Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2019-187 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2019-187
(mr. J.S.W. Holtrop, voorzitter en mr. M.A. Kleijer-van Wijlen, secretaris)

Klacht ontvangen op : 18 maart 2018
Ingediend door : [Consument I] (hierna: de vrouw) en [Consument II] (hierna: de man)
verder gezamenlijk te noemen Consumenten
Tegen : Cooperatieve Rabobank U.A., gevestigd te Amsterdam, verder te
noemen de Bank
Datum uitspraak : 14 maart 2019
Aard uitspraak : Bindend advies

Samenvatting

Mede gelet op de feiten en omstandigheden in deze klachtzaak kan het adviseren over de erf-rechtelijke gevolgen voor de erfgenamen van Consumenten niet tot de taak van de Bank in haar rol als hypotheekadviseur worden gerekend.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken en de daarbij behorende bijlagen:

· het door Consumenten ingediende klachtformulier;
· het verweerschrift van de Bank;
· de repliek van Consumenten;
· de dupliek van de Bank.

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies.

De Commissie stelt vast dat het niet nodig is de zaak mondeling te behandelen. De zaak kan daarom op grond van de stukken worden beslist.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Consumenten hebben in 2006 een hypothecaire geldlening (verder: geldlening) afgesloten bij de Bank, bestaande uit een zogenoemde OpMaatHypotheek, met daaraan gekoppeld een aan de Bank verpande gemengde levensverzekering en een krediet.
2.2 In 2011 is de geldlening gewijzigd. Enerzijds is de leenvorm omgezet naar een zogenoemde Rabo Opbouwhypotheek (verder: ROH). Anderzijds is voor een verbouwing extra geld geleend waarbij dit leningdeel ook in de vorm van een Rabo Opbouwhypotheek is gegoten. Het risico van overlijden is niet binnen de ROH afgedekt.

2.3 Over het risico bij het wegvallen van inkomen in geval van overlijden is in de aanbiedingsbrief bij de offerte uit 2011 vermeld:

“Overlijden
Uit die analyse blijkt dat u de lasten niet altijd kunt betalen na een overlijden. We hebben samen met u in kaart gebracht of er nog andere voorzieningen of mogelijkheden zijn om in die situatie de financieringslasten toch te kunnen betalen of de leningen (deels) af te lossen.

U wilt na overlijden van [naam man] of [naam vrouw] in de woning blijven wonen.

Wij adviseren u vanwege de betaalbaarheid van uw hypotheeklasten en uw risicobereidheid:
– een overlijdensrisicoverzekering van € 440.800,- die uitkeert bij overlijden van [naam man]
– een overlijdensrisicoverzekering van € 0,- die uitkeert bij overlijden van [naam vrouw].

U kiest er voor om voor het risico van overlijden van [naam man] en [naam vrouw] een ander bedrag te verzekeren. De overlijdensrisicoverzekering die wij u offreren, is gebaseerd op uw keuze.”

2.4 Consumenten hebben, (zie de hiervoor genoemde aanbiedingsbrief), voor de duur van de geldlening twee losse overlijdensrisicoverzekeringen elk voor een bedrag ad € 427.000,- afgesloten.

2.5 In de aan de geldleningsofferte verbonden bijlage ‘Informatie Rabobank hypotheekproducten 2011’ zijn onder andere de volgende bepalingen opgenomen:

“Gevolgen bij Overlijden
Om voor de fiscale vrijstellingen in aanmerking te komen moet bij de Rabo OpbouwHypotheek bij overlijden (een deel van) het tegoed worden gebruikt om de geldlening af te lossen. Fiscaal zijn er mogelijkheden om door te schuiven maar bij de Rabo OpbouwHypotheek is dat niet mogelijk. (…)

De successierechtelijke behandeling van een spaarrekening is anders dan van een verzekering. Dit kan voor u gevolgen hebben. (…)

Uw SEW-tegoed wordt bij uw overlijden tot uw nalatenschap gerekend. Uw erfgenamen moeten, voor zover hun vrijstellingen niet toereikend zijn, erfbelasting betalen over het tegoed”.
2.6 In diezelfde bijlage is op pagina 5 onder het kopje “Inbreng in de Rabo Opbouwhypotheek” voor zover relevant geschreven “U gaat uw huidige kapitaalverzekering, kapitaalverzekering eigen woning ( hierna: verzekering) of spaarrekening eigen woning (hierna spaarrekening) inbrengen in een nieuwe Rabo Opbouwhypotheek.
In het adviesgesprek heeft uw adviseur u hierover geïnformeerd. In aanvulling daarop zet de Rabobank hierna, specifiek voor het inbrengen, de procedure en de belangrijkste (fiscale) aspecten op een rij. Heeft u na het lezen hiervan nog vragen, dan kunt u natuurlijk bij uw adviseur terecht.”

