Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2019-260 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2019-260
(mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr.drs. S.F. van Merwijk, mr. C.E. Polak, leden en mr.drs. D.J. Olthoff, secretaris)

Klacht ontvangen op : 27 september 2017
Ingediend door : Consument
Tegen : Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V., gevestigd te Den Haag, verder te noemen Verzekeraar
Datum uitspraak : 10 april 2019
Aard uitspraak : Bindend advies
Samenvatting

Pensioenverzekering. Bindend advies, klacht ongegrond.
Consument heeft via zijn werkgever bij Verzekeraar per 1 juni 1990 een kapitaalverzekering met pensioenclausule gesloten. Consument is zowel directeur van zijn werkgever als pensioen-gerechtigde. De verzekering deelt in de winst van Verzekeraar. In 2009 heeft Verzekeraar de werkgever van Consument geinformeerd over de lage rentestand en de gevolgen daarvan voor het doelvermogen. Consument heeft als directeur van zijn werkgever er toen niet voor gekozen om het voor de vaststelling van zijn doelvermogen gehanteerde rendement naar beneden bij te stellen. Consument verwijt Verzekeraar een te laag eindkapitaal, dat volgens Consument onder meer terug te voeren is op het feit dat de ingebouwde winst nog aan het eindkapitaal moet worden toe-gevoegd en de door Verzekeraar gewekte verwachtingen met betrekking tot het te behalen eind-kapitaal. Consument vordert van Verzekeraar een vergoeding wegens derving van inkomsten van circa € 187.000,-. Volgens Consument is Verzekeraar toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn zorgplicht. Volgens Verzekeraar verwijt Consument hem ten onrechte tegen-vallende rendementen en de invloed daarvan op het eindkapitaal. Verzekeraar heeft op correcte wijze uitvoering gegeven aan zijn verplichtingen in het kader de pensioentoezegging van de werk-gever aan Consument. De klachten van Consument komen voort uit de ongunstige rentestanden, een omstandigheid die Consument, aldus Verzekeraar, ten onrechte Verzekeraar verwijt.
De Commissie oordeelt dat Verzekeraar Consument op duidelijke wijze heeft geinformeerd over de te verwachten gegarandeerde bedragen op de einddatum. Consument wist tegen welke prijs hij een bepaalde (gegarandeerde) minimumprestatie kon verwachten: een vast bedrag bij leven op de pensioendatum vermeerderd met een gegarandeerde minimum winstdeling en een mogelijke verhoging van die winstdeling, afhankelijk van de rente (winstdeling op basis van een overrente-deling). Consument heeft in zijn hoedanigheid van directeur van zijn werkgever in 2009 bewust gekozen voor handhaving van een doelvermogen op basis van 5% en daarmee als werkgever premie bespaard. Consument wist dat het aan te kopen pensioen op de einddatum daardoor lager zou kunnen uitvallen. Verzekeraar heeft Consument op correcte wijze geinformeerd over het feit dat de gegarandeerde (ingebouwde) winst in het verzekerde kapitaal op de pensioendatum is op-genomen. Dat er wegens een aanhoudende lage rentestand weinig tot geen ruimte is voor extra winstbijschrijvingen, is geen omstandigheid die binnen de invloedssfeer van Verzekeraar valt. De vordering van Consument wordt afgewezen.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

· het door Consument ingediende klachtformulier met klachtomschrijving;
· het verweerschrift van Verzekeraar;
· de repliek van Consument;
· de dupliek van Verzekeraar;
· de pleitnota van Consument.

De Commissie stelt vast dat partijen hebben gekozen voor bindend advies.

Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 10 oktober 2018 en zijn aldaar verschenen.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Consument was werkzaam als bestuurder van zijn werkgever. Per 1 juni 1990 is voor Consument door zijn werkgever een kapitaalverzekering met pensioenclausule gesloten (zogeheten “Pluspensioen”) met polisnummer [nummer] met als pensioendatum
1 januari 2019.

2.2 In de offerte is onder “Winstdeling” het volgende opgenomen:
“De Pluspensioenverzekering deelt in de winst van [naam Verzekeraar]. De winstdeling, die statutair is vastgelegd, bestaat uit twee elementen.
Winstbijschrijving
Uit de ter verdeling beschikbare winst wordt de verzekering elk jaar verhoogd met een bedrag, winst¬bijschrijving geheten. Bij in leven zijn van de verzekerde op de pensioendatum komt de som van de winstbijschrijvingen beschikbaar. Bij ongewijzigde voortzetting van de verzekering zal het bedrag dat op grond van de winstbijschrijvingen bij leven wordt uitgekeerd tenminste ƒ 85754,– bedragen. (…)”

2.3 In december 2009 heeft Verzekeraar de werkgever van Consument schriftelijk geïnformeerd over de lage rentestand en bericht dat het doelvermogen percentage in de regeling wordt aangepast naar 4,4 %. In deze brief is onder meer het volgende te lezen:

“(…)
Uw pensioenregeling
Uw pensioenregeling kent als uitgangspunt het verzekeren van een pensioenkapitaal dat naar verwachting nodig is om het berekende ouderdoms- en/of partnerpensioen aan te kunnen kopen. Deze pensioenen worden bepaald op basis van het salaris en de dienstjaren van een werknemer.
Hoeveel pensioen daadwerkelijk met het pensioenkapitaal kan worden aangekocht is afhankelijk van de marktrente op het moment van aankoop. (…)
In de pensioenregeling die u met uw werknemer(s) bent overeengekomen is bepaald dat wij ervoor zorgen dat het pensioenkapitaal wordt aangepast aan de actuele marktrente.

Gevolgen van de huidige lage marktrente
De huidige renteontwikkelingen maken het noodzakelijk om bij de bepaling van de verzekerde kapitalen de verwachte rentestand bij aankoop van pensioen te verlagen van 5% naar 4,4%. Deze aanpassing gaat in op 1 januari 2010. Dit resulteert in hogere verzekerde kapitalen. Hiermee wordt het risico dat er te weinig kapitaal verzekerd is om het berekende ouderdoms- en/of partner-pensioen aan te kunnen kopen, zoveel mogelijk beperkt.

De hogere verzekerde kapitalen leiden tot een verhoging van de door u te betalen premie. Daarnaast resulteert dit over de verstreken diensttijd in een verschuldigde eenmalige extra koopsom.

Vanaf 1 januari 2010
Voor alle nieuwe en bestaande verzekeringen houden wij vanaf 1 januari 2010 rekening met een verwachte rentestand bij aankoop van pensioen van 4,4%. (…)”

2.4 De werkgever en Consument hebben daarop in een verklaring van 16 december 2009 als volgt laten weten dat zij deze aanpassing niet wensten:
“(…) Hierbij deel ik u mede dat ik geen aanpassing van het doelvermogen wil per 1 juli 2010. U kunt derhalve bij het doelvermogen op de pensioendatum uit blijven gaan van een rekenrente van 5%. Ik realiseer mij dat door mijn keuze, bij een lagere rentestand op de pensioendatum, niet de beoogde pensioenen bereikt zullen worden. (…)”.
De desbetreffende verklaring van Consument en zijn werkgever is door Consument als werk¬nemer en pensioengerechtigde èn door Consument in zijn hoedanigheid als directeur namens zijn werkgever ondertekend.

2.5 Per 1 juli 2012 is de verzekering premievrij gemaakt wegens beëindiging van het dienst-verband van Consument. Op 13 juli 2012 is een nieuwe polis afgegeven voor het BedrijfsPlus Pensioen met recht op aandeel in de winst. Op het polisblad staan de volgende verzekerde bedragen vermeld:
“(…)
Verzekerde bedragen
Gemengde kapitaalverzekering
A. € 113.411,00 uit te keren als de verzekerde in leven is op 1 januari 2019.
B. € 113.411,00 uit te keren als de verzekerde overlijdt vóór 1 januari 2019.

Uitkering bij in leven zijn op de einddatum, met restitutie van de betaalde premies bij eerder overlijden.
A. € 247.234,00 uit te keren als de verzekerde in leven is op 1 januari 2019.
B. € 213.961,52 uit te keren als de verzekerde overlijdt vóór 1 januari 2019.

Uitkering bij overlijden vóór de einddatum
Als de verzekerde overlijdt, komt het volgende bedrag beschikbaar uit de verzekering:
A. 35.266,00 uit te keren direct na het overlijden van de verzekerde vóór 1 januari 2019.
Het verzekerde bedrag A daalt elk jaar op 1 januari met € 5.038,00 voor het eerst op
1 januari 2013.”

2.6 In december 2015 heeft Verzekeraar een brief gezonden aan Consument waarin hij geïnformeerd wordt over de gevolgen van de aanhoudende lage rentestand op het mogelijk aan te kopen pensioen.
In de brief is onder meer het volgende te lezen:
“U heeft bij [naam maatschappij] een pensioenkapitaal. Met dit ‘kapitaal’ koopt u straks een periodiek, bijvoorbeeld maandelijks, uitbetalend pensioen. De rente is al geruime tijd erg laag. In deze brief leggen wij u uit wat de invloed van deze lage rente is op de aankoop van uw pensioen.
Waar hangt de hoogte van uw pensioen vooral vanaf?
Hoeveel geld u straks beschikbaar heeft (hoe hoger uw opgebouwde kapitaal, hoe hoger uw pensioen)
Hoe hoog de rente is op het moment dat u uw pensioen koopt (bij een lage rente koopt u minder pensioen dan bij een hogere rente).
(…)
Werkelijke rente is lager
De werkelijke rente die nu geldt en waarmee wij nu rekenen bij de aankoop van pensioen uit een kapitaal, is aanzienlijk lager. Dat betekent dat u (veel) minder pensioen kunt kopen dan u zou verwachten op basis van uw pensioenoverzichten en Mijnpensioenoverzicht.nl. Pensioenuitvoerders rekenen in de toekomst op de pensioenoverzichten met de actuele rente. Zo krijgt u een beter beeld van uw toekomstige pensioenuitkering. (…)
Kunt u iets doen?
U kunt niets doen om de rente hoger te laten worden. Dat kunnen wij ook niet. Het belangrijkste is dat u er op voorbereid bent dat u straks minder pensioen heeft dan u tot nu toe had verwacht.
(…)”

3. Vordering, klacht en verweer

Vordering Consument
3.1 Consument vordert van Verzekeraar een vergoeding wegens derving van inkomsten van circa € 187.000,-.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag.
Verzekeraar is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn zorgplicht. Consument voert hiertoe de volgende argumenten aan.
· Het door Verzekeraar als eindkapitaal opgegeven bedrag voor het aankopen van pensioen is te laag. Verzekeraar gaat ten onrechte uit van een strikte uitleg van de verzekerings-overeenkomst door te stellen dat destijds is gekozen voor een verzekering met winst-deling. Op grond van de door Verzekeraar (onder meer door het in 2012 door Verzekeraar verstrekte UPO (Uniform Pensioenoverzicht)) gewekte verwachtingen zou het bedrag aan winstdeling moeten worden verhoogd gezien de revenuen die Verzekeraar zelf heeft ontvangen. De winstbijschrijvingen staan niet in verhouding tot de gerealiseerde bedrijfsresultaten. Eind 2011 gaf Verzekeraar nog een pensioenindicatie van € 24.491,- terwijl dit ten tijde van het indienen van de klacht in 2017 slechts € 15.752,- betrof. Bij een levensverwachting van 86,5 jaar is het totaal aan uitkeringen dan ongeveer €187.000,- lager.
· Er kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de wijze van berekening van de winst-bijschrijvingen. Verzekeraar geeft geen althans onvoldoende informatie daarover net zomin als over de in rekening gebrachte kosten. Consument krijgt bij herhaling geen reactie op door hem gestelde vragen over de onderbouwing van de door Verzekeraar verstrekte bedragen met betrekking tot het eindkapitaal en de winst.
· In het door Verzekeraar opgegeven eindkapitaal is het bedrag aan niet ingebouwde winst nog niet opgenomen. Dit bedrag ad € 22.428,00 moet nog aan het eindkapitaal worden toegevoegd.
· Ten onrechte kan Consument niet delen in de revenuen die mogelijk te verwachten zijn indien de rente zou stijgen en het uitstaande kapitaal in de toekomst daardoor toeneemt. Een redelijke uitleg van de overeenkomst brengt mee dat Consument wel zou delen in de positieve geldelijke consequenties van toekomstige gunstige economische omstandigheden.
· Consument heeft recht op een objectieve, controleerbare opgave van de totale kosten die Verzekeraar in rekening heeft gebracht c.q. gaat brengen. Deze kosten hebben de hoogte van het beschikbare kapitaal in negatieve zin beïnvloed.
· Verzekeraar heeft in het verleden een te rooskleurig beeld gegeven van de onderhavige verzekering en niet althans onvoldoende gewezen op de risico’s.
· Los van het voorgaande zou Verzekeraar Consument op basis van de redelijkheid en billijkheid tegemoet moeten komen.

Verweer
3.3 Verzekeraar heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
· Ten onrechte verwijt Consument Verzekeraar een tegenvallend rendement.
Bij aanvang van de verzekering was voor Consument duidelijk tegen welke premie hij een vooraf bepaalde prestatie van Verzekeraar kon verwachten.
De premies voor deze verzekering worden niet belegd en de uitkomst is niet afhankelijk van beurskoersontwikkelingen. Onderdeel van deze overeenkomst is de toe te passen reken-rente. Deze rekenrente bedraagt 4% en is verdisconteerd in de verzekerde kapitalen en verschuldigde premies. Daarnaast deelt de verzekering van Consument in de maatschappij-winstdeling. Voor een deel is dat een op basis van de rekenrente gegarandeerde winstdeling die al onderdeel is van het verzekerde eind¬kapitaal en daarnaast bestaat een aanspraak op een extra winstdeling in de vorm van een overrentedeling, dat wil zeggen: een niet gegarandeerd extra rendement indien de door de maatschappij over de in depot gehouden premies ontvangen rente hoger is dan de reken¬rente.
· De werkgever van Consument heeft in 2009 ervoor gekozen om de voor de berekening van het doelvermogen (het met het opgebouwde kapitaal op de pensioendatum aan te kopen pensioen) gebruikte rekenrente van 5% te handhaven. Op dat moment heeft de werkgever bijbetaling van premie voorkomen. Dit betekende ook dat de werkgever er niet voor heeft gekozen om voor Consument een hoger verzekerd kapitaal te bewerkstelligen, wat wel het geval zou zijn indien de voor de berekening van het doelvermogen gehanteerde rekenrente was bijgesteld naar 4,4%. Consument was bestuurder van zijn werkgever en heeft zelf een rol gehad in de keuzes die voor hem als werknemer zijn gemaakt. Verzekeraar is niet verantwoordelijk voor de keuzes die destijds zijn gemaakt. Dat de resultaten ten gevolge van economische ontwikkelingen thans tegenvallen, is evenmin een omstandigheid die binnen de invloedssfeer van Verzekeraar valt.
· Per 1 juli 2012 was het premievrije kapitaal bij leven € 360.645,00. Op de einddatum van de verzekering heeft Consument recht op het kapitaal bij leven en het minimaal gegarandeerde bedrag aan maatschappijwinstdeling van € 31.372,00. Dit bedrag kan worden verhoogd indien het uiteindelijk toegekende winstrecht hoger is dan de winstgarantie. Verzekeraar hoeft hierbij geen aparte opgave te doen van in rekening gebrachte kosten nu deze zowel in de premie als in de voor de winstgarantie gehanteerde 4% rekenrente zijn verwerkt en bij het aangaan van de verzekering voor Consument duidelijk was wat hij voor de vastgestelde prijs, de premie, aan tegenprestatie van Verzekeraar mocht verlangen.
· Naar aanleiding van de brief van Verzekeraar van december 2015 heeft Consument kritische vragen gesteld over zijn verzekering, die Verzekeraar steeds heeft beantwoord.
· Uit door Verzekeraar overgelegde tekstfragmenten van de offerte van 14 mei 1990 en de pensioenbrief van 1990 blijkt onomwonden dat Verzekeraar heeft gewaarschuwd voor onzekerheid over de hoogte van het in de toekomst aan te kopen pensioen vanwege de directie relatie met de onzekere rentestand op de pensioendatum.
· Op het door Verzekeraar verstrekte uniforme pensioenoverzicht (UPO) wordt een indicatie gegeven van het mogelijk aan te kopen pensioen op de pensioendatum: in die indicatie is na 2012 een daling opgetreden die voornamelijk is terug te voeren op de gewijzigde indicatie-rente op het UPO ten gevolge van de aanhoudende lage rentestand.
· Consument heeft in het polisaanhangsel van juli 2012 kunnen lezen hoe hoog het premievrij verzekerde kapitaal was, dit was het kapitaal exclusief winst. Dit bedrag was lager dan het kapitaal op het UPO van 2012 dat inclusief het gegarandeerde deel van de winst (het in-gebouwde deel van de winst) was. Het te verwachten kapitaal per 1 januari 2019 zal hoger zijn dan de op de UPO’s van 2012 en 2015 vermelde kapitalen. Het totaalbedrag uit hoofde van de winstdeling is in werkelijkheid hoger dan de winstgarantie die in de UPO’s is mee-genomen. Deze informatie is niet onbegrijpelijk of onduidelijk. Consument wist wat hij kon verwachten en op welke wijze de diverse genoemde bedragen waren samengesteld.
· Verzekeraar heeft op correcte wijze uitvoering gegeven aan de in de uitvoerings-overeenkomst vastgelegde pensioentoezegging van de werkgever aan Consument. De klacht van Consument is terug te voeren op de voor Consument ongunstige rentestand en de gevolgen daarvan op het pensioen van deelnemers met een kapitaal- of premie-overeenkomst. Ten onrechte meent Consument dat Verzekeraar voor dit verlies moet opkomen. Overigens heeft Consument thans de mogelijkheid om het surplus van de winst-deling aan te wenden voor de aankoop van pensioen in plaats van indexatie.

4. Beoordeling

4.1 Voor wat betreft de prijsstelling van het onderhavige product is de beleidsvrijheid van Verzekeraar het uitgangspunt. Consument wist tegen welke prijs hij een bepaalde gegarandeerde (minimum) prestatie kon verwachten: een vast bedrag bij leven op de pensioen¬¬datum vermeerderd met een gegarandeerde minimum winstdeling en een mogelijke verhoging van die winstdeling op basis van een overrentedeling. Niet gebleken is dat Verzekeraar bij zijn offerte onvoldoende rekening heeft gehouden met de in de toekomst te behalen rendementen. Op het op 1 juli 2012 afgegeven polisblad staat vermeld welk gegarandeerd (premievrij) verzekerd kapitaal (exclusief extra winst) Consument kon verwachten. Hiermee heeft Verzekeraar Consument op duidelijke en niet voor meerdere interpretatie vatbare wijze geïnformeerd over de te verwachten gegarandeerde bedragen op de einddatum. Deze bedragen zijn exclusief de mogelijke verhoging van de winst. Ook deze informatie was helder voor Consument. Naar het oordeel van de Commissie heeft Verzekeraar zowel bij aanvang van de verzekering als gedurende de looptijd steeds gewezen op het feit dat zowel het op de pensioendatum beschikbare bedrag als het daarmee aan te kopen pensioen afhankelijk zijn van de rentestand en van de tarieven die gelden op de pensioendatum.

4.2 Verzekeraar heeft verder op correcte wijze toegelicht op welke wijze de maatschappij-winstdeling wordt berekend. Deze winstdeling is een vorm van overrentedeling (een extra rendement) waarbij de premies in producten zoals die van Consument, vanwege de af-gegeven garanties, voornamelijk risicomijdend moeten worden belegd (in vastrentende waarden).
Bij een rendement van meer dan 0,95% boven de rekenrente van 4% ontstaat een aanspraak op extra winstdeling, die jaarlijks wordt bijgeschreven. Een aanhoudende lage rentestand zoals die zich de laatste jaren heeft voorgedaan, heeft echter als gevolg dat het rendement onvoldoende is om extra winstbijschrijvingen te kunnen doen. Deze feitelijke situatie is, hoe teleurstellend ook voor Consument, geen omstandigheid die binnen de invloedssfeer van Verzekeraar valt.

4.3 Voor zover Consument van mening is dat zijn verzekering een beleggingselement bevat, is deze opvatting niet juist. Bij verzekeringen met een beleggingskarakter wordt voor risico van de verzekeringnemer belegd in nader te bepalen fondsen. Dat is hier niet het geval, nu Consument tegen een vastgestelde prijs een gegarandeerd eindkapitaal (op basis van een gehanteerd rendement van 4%) kan verwachten. Dat met de premie wordt geïnvesteerd is een maatschappijaangelegenheid: de uitkomst daarvan is voor rekening en risico van de maatschappij. Onder omstandigheden heeft Consument aanspraak op een aanvullende winstdeling, maar hij deelt niet in het risico van de investeringen. De vergelijking met een verzekering met een beleggingskarakter, waarbij de uitkomst afhankelijk is van beurskoers-ontwikkelingen èn deze voor rekening en risico voor de verzekeringnemer zijn, gaat der-halve niet op.

4.4 Consument heeft zowel in zijn hoedanigheid als pensioengerechtigde als die van directeur van zijn werkgever op 16 december 2009 bewust gekozen voor een doelvermogen van 5% (in plaats van 4,4%), waarbij hij wist dat het aan te kopen pensioen op de pensioendatum lager zou zijn indien de rentestand op dat moment lager zou zijn dan de 5% waarop de pensioentoezegging is gefinancierd. Consument wist tijdig welke extra premies benodigd waren om de pensioentoezegging te financieren op basis 4,4% en heeft besloten niet tot bijstorting over te gaan. Dit heeft destijds geleid tot een besparing voor (de werkgever van) Consument.

4.5 Consument verwijt Verzekeraar dat deze in het verleden een te rooskleurig beeld heeft gegeven van het te verwachten pensioen. Verzekeraar heeft aan de hand van de UPO’s een indicatie gegeven van het aan te kopen pensioen en is daarbij gebonden aan richtlijnen van onder meer de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars. Zoals Verzekeraar heeft toegelicht, is de daarbij gehanteerde indicatierente verlaagd van 4% (in 2012) naar 2.2% (2015) en sinds 2016 gebaseerd op de actuele rentestand. Deze omstandigheid valt buiten de invloedssfeer van Verzekeraar en kan niet de conclusie rechtvaardigen dat de door Verzekeraar gehanteerde berekeningen niet correct zijn c.q. dat Verzekeraar bepaalde verwachtingen heeft gewekt ten aanzien van het aan te kopen pensioen op de einddatum. De stelling van Consument dat de in de pensioenoverzichten genoemde bedragen exclusief de gegarandeerde winst zijn, gaat niet op.

In de Toelichting Pensioenoverzicht gewezen deelnemer wordt vermeld dat bij een pensioenverzekering met winstdeling zoals de onderhavige de ingebouwde winst in het genoemde verzekerde kapitaal op de pensioen¬datum is opgenomen.

4.6 De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat Verzekeraar toerekenbaar is tekort-geschoten in de nakoming van zijn zorgplicht.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vordering af.

In artikel 2 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/in-beroep-gaan-bij-kifid.

U kunt, binnen twee weken na de verzenddatum van deze uitspraak, bij de Voorzitter van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening schriftelijk een verzoek indienen tot herstel van kennelijke vergissingen in de uitspraak. U moet daarbij met name denken aan correctie van reken- of schrijffouten en verbetering van namen en data. De volledige procedure met de termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen staat beschreven in artikel 40 van het Reglement.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact