Kifid reageert op consultatie implementatiewet richtlijn ADR-consumenten
Kifid waardeert de inzet vanuit Europa en het Nederlandse kabinet om de inzet van buitengerechtelijke geschilbeslechting voor consumenten te stimuleren. Dit blijkt uit de reactie die Kifid samen met de Huurcommissie, De Geschillencommissie, GIP en SKGZ heeft gegeven op de consultatie van de Implementatiewet voor wijziging van de Europese richtlijn buitengerechtelijke geschilbeslechting consumenten (Richtlijn ADR consumenten). Er zijn zorgen over de gevolgen van de wijzigingen in de richtlijn. Het wetsvoorstel maakt aanpassing van hun werkwijze, reglementen en IT-systemen noodzakelijk. Daarnaast verwacht Kifid dat door de wijzigingen in de richtlijn het aantal klachten zal stijgen en de klachten complexer worden. Dit betekent een hogere werklast en kostenstijging voor de klachtafhandeling bij ADR-organisaties. De financiële gevolgen lijken nu bij enkele ADR-organisaties geheel voor rekening te komen van aangesloten ondernemers en dat is onwenselijk.
In de consultatiereactie vragen de ADR-organisaties aandacht voor een aantal punten en doen daarvoor suggesties voor aanpassing. Daarnaast zijn er nog een aantal tekstuele opmerkingen gemaakt. Hieronder enkele aandachtspunten die grote gevolgen kunnen hebben voor zowel de ADR-organisaties als voor de consumenten en ondernemers die gebruikmaken van buitengerechtelijke geschilbeslechting.
Geografische uitbreiding vraagt om andere werkwijze
De aangepaste richtlijn maakt het mogelijk dat consumenten met een klacht over een product of dienst van een ondernemer die buiten de Europese Unie is gevestigd, onder voorwaarden, ook gebruik kunnen maken van alternatieve geschilbeslechting. Voor de behandeling van deze grensoverschrijdende financiële klachten voorziet onder meer Kifid dat zij haar werkwijze moet aanpassen en dat het gevolgen heeft voor de snelheid waarmee consumenten duidelijkheid krijgen of hun klacht tegen een ondernemer buiten Europa in behandeling kan worden genomen.
In de financiële sector geldt dat aanbieders hun producten op basis van een vergunning van één Europese toezichthouder mogen aanbieden in verschillende Europese lidstaten. Dit maakt dat het aan de nationale toezichthouder is om erop toe te zien dat ondernemers uit een derde land financiële producten aanbieden mét de hiervoor vereiste vergunning; deze beoordeling hoort niet thuis bij een ADR-instantie zoals Kifid.
Uitnodigingsplicht: waarom voor alle ondernemers?
Het wetsvoorstel schrijft voor dat een ADR-organisatie iedere ondernemer tegen wie een klacht is ingediend moet uitnodigen ‘ongeacht of de deelname van de ondernemer aan de procedure verplicht is’. Het ontgaat de ADR-organisaties wat de toegevoegde waarde is van een uitnodigingsplicht voor ondernemers die al vrijwillig of verplicht gebruikmaken van buitengerechtelijke geschilbeslechting. De ADR-organisaties bepleiten dat de manier waarop zij ondernemers nu betrekken in een klachtprocedure kan worden gezien als ‘uitnodigen’. Dan heeft de uitnodigingsplicht geen werkverzwaring tot gevolg.
Toepassing buitenlands recht past niet bij laagdrempelige geschilbeslechting
Volgens het wetsvoorstel moeten consumenten in eigen land kunnen klagen over buitenlandse ondernemers. In het wetsvoorstel is uitgangspunt dat de ADR-organisaties bij de behandeling van grensoverschrijdende klachten buitenlands recht moeten kunnen toepassen. Dit heeft legt een (te) zware verplichting op Kifid. “Het past niet bij laagdrempelige geschilbeslechting om van de geschilbeslechters te eisen buitenlands recht toe te passen gelet op de vele lidstaten van de EU en EER en mogelijk ook het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland. Het maakt de klachtbehandeling zeer complex en is kostbaar.” Daarbij merkt Kifid op dat - anders dan de rechtspraak - de ADR-organisaties geen toegang hebben tot een kennisinstituut als het T.C.M. Asser Instituut om kwesties voor te leggen waarin het recht van een ander land speelt. Blijft deze vereiste ongewijzigd, dan is financiële ondersteuning op het gebied van ‘kennis over buitenlands recht’ vanuit de rijksoverheid of de EU een voorwaarde. De aanpak van Kifid met grensoverschrijdende klachten kan een alternatief zijn: buitenlandse ondernemers kunnen kiezen voor behandeling van de klacht naar Nederlands recht en de mogelijkheid van een niet-bindend advies, zodat de weg naar de rechter in het eigen land nog openstaat.
Uitzondering op de eis ‘interne klachtenprocedure moet zijn afgerond’
Nu geldt dat consumenten hun klacht eerst moeten voorleggen aan de betrokken ondernemer en dat die ‘interne klachtenprocedure’ moet zijn doorlopen, voordat zij hun klacht voorleggen bij een alternatieve geschilbeslechter. Nieuw in het wetsvoorstel is dat deze eis vervalt als de ondernemer ‘onredelijke eisen aan de vorm of de inhoud van de inhoud van de interne klachtafhandeling’ stelt. De zorg is dat veel consumenten zich hierop gaan beroepen en met hun klacht direct naar een ADR-organisatie gaan. Er is behoefte aan verduidelijking van wat de wetgever verstaat onder ‘onredelijke eisen aan de vorm of de inhoud van de inhoud van de interen klachtafhandeling’ en het is gewenst om de bewijslast hiervoor bij de consument te leggen en de wettekst daarop aan te passen.
Bundeling van gelijksoortige zaken
Kifid ziet de meerwaarde van het onder voorwaarden kunnen bundelen van gelijksoortige klachten. Wel is er behoefte aan verduidelijking van wat de wetgever verstaat onder de ‘kan-bepaling’. Zo gaan de ADR-organisaties ervan uit dat het bundelen van gelijksoortige klachten alleen op initiatief van de ADR-organisatie gebeurt en dat een consument of ondernemer zich daartegen niet kan verzetten. Het ligt voor de hand dat het moet gaan om geschillen tegen dezelfde ondernemer. Wat de ADR-organisaties betreft hoeft de uitspraak voor gebundelde geschillen niet helemaal gelijk te zijn; een geschilbeslechter kan haar oordeel binnen één uitspraak iets differentiëren per geschil, zo staat te lezen in de consultatiereactie.
De volledige consultatiereactie is te vinden via: https://www.internetconsultatie.nl/adr/reacties