2.7 Over die fiscale aspecten is voor zover relevant vermeld ‘(…)– De successierechtelijke behandeling van een spaarrekening is anders dan van een verzekering. Dit kan voor u gevolgen hebben’.

2.8 Vanaf 2016 hebben Consumenten en de Bank over de omzetting van de OpMaat Hypotheek (een Kapitaalverzekering Eigen Woning, verder: KEW) naar de ROH (een Spaarrekening Eigen Woning, verder: SEW) overleg gepleegd.

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering Consumenten
3.1 Consumenten vorderen betaling van € 8.250,- zijnde alle te betalen premietermijnen voor een overlijdensrisicoverzekering die Consumenten af zullen moeten sluiten om de ongewenste financiële erfrechtelijke gevolgen van een voortijdig gelijktijdig overlijden te ondervangen.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag.
De Bank is als adviseur in haar dienstverlening vanwege de omzetting van de financiering in 2011 toerekenbaar tekort geschoten door hen niet voor te lichten over de nadelige erf-rechtelijke gevolgen van die omzetting bij het eerste overlijden en bij het tweede over-lijden. Daarnaast is het nadelig verschil tussen de KEW en de SEW niet uitgelegd en zijn zij niet doorverwezen naar een notaris of andere deskundigen. Consumenten hebben dit klachtonderdeel gaandeweg de procedure toegelicht door te stellen dat de gevolgen en/of verschillen tussen verpanding van de verzekering en het opstellen van de partnerverklaring niet zijn uitgelegd. Consumenten stellen, tot slot, dat zij in 2011 niet tot omzetting van de geldlening zouden zijn overgegaan als zij van de hiervoor bedoelde informatie tijdig waren voorzien.

Verweer Bank
3.3 De Bank heeft de stellingen van Consumenten gemotiveerd weersproken. Voor zover nodig zal de Commissie bij de beoordeling daarop ingaan.

4. Beoordeling

4.1 Consumenten hebben ter beoordeling voorgelegd de vraag of de Bank als adviseur in haar zorgplicht als redelijk handelend en redelijk bekwaam adviseur tekort is geschoten en of vervolgens, in het bevestigende geval, tot betaling van de verschuldigde premie voor een nog af te sluiten overlijdensrisicoverzekering is gehouden. De Commissie is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord en licht dat hierna toe.

4.2 Mede gelet op de feiten en omstandigheden in deze klachtzaak kan het adviseren over de erfrechtelijke gevolgen voor de erfgenamen van Consumenten niet tot de taak van de Bank in haar rol als hypotheekadviseur worden gerekend. De Bank dient Consumenten wel te wijzen op de fiscale wet- en regelgeving. Uit hetgeen hiervoor onder 2.5 tot en met 2.7 is vermeld, volgt dat hieraan is voldaan. De Commissie merkt op dat van Consumenten verwacht mag worden dat zij deze informatie tot zich zouden nemen en zij de Bank hadden benaderd als dit bij hen tot vragen had geleid. Niet is gebleken dat hiervan sprake is geweest. De Bank heeft nog aangevoerd dat zij Consumenten in geval van advies over de erfrechtelijke gevolgen van de omzetting naar een deskundige zou hebben door-verwezen. Los hiervan wordt nog van belang geacht dat Consumenten hun stelling dat zij, als zij bekend waren geweest met het verschil in fiscale behandeling, niet tot omzetting van de geldlening zouden zijn overgegaan, niet dan wel onvoldoende hebben onderbouwd. Na de gemotiveerde betwisting van deze stelling door de Bank, hebben Consumenten enkel en alleen hun stelling herhaald zonder die van een concrete onderbouwing te voorzien.

4.3 Het verwijt van Consumenten, tot slot, niet over de verschillen tussen de verpanding en de partnerverklaring te zijn voorgelicht, wordt gepasseerd. Die voorlichting hoefde niet gegeven te worden omdat de overlijdensrisicoverzekeringen niet aan de Bank zijn verpand waardoor een partnerverklaring niet aan de orde is. Als eerste begunstigde is de vrouw dan wel de man aangewezen. Bij verpanding is het gebruikelijk dat de Bank als eerste begunstigde is aangewezen, maar hiervan is geen sprake.

4.4 Gelet op al hetgeen is overwogen dient de conclusie te luiden dat de klacht van Consumenten ongegrond moet worden geacht en de daarop gebaseerde vordering dient te worden afgewezen.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vordering af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/in-beroep-gaan-bij-kifid.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 40 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact