niet met terugwerkende kracht. De Commissie oordeelt dat Verzekeraar heeft mogen concluderen dat Consument bij het aangaan van de verzekering opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en de door Verzekeraar verrichte registraties (qua) duur gerechtvaardigd zijn. Daarbij is relevant dat de verzwegen feiten kort voor het aanvragen van de verzekering hebben plaatsgevonden. De vordering van Consument wordt afgewezen.

 

  • Procesverloop

 

 

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken met de daarbij behorende bijlagen:

 

  • het door Consument (digitaal) ingediende klachtformulier;
  • de aanvullende stukken van Consument;
  • het verweerschrift van Verzekeraar;
  • de reactie van Consument.

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor een niet bindend advies.

 

Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 17 september 2018 te Den Haag en zijn aldaar verschenen.

  • Feiten

 

Bij de beoordeling van de klacht gaat de Commissie uit van de volgende feiten.

 

    1. Consument heeft via zijn bedrijf op 5 februari 2014 een auto gekocht. Met ingang van
      6 februari 2014 loopt op naam van het bedrijf van Consument een autoverzekering
      (WA Beperkt Casco) bij Verzekeraar.

 

    1. Van toepassing zijn de “Zakelijke Personenauto Polisvoorwaarden MBP IS03-2011”.

 

Artikel 1.1 (Grondslag van de verzekering) luidt als volgt:

 

De verzekeringsovereenkomst is gebaseerd op de door verzekeringnemer aan Verzekeraar verstrekte inlichtingen en verklaringen, in welke vorm dan ook. Deze inlichtingen en verklaringen vormen één geheel met de verzekeringsovereenkomst.”

 

Artikel 3.3 (Einde) luidt als volgt:

 

De verzekeringsovereenkomst eindigt (…) binnen twee maanden na de ontdekking dat de mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst of de desbetreffende dekking niet is nagekomen en daarbij is gehandeld met de opzet Verzekeraar te misleiden, dan wel Verzekeraar de verzekeringsovereenkomst of de betreffende dekking kennis van de ware stand van zaken niet zou hebben gesloten.”

 

    1. In het door Consument ingevulde digitale aanvraagformulier wordt bij de Akkoordverklaring onder meer het volgende gesteld:

 

De verzekeringnemer verklaart ten aanzien van zichzelf en/of een andere belanghebbende bij deze verzekering: de laatste 8 jaar als verdachte of ter uitvoering van een opgelegde strafmaatregel NIET in aanraking te zijn geweest met politie of justitie in verband met (…)

  1. de – al dan niet voorwaardelijke – ontzegging van de rijbevoegdheid.”

 

 

Onder deze passage staat in vetgedrukte letters:

 

Belangrijk: lees voor het afsluiten van deze verzekering onderstaande toelichting op de reikwijdte van de mededelingsplicht volgens artikel 7:928 Burgerlijk Wetboek.”

 

Consument heeft de digitale aanvraag afgerond door te verklaren de akkoordverklaring te hebben gelezen en de inhoud te hebben begrepen en daarna op de button ‘Ja ik ga akkoord’ te klikken. Daarmee wordt de verzekering definitief afgesloten.

 

    1. In augustus 2015 is de auto gestolen en een aantal dagen later weer teruggevonden. Verzekeraar heeft de schade aan het portierslot en de gemanipuleerde elektronica aan Consument toen uitgekeerd.

 

    1. Op 19 april 2016 heeft Consument bij de politie aangifte gedaan van diefstal van de auto tussen 18 en 19 april 2016.

 

2.6     Consument heeft bij Verzekeraar melding gemaakt van de schade. Verzekeraar heeft
[Naam Bureau] nader onderzoek laten doen naar de toedracht van de gepleegde diefstal. In het rapport van onderzoek van 17 mei 2016 heeft [Naam Bureau]– voor zover relevant – het volgende opgenomen:

 

Onderzoek

(…)

Uw verzekerde is voorafgaand aan de diefstal één sleutel verloren of er is een sleutel uit of bij zijn woning ontvreemd. Er zijn echter geen sporen van braak of verbreking aan de woning geconstateerd die een inbraak zouden doen vermoeden. (…)

Preventieve maatregelen

(…)

Tevens is de auto voorzien van een SCM klasse 3 alarm, waarvoor een certificaat is afgegeven (…). Uit navraag bij SCM/KIWA bleek dat de geldigheid van het certificaat op 30 januari 2015 is verlopen. Er is geen voertuig volg- of na diefstalsysteem gemonteerd. (…)”

 

    1. Als bijlage bij het rapport van onderzoek van 17 mei 2016 is een door Consument ondertekende schriftelijke verklaring van 4 mei 2016 opgenomen. In die verklaring is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

“Er is ooit een verzekering geweigerd in verband met een invordering van mijn rijbewijs in verband met een snelheidsovertreding in 2012. Ik ben in 2012 met de politie en/of justitie in aanraking geweest ter zake een door mij gepleegde snelheidsovertreding. Ik heb toen een maand ontzegging gekregen van de rijbevoegdheid en een boete van € 900,00.”

 

    1. Verzekeraar heeft uitkering van de diefstalschade geweigerd en heeft dat gebaseerd op, kort samengevat:
  • Het niet voldoen aan de mededelingsplicht bij aanvang verzekering. Volgens Verzekeraar heeft Consument de slotvragen bij aanvang verzekering niet naar waarheid ingevuld met de bedoeling om zijn auto bij Verzekeraar verzekerd te krijgen.

    Als Consument de slotvragen naar waarheid zou hebben ingevuld, zou de verzekering niet zijn gesloten.

  • Het niet voldoen aan de beveiligingsclausule. De auto was niet voorzien van een geldig alarmsysteem klasse III.
  • Onvoldoende zorg om te voorkomen dat diefstal zou plaatsvinden. Volgens Verzekeraar is Consument onvoorzichtig geweest door geen redelijke veiligheidsmaatregelen te nemen om diefstal van de auto te voorkomen zowel na de eerste diefstal als na het verlies van de sleutels.

 

2.9     Verzekeraar heeft de verzekering per 29 juli 2016 beëindigd, de eerdere schade-uitkering onder de verzekering teruggevorderd, betaling gevorderd van gemaakte onderzoekskosten en de persoonsgegevens van Consument opgenomen in zijn Incidentenregister en in het Externe Verwijzingsregister (EVR) voor de duur van drie jaar. Tot slot heeft Verzekeraar van die registratie melding gemaakt bij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit van het Verbond van Verzekeraars (hierna: CBV).

 

    1. De voor de beoordeling van deze klacht relevante artikelen uit het Burgerlijk Wetboek en uit het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen van
      23 oktober 2013 (hierna: ‘‘het Protocol’’) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

 

  • Vordering, klacht en verweer

 

 

Vordering Consument

    1. Consument vordert dat zijn gegevens met terugwerkende kracht worden verwijderd uit het EVR en het Incidentenregister. Daarnaast vordert Consument een bedrag van

€ 36.500,- als vergoeding van de schade door de diefstal van zijn auto, extra kosten voor dure verzekeringen, terugbetaling van het door hem terugbetaalde bedrag van de vorige schade, terugbetaling van de onderzoekskosten en vergoeding van juridische kosten.

 

Grondslagen en argumenten daarvoor

3.2     De vordering steunt op de volgende grondslagen. Verzekeraar handelt onrechtmatig ten opzichte van Consument door ten onrechte zijn persoonsgegevens op te nemen in het Incidentenregister en het EVR. Hierdoor ondervindt Consument problemen in het dagelijks leven en in het zakelijke verkeer.
Consument verwijt Verzekeraar ook dat deze zijn contractuele verplichtingen jegens hem niet nakomt door uitkering te weigeren. Consument heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende argumenten aangevoerd:

  • Consument heeft bij aanvraag van de verzekering naar beste weten alles naar waarheid en correct ingevuld. Dat heeft hij immers ook gedaan in de verklaring die hij bij het
    [Naam Bureau] heeft afgelegd. Het geeft geen pas hem te beschuldigen van fraude.
  • Het rapport van [Naam Bureau] is suggestief, ten onrechte wordt Consument daarin neergezet alsof hij onvoldoende voorzichtig is geweest en opzettelijk twee keer zijn eigen auto heeft laten stelen.
  • Het gegeven dat het SCM alarm certificaat was verlopen rechtvaardigt niet de door Verzekeraar genomen maatregelen.

 

Verweer van Verzekeraar

      1. Verzekeraar heeft de stellingen van Consument gemotiveerd weersproken. Voor zover nodig zal de Commissie bij de beoordeling daarop ingaan.
  • Zitting

 

 

4.1     Partijen hebben op de zitting een toelichting gegeven op hun standpunt. Tijdens de zitting heeft Verzekeraar zich bereid verklaard de registratie van de persoonsgegevens van Consument in het EVR en het Incidentenregister, die tot juli 2019 zou voortduren, per de datum van de zitting te verwijderen. Verzekeraar heeft uitgelegd dat wanneer de gegevens uit het systeem zijn verwijderd, in het systeem de registratie niet meer terug te vinden is. Volgens Verzekeraar was de registratie terecht, want over de slotvragen bij het aanvraagformulier kan geen misverstand bestaan. Verzekeraar heeft aannemelijk gemaakt dat Consument, door desgevraagd niet op te geven dat hij een rijontzegging heeft gehad, in de precontractuele fase opzettelijk relevante informatie heeft verzwegen met het doel een verzekering te verkrijgen die Verzekeraar, indien hij juist geïnformeerd zou zijn, niet zou zijn aangegaan.

 

  • Beoordeling

 

 

Behandelbaarheid deel van de klacht

    1. Voor de beoordeling van deze klacht vormt het Reglement Geschillencommissie Financiële Dienstverlening Kifid (11 april 2017) het uitgangspunt. Op grond van dit Reglement kan de Geschillencommissie klachten behandelen van Consumenten. In artikel 60 van het Reglement wordt het begrip “Consument” omschreven.
    2. Dit artikel luidt (voor zover relevant):

Consument

Iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit vallen. Wordt de overeenkomst evenwel gesloten voor doeleinden die deels binnen en deels buiten in de vorige volzin genoemde activiteit van de persoon liggen (gemengde overeenkomsten) en is het oogmerk van die activiteit zo beperkt dat het binnen de algehele context van de overeenkomst niet overheerst, dan dient die persoon eveneens als Consument te worden aangemerkt.

Consument heeft bij Verzekeraar een verzekering gesloten voor zijn zakenauto, die op naam van zijn bedrijf staat en zakelijk wordt gebruikt. Dat betekent dat de verzekering is afgesloten in de uitoefening van het bedrijf van Consument. Dat hij ook privé in de auto reed, maakt dit niet anders.
De Commissie is dan ook niet bevoegd zijn klacht te behandelen voor zover die betrekking heeft op de vordering tot uitkering en schadevergoeding uit hoofde van zijn bij Verzekeraar gesloten autoverzekering. Datzelfde geldt voor de vorderingen die zien op de vergoeding van de eerdere schade, onderzoekskosten en juridische kosten.

 

Artikel 60 onder d van het Reglement breidt de definitie van het begrip Consument echter uit tot de natuurlijke persoon met een Privacyklacht. Daarom kan de Commissie de klacht wel behandelen voor zover die betrekking heeft op de registratie van zijn persoonsgegevens.

 

Precontractuele mededelingsplicht

    1. De Commissie zal beoordelen of Consument zijn mededelingsplicht bij de aanvraag van de verzekering heeft geschonden met het opzet Verzekeraar te misleiden.

 

    1. De Commissie stelt het volgende voorop. In artikel 7:928 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat de verzekeringnemer verplicht is om vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mee te delen die hij kent of behoort te kennen en waarvan hij weet of behoort te begrijpen dat de beslissing van de verzekeraar afhangt of kan afhangen. Indien een verzekering wordt gesloten op de grondslag van een door de verzekeraar opgestelde vragenlijst, geldt het volgende. De verzekeraar geeft daarmee te kennen dat de gestelde vragen feiten betreffen waarvan de verzekeringnemer moet begrijpen dat daarvan de beslissing van de verzekeraar afhangt of en zo ja op welke voorwaarden hij de verzekering wil sluiten. Een niet juiste invulling van de vragenlijst kan er dan ook toe leiden dat de verzekeraar zich er in een later stadium, bij de vraag of er recht op uitkering bestaat, op beroept dat hij – indien hij tijdig op de hoogte was gesteld van de juiste stand van zaken – de verzekering niet of niet onder dezelfde condities zou zijn aangegaan. Dit is bepaald in artikel 7:930 lid 3 en 4 van het BW. Voor beide vragen geldt als uitgangspunt een toetsing aan het (acceptatie)beleid van een redelijk handelend verzekeraar.

      Dit betekent dat indien het acceptatiebeleid van een individuele verzekeraar niet voldoet aan deze maatstaf, de betreffende verzekeraar zich niet aan de uitkering kan onttrekken, tenzij hij zijn afwijkende acceptatiebeleid voor het sluiten van de verzekering aan de verzekeringnemer kenbaar heeft gemaakt. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis: Parlementaire Geschiedenis titel 7.17 BW, Deventer: Kluwer 2007, p.39. En dit volgt uit de rechtspraak: arrest van de Hoge Raad van 19 mei 1978, NJ 1978, 607 en arrest van Hof Den Bosch van 24 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1073.

 

    1. De Commissie dient allereerst de vraag te beantwoorden of Consument bij het sluiten van de verzekering de vraag naar zijn strafrechtelijk verleden juist heeft beantwoord. Meer specifiek gaat het om de vraag of Consument de vraag of hij in de laatste acht jaar als verdachte of ter uitvoering van een opgelegde strafmaatregel in aanraking is geweest met politie of justitie naar waarheid heeft beantwoord.

 

    1. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Consument in 2012, dus 1 à 2 jaar voor het aanvragen van de verzekering, strafrechtelijk is veroordeeld tot een boete van € 900,- en een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van één maand. Consument heeft dit echter niet vermeld bij aanvraag van de verzekering. Hij had kunnen en moeten begrijpen dat de slotvragen in de Akkoordverklaring relevant zijn voor het aangaan van de verzekering. Door na te laten de vraag naar zijn strafrechtelijke verleden te beantwoorden, heeft Consument de mededelingsplicht geschonden. Dat Consument later, na de schademelding, tegenover het door Verzekeraar ingeschakelde onderzoeksbureau een verklaring heeft afgelegd over zijn strafrechtelijke verleden, maakt dit niet anders.

 

Opzet tot misleiding

    1. De Commissie dient vervolgens de vraag te beantwoorden of Consument dit met opzet heeft gedaan. Consument heeft tijdens de zitting verklaard het digitale aanvraagformulier zelf te hebben ingevuld. In de Akkoordverklaring wordt, zoals hiervoor onder 2.3 blijkt, expliciet gevraagd naar zijn strafrechtelijk verleden. De vraag is helder, duidelijk en niet voor meerdere lezingen vatbaar. Bovendien wordt in vetgedrukte letters gewezen op het belang de toelichting goed te lezen. Deze gegevens, in samenhang met het feit dat bij de digitale aanvraag de Akkoordverklaring een openklappend scherm is, waar een consument doorheen moet voordat hij kan klikken op de akkoordbutton, leidt de Commissie tot de conclusie dat Consument opzettelijk heeft nagelaten de vraag naar zijn strafrechtelijk verleden te beantwoorden. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat Consument kort (1 à 2 jaar) voor het aanvragen van de verzekering, strafrechtelijk is veroordeeld (zie 5.5).

 

    1. De Commissie is van oordeel dat het de verantwoordelijkheid van Consument is de vragen van de Akkoordverklaring op juiste wijze te beantwoorden.

      De verklaring van Consument tijdens de zitting dat hij niet goed heeft opgelet tijdens het aanvragen van de verzekering, is onaannemelijk en kan niet tot een ander oordeel leiden. Consument heeft de slotvraag moeten zien voordat hij op de button ‘Ja ik ga akkoord’ klikte. Naar het oordeel van de Commissie heeft Consument de slotvraag opzettelijk onjuist beantwoord en aldus zijn mededelingsplicht bij de aanvraag van de verzekering geschonden. Naar het oordeel van de Commissie heeft Consument die opzettelijk onjuiste voorstelling van zaken gegeven met als doel bij Verzekeraar een verzekering aan te gaan die anders niet zou worden gesloten.

 

Registratie in het Externe Verwijzingsregister

    1. Vervolgens is het de vraag of Verzekeraar de persoonsgegevens van Consument in het Incidentenregister en het daaraan gekoppelde Extern Verwijzingsregister mocht opnemen. Omdat opname van persoonsgegevens in deze registers – en met name het EVR – voor Consument ernstige gevolgen kan hebben moeten zware eisen worden gesteld aan de grond(en) van Verzekeraar voor opname van de persoonsgegevens van Consument. (Zie o.a. de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:494, rechtsoverweging 4.3 en de uitspraak van de Geschillencommissie Kifid 2017-717 onder 4.2). De opname van persoonsgegevens in het Incidentenregister en het EVR is alleen gerechtvaardigd als dat gebeurd is in overeenstemming met de daarvoor geldende regels, waaronder het Protocol, en als de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720, rechtsoverweging 4.4.) Het gaat dan om fraude, waaronder ook opzet tot misleiding wordt begrepen. Bovendien moet worden beoordeeld of op grond van deze gedragingen het opnemen in het Incidentenregister en het EVR gerechtvaardigd was en of de duur daarvan past bij de ernst van de gedragingen. De verzekeraar moet bij de registratie van persoonsgegevens in het EVR een proportionaliteitsafweging te maken en bij de beoordeling van de vraag of hij gegevens in het EVR registreert, en zo ja, voor welke duur, ook de belangen van de Consument meewegen (vgl. Geschillencommissie Kifid
      2016-302, onder 4.9). De Consument die verwijdering van een registratie wenst, zal moeten onderbouwen op grond waarvan hij te zwaar wordt geraakt in zijn belangen en waarom zijn belang zwaarder moet wegen dan het belang van registratie.

 

    1. Zoals hiervoor onder 5.7 overwogen staat vast dat Consument over zijn strafrechtelijk verleden bij de aanvraag van de verzekering opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. De Commissie is van oordeel dat de feiten en omstandigheden de conclusie rechtvaardigen dat Consument zijn precontractuele mededelingsplicht heeft geschonden met het opzet Verzekeraar te misleiden. Dit brengt mee dat aan de vereisten voor registratie in het EVR zoals genoemd in artikel 5.2.1 onder a en b van het Protocol is voldaan.

 

    1. Verzekeraar heeft aangevoerd dat het belang van de financiële sector bij registratie zwaarder weegt dan het belang van Consument bij het niet-registreren van zijn persoonsgegevens. De Commissie is van oordeel dat Verzekeraar tot registratie van de persoonsgegevens van Consument in het EVR heeft mogen overgaan. Verzekeraar heeft ter onderbouwing van de duur van de registratie verwezen naar de proportionaliteits­matrix. Dit heeft ertoe geleid dat Verzekeraar de persoonsgegevens van Consument voor een registratieduur van drie jaar heeft opgenomen in het EVR. Tijdens de zitting heeft Consument uitgelegd dat hij door de registratie in zakelijk opzicht problemen ondervindt in verband met het voeren van zijn eigen onderneming. Verzekeraar heeft op de zitting toegezegd dat hij de registratie in het EVR en het Incidentenregister zal doorhalen. De registratie heeft hierdoor feitelijk korter geduurd dan drie jaar. De Commissie begrijpt dat de registratie financieel nadelige consequenties heeft voor Consument. Gelet op de gebleken omstandigheden van dit geval acht de Commissie de registratie en de duur hiervan evenwel gerechtvaardigd.

 

Registratie Incidentenregister en melding Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit

    1. Verzekeraar heeft de persoonsgegevens van Consument ook voor de duur van drie jaar opgenomen in het Incidentenregister.
      Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen mochten de gegevens ook in het Incidentenregister blijven staan. Het EVR is gekoppeld aan het Incidentenregister (artikel 5.1.1 van het Protocol). Dit brengt mee dat zolang registratie in het EVR terecht en proportioneel is, de gegevens ook in het Incidentenregister blijven staan.

 

    1. Op grond van artikel 4.2.3 van het Protocol worden de gegevens in het Incidentenregister uitgewisseld met functionarissen werkzaam bij de daartoe ingerichte coördinatiefuncties van het Verbond van Verzekeraars, te weten het fraudeloket. Dit is het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kon de melding van de incidentenregistratie aan het CBV worden gehandhaafd.

 

Slotsom

    1. De slotsom is dat de vorderingen van Consument tot verwijdering met terugwerkende kracht van zijn persoonsgegevens uit het EVR en het Incidentenregister worden afgewezen.

 

  • Beslissing

 

 

De Commissie verklaart Consument niet ontvankelijk in zijn vordering tot uitkering en schadevergoeding als onder 5.1 omschreven en wijst zijn overige vorderingen af.

 

Deze beslissing is genomen in de vorm van een niet-bindend advies. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. U kunt de zaak nog wel aan de rechter voorleggen.

 

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 40 van het Reglement.

 

 

 

 

Bijlage bij uitspraak 2019-084

 

Relevante artikelen uit het Burgerlijk Wetboek

 

Artikel 7: 928 van het Burgerlijk Wetboek (BW) luidt, voor zover relevant:

  1. De verzekeringnemer is verplicht vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen.

(…)

  1. De verzekeringnemer is slechts verplicht feiten mede te delen omtrent zijn strafrechtelijk verleden of omtrent dat van derden, voor zover zij zijn voorgevallen binnen de acht jaren die aan het sluiten van de verzekering vooraf zijn gegaan en voor zover de verzekeraar omtrent dat verleden uitdrukkelijk een vraag heeft gesteld in niet voor misverstand vatbare termen.

(…)

Artikel 7:929 van het BW luidt, voor zover relevant:

  1. De verzekeraar die ontdekt dat aan de in artikel 928 omschreven mededelingsplicht niet is voldaan, kan de gevolgen daarvan slechts inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen.
  2. De verzekeraar die ontdekt dat de verzekeringnemer heeft gehandeld met het opzet hem te misleiden of die bij de kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten, kan de overeenkomst binnen twee maanden na ontdekking met dadelijke ingang opzeggen.

(…)

Artikel 7:930 van het BW luidt, voor zover relevant:

  1. Indien aan de in artikel 928 omschreven uitkering niet is voldaan, bestaat alleen recht op uitkering overeenkomstig de leden 2 en 3.
  2. De bedongen uitkering geschiedt onverkort, indien de niet of onjuist meegedeelde feiten van geen belang zijn voor de beoordeling van het risico zoals dit zich heeft verwezenlijkt.
  3. indien aan lid 2 niet is voldaan, maar de verzekeraar bij de ware stand van zaken een hogere premie zou hebben bedongen, of de verzekering tot een lager bedrag zou hebben gesloten, wordt de uitkering verminderd naar evenredigheid van hetgeen de premie meer of de verzekerde som minder zou hebben bedragen. Zou de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken andere voorwaarden hebben gesteld, dan is slechts een uitkering verschuldigd als waren deze voorwaarden in de overeenkomst opgenomen.
  4. In afwijking van de leden 2 en 3 is geen uitkering verschuldigd indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten.
  5. In afwijking van de leden 2 en 3 is geen uitkering verschuldigd aan de verzekeringnemer of de derde, bedoeld in artikel 928 lid 2 of 3, die heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden. Evenmin is een uitkering verschuldigd aan de derde indien de verzekeringnemer, met het opzet de verzekeraar te misleiden, niet heeft voldaan aan de mededelingsplicht betreffende de derde.

 

 

 

 

Bijlage bij uitspraak 2019-084

 

Relevante artikelen uit het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen van 23 oktober 2013

In het toepasselijke Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen van 23 oktober 2013 zijn de volgende relevante bepalingen opgenomen:

 

  1. Begripsbepalingen

In dit protocol wordt verstaan onder:

Incident: een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding.

3.1 Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister

3.1.1 Iedere Deelnemer heeft een Incidentenregister, waarin door de betreffende Deelnemer gegevens van (rechts)personen worden vastgelegd ten behoeve van het in artikel 4.1.1 Protocol genoemde doel, naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) Incident. (…)

3.1.2 Aan het Incidentenregister is een Extern Verwijzingsregister gekoppeld. (…)

4 Incidentenregister

4.1 Doel Incidentenregister

4.1.1 Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incidentenregister te hanteren:

“Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:

– op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers;

– op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers;

– op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.”

4.2 Toegang tot het Incidentenregister

(…)

4.2.3 De gegevens uit het Incidentenregister van de Deelnemer mogen tevens worden uitgewisseld met functionarissen werkzaam bij de daartoe ingerichte, coördinatiefuncties van de NVB, Verbond, VFN, ZN, FOV en SFH (de fraudeloketten).

(…)

4.3 Verwijdering van gegevens uit het Incidentenregister

(…)

4.3.2 Verwijdering van gegevens uit het Incidentenregister moet plaatsvinden uiterlijk 8 jaar na opname van het betreffende gegeven in het Incidentenregister, tenzij zich ten aanzien van de betreffende (rechts)persoon een nieuwe aanleiding heeft voorgedaan die opnamen in het Incidentenregister rechtvaardigt.

5 Extern Verwijzingsregister

(…)

5.2 Vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister

5.2.1 De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.
a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.

  1. b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.
  2. c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.

5.3 Verwijdering van gegevens uit het Extern Verwijzingsregister

(…)

5.3.2 Verwijdering van Verwijzingsgegevens uit het Extern Verwijzingsregister moet plaatsvinden uiterlijk 8 jaar na opname van het betreffende gegeven in het Incidentenregister, tenzij zich ten aanzien van de betreffende (rechts)persoon een nieuwe aanleiding heeft voorgedaan en opname in het Extern Verwijzingsregister conform artikel 5.2.1 Protocol heeft plaatsgevonden.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact