Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2010-56

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 56 d.d.
29 maart 2010
(mr. drs. M.L. Hendrikse, voorzitter, mr. E.M. Dil-Stork en drs. A.I.M. Kool)

1. Procedure

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:
– het door de Ombudsman Financiële Dienstverlening overgelegde dossier;
– de klacht, ontvangen bij brief van 14 januari 2009;
– het op 14 januari 2009 door Consument ingevulde en ondertekende vragenformulier;
– het antwoord van Aangeslotene van 7 juli 2009;
– de repliek van Consument van 1 augustus 2009; en
– de dupliek van Aangeslotene van 31 augustus 2009.

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

De Commissie heeft vastgesteld dat partijen het advies als bindend zullen aanvaarden.

De Commissie heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 8 maart 2010.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten:

2.1 Een door Consument met ingang van 31 december 2002 bij een rechtsvoorganger van Aangeslotene gesloten lijfrenteverzekering is op 1 juni 2007 geëxpireerd. Waar hierna gesproken wordt over Aangeslotene wordt daaronder ook de rechts¬voorganger van Aangeslotene verstaan.

2.2 Aangezien Consument het uit verschillende verzekeringen bij verschillende verzekeraars vrijkomende expiratiekapitaal wilde samenvoegen in één lijfrente¬verzekering, is het expiratiekapitaal bij Aangeslotene aanvankelijk gereserveerd. Op 17 december 2007 heeft de tussenpersoon van Consument Aangeslotene verzocht het expiratiebedrag per direct, in ieder geval uiterlijk per 31 december 2007, over te boeken naar een andere verzekeraar. Aangeslotene heeft op 12 februari 2008 aan dit verzoek gehoor gegeven. Aangeslotene heeft Consument vanwege de vertraging in de betaling van het expiratie¬kapitaal een schadebedrag uitgekeerd van € 251,09.

3. Geschil

3.1 Consument vordert van Aangeslotene vergoeding van € 3.643,91, zijnde – na aftrek van het reeds ontvangen bedrag van € 251,09 – de gevolgschade die Consument heeft geleden doordat Aangeslotene het expiratiebedrag niet tijdig aan de nieuwe verzekeraar heeft overgemaakt. Voorts vordert Consument van Aangeslotene de schade die eventueel nog ontstaat indien de fiscus Consument corrigerende maat¬regelen oplegt in verband met het niet tijdig voldoen aan de op hem rustende verplichting het expiratie¬bedrag tijdig aan te wenden voor een lijfrenteverzekering.

Deze vordering steunt – kort en zakelijk weergegeven – op de volgende grondslagen:

– Aangeslotene is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen (ex artikel 6:74 BW) door niet tijdig aan het verzoek van Consument te voldoen om het vrijkomende expiratiekapitaal vóór 31 december 2007 over te maken aan de nieuwe verzekeraar. Op Consument rustte de fiscale verplichting om voor het einde van 2007 – het jaar waarin hij de 70-jarige leeftijd bereikte – het uit de verzekering vrijkomende bedrag aan te wenden voor een lijfrenteverzekering. Doordat Aangeslotene ondanks tijdige opdracht en diverse aanmaningen verzuimde het expiratiebedrag tijdig over te maken aan de nieuwe verzekeraar, verliep de door de nieuwe verzekeraar uitgebrachte offerte en kon niet voldaan worden aan de ingangsdatum van 31 december 2007. Inmiddels was de rente gedaald waardoor de jaarlijkse uitkering € 213,- minder ging bedragen dan vermeld in de offerte. Bovendien vindt uitkering steeds 43 dagen later plaats dan voorzien.
– Artikel 6:119 BW is niet van toepassing op het verzuim omdat het niet gaat om te late betaling van een opeisbaar bedrag, maar om het niet correct meewerken aan het tijdig omzetten van de verzekering van Consument naar een lijfrente.

3.2 Aangeslotene heeft, kort en zakelijk weergegeven, het volgende als verweer aangevoerd:

– Op grond van de met Consument gesloten verzekeringsovereenkomst rustte op Aangeslotene de verplichting tot betaling van een geldsom aan Consument. Ingevolge artikel 6:119 BW bestaat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is. De schuld¬eiser heeft minimaal en maximaal recht op het bedrag van de wettelijke rente (HR 11 februari 2000, NJ 2000, 275). Met de betaling van € 251,09 aan wettelijke rente heeft Aangeslotene voldaan aan de schadevergoedingsplicht die ingevolge artikel 6:119 BW op haar rust. De vordering van Consument om aanvullende financiële compensatie te ontvangen, is niet in overeenstemming met de wettelijke bepalingen die de vertragingsschade regelen. Van slecht beheer van de verzekerings¬overeen¬komst door Aangeslotene is geen sprake geweest.
Subsidiair geldt dat Consument de door hem gevorderde schadevergoeding on¬voldoende heeft onderbouwd en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van causaal verband tussen de vertraging in de betaling van het expiratie¬kapitaal en de gevorderde schadevergoeding.

4. Zitting

4.1 Ter zitting is besproken dat Aangeslotene Consument de uitslag stuurt van het interne onderzoek dat bij Aangeslotene heeft plaatsgevonden naar de reden van de vertraging in de betaling van het expiratiebedrag.
Voorts heeft Aangeslotene Consument ter zitting nog een aanbod gedaan om de zaak in der minne te schikken. Dit aanbod is door Consument verworpen.

5. Beoordeling

5.1 Consument stelt zich op het standpunt dat zijn vordering niet betreft de (te late) betaling van een opeisbaar bedrag, maar het niet correct meewerken aan het tijdig omzetten van zijn verzekering naar een lijfrente.

5.2 Dit standpunt van Consument is onjuist. Vanaf 1 juni 2007 was de verzekering van Consument reeds geëxpireerd en werd het geld door Aangeslotene op verzoek van Consument gereserveerd.
De vordering betreft derhalve de voldoening van een geldsom.

5.3 Voor schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, geldt de regeling zoals neergelegd in artikel 6:119 BW. Dit artikel geeft uiting aan het zogenaamde fixatiebeginsel. Dat houdt in dat de schuldeiser minimaal en maximaal recht heeft op het bedrag van de wettelijke rente (Vgl. Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 467 en 473). De grootte van de daadwerkelijk geleden schade is daarbij niet relevant.

5.4 Nu Aangeslotene de ingevolge artikel 6:119 BW verschuldigde wettelijke rente reeds aan Consument heeft vergoed, heeft Consument niets meer van Aangeslotene te vorderen. De vordering van Consument moet derhalve worden afgewezen.

6. Beslissing

De Commissie wijst, als bindend advies, de vordering van Consument af.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact