Kifid Kennis
Zijn mijn spullen verzekerd als ik ze tijdelijk heb opgeslagen?
De situatie
U heeft (een deel van) uw inboedel opgeslagen op een ander adres zoals in een loods, garagebox of container bijvoorbeeld vanwege een verbouwing, verhuizing of wereldreis. Uw inboedel raakt helaas beschadigd of wordt gestolen en u licht uw verzekeraar in. U rekent erop dat de schade aan uw inboedel ook verzekerd is als deze elders is opgeslagen. Maar is dat wel zo?
De algemene regel
Met een inboedelverzekering verzekert u de spullen in uw huis. In de bijbehorende verzekeringsvoorwaarden staat beschreven of ook spullen die zich buiten het huis op een ander adres bevinden zijn meeverzekerd en voor hoe lang. Vaak staat er een maximale termijn vermeld waaraan u zich moet houden om verzekerd te zijn. Daarbij geldt dat een verzekeraar de vrijheid heeft om de grenzen te bepalen waarbinnen hij dekking wil verlenen. Maar: wijst de verzekeraar uw schadeclaim af, dan moet die afwijzing wel zijn onderbouwd. En als de voorwaarden voor meerdere uitleg vatbaar zijn, dan geldt de voor u meest gunstige uitleg als dit een redelijke uitleg is.
In de voorbeelden in dit kennisdocument wordt steeds gesproken over het risicoadres. Dat is het adres dat bij de verzekering hoort, meestal het woonadres.
Drie voorbeelden
Na een periode in Nederland te hebben gewoond verhuist een man terug naar zijn geboorteland België. Hij slaat zijn spullen medio 2019 op in een opslagruimte in Utrecht. Zijn verzekeringstussenpersoon zorgt voor een inboedelverzekering. Een jaar later worden er spullen gestolen; de schade bedraagt ruim dertigduizend euro. De gevolmachtigde weigert namens de verzekeraar de schade te vergoeden omdat uit onderzoek blijkt dat de gestolen spullen niet in Utrecht lagen opgeslagen, maar in Breda.
In de voorwaarden van de verzekering staat dat de inboedel maximaal drie maanden verzekerd is buiten het ‘risicoadres’. Het moet dus de bedoeling zijn dat de inboedel binnen drie maanden weer terugkeert naar het risicoadres. Dat is zo, zegt de man. Hij heeft een kleine tweede opslagruimte in Breda gehuurd omdat hij op die manier wat makkelijker bij zijn spullen kon. Het ging hierbij om spullen waar hij op regelmatige basis bij wilde kunnen. Er werden regelmatig spullen toegevoegd en weggehaald, zegt hij. De inhoud van de opslagruimte veranderde regelmatig en het ging dus niet om een langdurige opslag. De gevolmachtigde ziet dat toch anders: er was volgens de gevolmachtigde geen intentie om de inboedel binnen drie maanden terug te brengen naar het risicoadres.
De Geschillencommissie van Kifid buigt zich over de zaak en stelt dat een verzekeraar in beginsel de vrijheid heeft om de grenzen te bepalen waarbinnen hij bereid is om dekking te verlenen. De Geschillencommissie vindt het net als de gevolmachtigde die namens de verzekeraar optreedt niet aannemelijk dat het de bedoeling was de spullen binnen drie maanden terug te brengen naar Utrecht. Er is niet aan de voorwaarden voldaan.
Maar de man heeft nog een tweede troef in handen: in de voorwaarden staat dat de dekking vervalt wanneer een consument een wijziging zoals het verplaatsen van de inboedel niet doorgeeft tenzij de gevolmachtigde deze wijziging zou hebben geaccepteerd als de wijziging wel was doorgegeven. Hij stelt dat als hij wel had gemeld dat een deel van de spullen naar Breda zou verhuizen, de gevolmachtigde dat zou hebben geaccepteerd, vooral omdat de opslagruimte in Breda volgens hem erg goed is beveiligd. De gevolmachtigde ziet dat anders: in Utrecht worden mensen persoonlijk begeleid naar hun opslagruimte en in Breda is dat niet het geval. De gevolmachtigde zou de wijziging dus niet hebben geaccepteerd. De Geschillencommissie volgt die uitleg. Immers: wanneer er begeleiding aanwezig is, is de kans aanzienlijk kleiner dat een potentiële dief ongemerkt achter een bezoeker aanloopt. Het verschil in beveiliging tussen Utrecht (met persoonlijke begeleiding) en Breda (zonder begeleiding) is bepalend. De man heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de wijziging geaccepteerd zou zijn. De Geschillencommissie concludeert dan ook dat de verzekeringsvoorwaarden duidelijk zijn en de gevolmachtigde de opslagruimte in Breda terecht niet als risicoadres zou hebben geaccepteerd wanneer zij hiervan wel in kennis was gesteld. Kortom: de schade wordt niet vergoed. (GC 2022-0039)
Een gezin heeft een inboedelverzekering met een allriskdekking. De zolderkamer van de dochter wordt verbouwd nadat daar waterschade is geweest, waardoor ze de dochter inclusief haar spullen tijdelijk in een ander pand onderbrengen. Dat andere pand wordt gebruikt als kantoor, maar de eigenaar vindt het goed dat ze er maximaal drie maanden gaat wonen. Nadat ze ruim een maand op die locatie woont, ontstaat tijdens een brand op een aangrenzend perceel rook- en roetschade aan haar spullen. De schade bedraagt ruim vierduizend euro.
Het gezin licht hun tussenpersoon in die contact zoekt met de verzekeraar. Na inspectie door een schade-expert blijkt er geen dekking te zijn voor de schade. Volgens de expert heeft de dochter haar intrek genomen op een nieuw adres en bevonden de spullen zich dus niet slechts tijdelijk op een ander adres. Volgens de voorwaarden is schade aan inboedel buiten het woonhuis alleen gedekt wanneer die inboedel maximaal drie maanden ergens anders aanwezig is. Volgens de schade-expert leek het erop dat de dochter permanent in het ingerichte appartement woonde en dus niet langer thuiswonend is zodat ze niet meeverzekerd is met haar ouders. De ouders tonen daarop een uittreksel uit de basisregistratie personen waaruit blijkt dat hun dochter al die tijd nog wel op hun adres stond ingeschreven. Ook heeft de eigenaar van het pand waar zij tijdelijk verbleef toegelicht dat het om een verblijf van maximaal drie maanden ging omdat er geen woonvergunning op het pand zit en het in gebruik is als kantoor. De dochter heeft het met wat bestaande spullen en spullen van de kringloop weten in te richten.
De zaak wordt voorgelegd aan de Geschillencommissie van Kifid. Die stelt dat de dochter wel degelijk op het adres bij haar ouders inwonend was omdat haar verblijf in het appartement geen definitief karakter had. Zij was niet definitief uit huis gegaan, ook al heeft zij wel de intentie om dat uiteindelijk te gaan doen. De dochter was dus inwonend en verzekerd. Ook is voldaan aan de verzekeringsvoorwaarde dat de spullen maximaal drie maanden elders aanwezig mogen zijn. De Geschillencommissie vindt het aannemelijk dat zij uiterlijk na drie maanden de spullen weer weg zou halen van het tijdelijke adres. De verzekeraar moet het bedrag van ruim vierduizend euro vergoeden. (GC 2021-0918)
Een man slaat in 2011 een draaiorgel op in de garage bij zijn huis. De verzekeraar is daarvan op de hoogte. Een jaar later, in 2012, verhuist de man naar een appartement en verplaatst hij het orgel naar zijn werkplaats in een andere plaats dan zijn woonadres. Weer vijf jaar later, in 2017, gaat het draaiorgel door een brand in de werkplaats verloren. De schade (aan draaiorgel en gereedschap) bedraagt ruim dertigduizend euro. De verzekeraar wil de schade niet vergoeden omdat volgens de verzekeraar het draaiorgel zich niet bevond op het risicoadres van de man. In de verzekeringsvoorwaarden staat dat schade aan inboedel op een ander adres maximaal één jaar verzekerd is.
De eigenaar van het orgel is het niet eens met de afwijzing. Hij stelt dat hij ten tijde van de verhuizing aan de verzekeraar heeft doorgegeven dat het draaiorgel zich op een ander adres bevond. De verzekeraar zegt dat nergens in de systemen staat dat er zich een draaiorgel op een ander adres bevond. De Geschillencommissie van Kifid buigt zich over de zaak en stelt dat het aan de man is om aannemelijk te maken dat de verzekeraar wist dat het draaiorgel zich op een ander adres bevond. Dat lukt hem niet.
De eigenaar heeft nog een argument dat hij inbrengt. Hij vindt dat nu de voorwaarden zijn aangepast per april 2017, de termijn van één jaar pas op dat moment is gaan lopen. En dus is zijn schade gedekt, zegt hij. De verzekeraar stelt dat het orgel al vijf jaar in de werkplaats stond en dat in de voorwaarden bedoeld wordt dat op het moment van de schade de inboedel maximaal één jaar elders mag zijn opgeslagen.
De Geschillencommissie legt uit dat als er twijfel is over wat de polisvoorwaarden precies betekenen, de voor de consument meest gunstige uitleg geldt, zolang die uitleg redelijk is. Maar in dit geval is er geen sprake van twijfel: de regel is duidelijk. De uitleg van de consument is niet van toepassing. De termijn van één jaar wordt gemeten vanaf het moment van schade. De schade aan het draaiorgel komt niet voor vergoeding in aanmerking. (GC 2020-999)
Uitleg
Met een opstal- en inboedelverzekering (ook wel woonhuisverzekering genoemd) beschermt u uw huis en uw spullen. Met de opstalverzekering is schade aan het huis en alles wat vastzit gedekt, zoals muren en dak. De inboedelverzekering beschermt ook losse spullen: meubels, kleding, elektronica. Meestal geldt de dekking voor uw woning, maar soms ook voor spullen die zich buiten het huis op een ander adres bevinden, bijvoorbeeld in een tijdelijke opslag. Hoe lang en onder welke voorwaarden die dekking geldt, staat in de verzekeringsvoorwaarden.
In de voorbeelden in dit kennisdocument wordt steeds gesproken over het risicoadres. Dat is het adres of de locatie waar de verzekerde zaken zich bevinden en het staat ook vermeld op de verzekeringspolis. Naast het woonhuis valt ook een berging, schuurtje of garage (op hetzelfde adres) hieronder.
Of uw spullen ook buiten het risicoadres zijn verzekerd, hangt af van de verzekeringsvoorwaarden. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een maximale duur (variërend van drie maanden tot twee jaar) of er kunnen (veiligheids)eisen worden gesteld aan het type locatie. Ook kan de schadevergoeding gemaximeerd zijn en kunnen bepaalde spullen (verzamelingen/sieraden) zijn uitgesloten van dekking. Kifid-uitspraken laten zien dat schade kan worden geweigerd wanneer de tijdelijke opslag langer duurt dan is toegestaan. De verzekeringsvoorwaarden kunnen ook voorschrijven dat u een tijdelijke verhuizing van de inboedel aan de verzekeraar moet doorgegeven.
Adviseurs en tussenpersonen hebben een zorgplicht om wijzigingen in uw situatie te signaleren, te beoordelen of de dekking van uw verzekering nog passend is en na te gaan of het in uw geval verstandig is om een aanvullende dekking of verzekering af te sluiten zodat uw spullen goed verzekerd zijn. Het is wel aan u om uw tussenpersoon van veranderingen in uw situatie op de hoogte te brengen.
In dit kennisdocument gaat het specifiek over inboedel die zich op een ander adres bevindt dan het risicoadres. Het komt ook voor dat u onderweg bent met spullen zoals elektronica, sportuitrusting of een muziekinstrument. Veel inboedelverzekeringen bieden daarvoor een extra dekking aan in de vorm van een buitenshuisdekking voor schade, verlies en diefstal.
Verzekeringsvoorwaarden moeten duidelijk en begrijpelijk zijn. Is een bepaalde bepaling in de voorwaarden voor meerdere uitleg vatbaar, en is het begrijpelijk dat hierover twijfel is ontstaan, dan geldt de meest gunstige uitleg voor de consument. Dat is de contra proferentem-regel uit het Burgerlijk Wetboek. Het moet daarbij wel gaan om een redelijke uitleg. Wanneer een begrip onduidelijk is, zal de Geschillencommissie aansluiting zoeken bij het normale spraakgebruik.
Meer informatie
Meer voorbeelden uit de Kifid-praktijk
Vindplaats van de genoemde wet- en regelgeving
Artikel 238 lid 2 Burgerlijk Wetboek Boek 6 (contra proferentem regel)
De informatie in dit kennisdocument is bedoeld om u inzicht en achtergrond te geven in de manier waarop Kifid met klachten over een bepaald onderwerp omgaat. Dit kan u helpen bij de voorbereiding van uw eigen zaak. Uiteraard is elke situatie anders. In uw klachtzaak kan een omstandigheid spelen die wij hier niet hebben genoemd.