Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2012-133 (bindend)

Tussenuitspraak en Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2012-133 d.d. 25 april 2012
(mr. J. Wortel, voorzitter, en de heren R.H.G. Mijné en prof. drs. A.D. Bac RA, leden en mr. D.M.A. Gerdes, secretaris)

TUSSENUITSPRAAK

1. Procedure

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:
– het verzoek tot geschilbeslechting met bijlagen, ontvangen op 17 maart 2010;
– het antwoord van Aangeslotene van 27 juli 2010;
– de repliek van Consument van 16 augustus 2010;
– de dupliek van Aangeslotene van 13 september 2010;
– de ter zitting overgelegde schriftelijke toelichting van Consument;
– de brief van Aangeslotene van 7 januari 2011;
– de ongedateerde brief met bijlagen van Consument, ontvangen op 14 februari 2011;
– de brief van Aangeslotene van 28 maart 2011; en
– de brief van Consument van 28 maart 2011.
De Commissie stelt vast dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid en dat partijen het advies als bindend zullen aanvaarden.
De Commissie heeft partijen opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 5 januari 2011. Aldaar zijn partijen verschenen.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten:
2.1 In 2006 heeft Consument zijn effectenportefeuille bij Aangeslotene ondergebracht. Op 27 maart 2006 heeft Aangeslotene een beleggingsvoorstel aan Consument gezonden:
• “(…) U wenst vooralsnog een vermogen van € 835.000,- te beleggen. (…)
• Uw primaire beleggingsdoelstelling is het realiseren van een gemiddeld rendement van 6,5% in enig beleggingsjaar.
• U heeft aangegeven dat u met uw vermogen niet te veel risico wenst te lopen. Anderzijds bent u zich bewust van het feit dat zonder het nemen van risico geen uitzicht kan worden gekregen op een rendement dat ligt boven het risicovrije rendement van een spaarrekening of staatsobligatie. Er zal naar gestreefd worden een oplossing voor dit dilemma te vinden door het vermogen (zeer) breed te spreiden over en binnen de verschillende beleggingscategorieën en ten dele gebruik te maken van beleggingsproducten met een hoofdsomgarantie.
• U heeft aangegeven dat u bereid bent een neerwaarts risico te lopen van maximaal 20% (in enig beleggingsjaar) op de totale hoofdsom van (vooralsnog) € 835.000.
(…)
• U beschikt over een beleggingshorizon van minimaal 7 jaar.
(…)
• Gelet op uw risicohouding en rendementeis adviseren wij u om de portefeuille te structureren volgens het beleggingsprofiel 3 – Y-mix.
(…)
Asset Allocation
Met het oog op de door u aangegeven randvoorwaarden (…) adviseren wij de volgende verdeling (…) over de verschillende beleggingscategorieën:
Beleggingscategorie Bandbreedte (…)
Aandelen 35-65 (…)
Individuele aandelen/Beleggingsfondsen 30-55 (…)
Aandelen met beperkt risico 5-10 (…)
Vastrentende waarden 25-55 (…)
Obligaties 15-40 (…)
High Yield/Credit Linked 10-15 (…)
Alternatieve beleggingen 0-25 (…)
(…)
De invloed van de beleggingshorizon op de keuze van het portefeuilleprofiel
Tevens is de keuze van de beleggingsperiode of planningsperiode belangrijk. In het algemeen leert de ervaring namelijk, dat hoe langer de beleggingshorizon, hoe groter de kans is dat tussentijdse (negatieve) fluctuaties kunnen worden uitgemiddeld. (…)
Onderstaande grafiek laat het effect van de beleggingshorizon zien voor het portefeuilleprofiel ‘Y-mix’. Voor verschillende beleggingsperioden is nagerekend wat de hoogste en laagste rendementen zouden zijn geweest (…):
• bij een beleggingshorizon van één jaar lag het rendement tussen de -12% en +24%.
• bij een beleggingshorizon van tien jaar was deze marge verkleind tot +7% en +13%. (…)
Uitgangspunten voor portefeuilleprofielen
De voorgaande bevindingen zijn gebaseerd op historische rendementen (…). Concrete vermogensportefeuilles kunnen positief en negatief afwijken van deze langetermijngemiddelden. (…)”
2.2 Partijen zijn een vermogensbeheerovereenkomst gedateerd 21 april 2006 aangegaan (hierna: de overeenkomst), waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“(…) De Doelstellingen en uitgangspunten zijn gebaseerd op het beleggingsvoorstel d.d. 27 maart 2006.
Doelstellingen
Het beleggingsbeleid is gericht op het realiseren van vermogensgroei.
Het beleggingsbeleid is gericht op behoud van vermogen.
Uitgangspunten
De beleggingen geschieden met een lange beleggingshorizon (een lange beleggingshorizon heeft betrekking op een periode van minimaal vijf jaar).
Het gebruik van opties is toegestaan.
• (…)
• Tegenover geschreven puts dienen voldoende liquiditeiten of financieringsruimte te staan.
(…)
Uw portefeuille zal beheerd worden op basis van het onderstaande portefeuilleprofiel. Y belegt binnen de bandbreedtes van het gekozen profiel. (…)
Portefeuilleprofiel Y-mix
Aandelen 35 – 65%
Vastrentende waarden 25 – 55%
Alternatieve beleggingen 0 – 25%.”
2.3 Op 6 maart 2008 heeft Aangeslotene Consument gewezen op de mogelijkheid om aandelen Fortis te kopen in combinatie met call- en putoptiecontracten. Vervolgens heeft Aangeslotene op 26 maart 2008 voor Consument 1.500 aandelen Fortis gekocht voor een koers van € 15,69. Op of omstreeks diezelfde dag is Aangeslotene ten behoeve van Consument calloptiecontracten aangegaan uit hoofde waarvan zij gehouden was 1.500 aandelen Fortis te verkopen voor een koers van € 16, zo ook putoptiecontracten op grond waarvan zij een gelijk aantal aandelen Fortis diende te kopen voor een koers van € 14. Voor het aangaan van de calloptie- en de putoptiecontracten heeft Consument een premie ontvangen van in totaal € 5,90 per aandeel. Deze transactie – de aankoop van 1.500 aandelen Fortis en het aangaan van call- en putoptiecontracten voor een gelijk aantal aandelen Fortis – zal hierna worden aangeduid als “de Fortis-constructie”.
2.4 De waarde van het bij Aangeslotene belegde vermogen van Consument bedroeg op 1 juni 2006 € 842.068,53 en op 26 juli 2010 € 770.647,59. In deze periode is een bedrag van € 91.938,37 aan de portefeuille onttrokken.

3. Geschil

3.1. Consument vordert dat Aangeslotene wordt veroordeeld tot vergoeding van zijn schade, die hij in zijn ter zitting overgelegde “samenvattende toelichting” heeft begroot op een bedrag van afgerond € 125.000. De schade is onder meer ontstaan, zo stelt Consument, doordat Aangeslotene, met name in de periode tussen eind oktober 2007 en maart 2008, de winst op de portefeuille niet heeft veilig gesteld door tot verkoop over te gaan, waardoor Consument een bedrag van ruim € 47.000 aan winst heeft gederfd. Tot de schade rekent Consument voorts het verlies op de alternatieve beleggingen, dat hij begroot op € 40.000, en het verlies op de Fortis-constructie, eveneens begroot op € 40.000.
3.2. Aan zijn vordering legt Consument ten grondslag dat Aangeslotene toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen uit de overeenkomst. Dit tekortschieten is gelegen in het feit dat op de portefeuille, met name in de periode tussen eind oktober 2007 en maart 2008, een verlies van meer dan 10% is geleden, terwijl met Aangeslotene was afgesproken dat het verlies beperkt zou blijven tot maximaal 10%. Verder zijn in deze periode, ondanks herhaalde verzoeken van Consument, onvoldoende maatregelen genomen om (verdere) waardedaling van de portefeuille tegen te gaan. Ten slotte heeft Aangeslotene alternatieve beleggingen en de Fortis-constructie in de portefeuille opgenomen, terwijl dergelijke producten niet passen in het beleggingsprofiel van Consument.
3.3 Aangeslotene heeft de stellingen van Consument gemotiveerd weersproken. Voor zover nodig zal de Commissie bij de beoordeling daarop ingaan.
4. Beoordeling

4.1 Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de Commissie als volgt.
4.2 De Commissie stelt vast dat tussen partijen een relatie van vermogensbeheer bestaat. Aan vermogensbeheer is eigen dat de beheerder zijn beheerstaken naar eigen inzicht vervult; ook dient hij het hem toevertrouwde vermogen te beheren zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vermogensbeheerder mag worden verwacht. Bij beantwoording van de vraag of het gevoerde beheer aan deze eis heeft voldaan, komt groot belang toe aan de beleggingsdoelstellingen van de cliënt en het vastgestelde risicoprofiel.
4.3 Ten aanzien van de schadepost ad € 47.000 overweegt de Commissie als volgt. De Commissie constateert dat het door Aangeslotene overgelegde beleggingsvoorstel een neerwaartse risicobereidheid vermeldt van maximaal 20% (in enig beleggingsjaar). Consument heeft echter onweersproken gesteld dat hij na ontvangst van dit beleggings¬voor-stel aan Aangeslotene heeft bericht dat dit percentage 10% behoorde te zijn, zodat dit is komen vast te staan.
4.4 Als verweer voert Aangeslotene aan dat zij geen garantie heeft gegeven dat 10% het maximale risico was dat op de portefeuille van Consument werd gelopen. Dit verweer slaagt. De Commissie constateert in de eerste plaats dat in de overgelegde bladzijden van de over¬eenkomst geen bepaling staat die de strekking van een dergelijke garantie heeft. Ook heeft Consument uit de zinsnede over de risicobereidheid in het beleggingsvoorstel niet mogen afleiden dat het verlies op de portefeuille nooit meer zou bedragen dan 10%. In het beleg¬gingsvoorstel heeft Aangeslotene immers ook uitgelegd dat de waarde van een effectenpor¬tefeuille kan fluctueren, dat naarmate de beleggingshorizon langer is, de kans groter is dat tussentijdse negatieve fluctuaties kunnen worden uitgemiddeld, dat bij het portefeuilleprofiel Y-mix het rendement bij een beleggingshorizon van één jaar in de afgelopen jaren tussen de -12% en +24% lag en dat de resultaten van een concrete portefeuille kunnen afwijken van deze historische rendementen. Uit deze mededeling heeft Consument in elk geval kunnen opmaken dat een grotere daling dan 10% zich tussentijds kon voordoen en dat er vooraf geen garantie werd gegeven ten aanzien van de (tussentijdse)
waarde van de portefeuille. Gelet daarop is Consument niet gerechtigd tot schadevergoeding op de grond dat de waardedaling tussentijds meer dan 10% heeft bedragen.
4.5 Voorts stelt Consument dat Aangeslotene, ondanks herhaalde verzoeken daartoe, onvoldoende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van waardedaling. De Commissie overweegt als volgt. De enkele omstandigheid dat een vermogensbeheerder geen gevolg geeft aan aanwijzingen van zijn cliënt is nog geen grond voor aansprakelijkheid, ook in die situatie waarin achteraf bezien een beter resultaat zou zijn behaald als die aanwijzingen wel waren opgevolgd. Uitgangspunt in een relatie van vermogensbeheer is immers de vrijheid van beheer, terwijl Aangeslotene bovendien onweersproken heeft gesteld dat in de overeen¬komst is bepaald dat zij vrij is in de wijze waarop het vermogensbeheer wordt verricht. Voorts is niet gebleken dat de portefeuille zich op enig moment buiten de afgesproken bandbreedten heeft bewogen. Ten slotte heeft Consument geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit zonder meer volgt dat het beleid van Aangeslotene, en in het bijzonder haar beslissing om ondanks de aanwijzingen van Consument de portefeuille niet ingrijpend te wijzigen, ondeugdelijk is geweest. In dit verband acht de Commissie het van belang dat de portefeuille een beleggingshorizon had van minimaal zeven jaar en dat Aangeslotene onweersproken heeft gesteld dat over de periode van juni 2006 tot juli 2010 een positief resultaat is behaald. Gezien deze omstandigheden komt deze schadepost – de gestelde schade ad € 47.000 – niet in aanmerking voor vergoeding.
4.6 Ten aanzien van de tweede schadepost, het verlies op de alternatieve beleggingen, constateert de Commissie dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Consument heeft onvoldoende specifieke feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat deze producten gezien zijn beleggingsdoelstelling niet hadden mogen worden aangekocht. Evenmin heeft hij inzichtelijk gemaakt op welke van de alternatieve beleggingen hij schade heeft geleden. Ook blijkt niet uit zijn stellingen welke van deze beleggingen onverkoopbaar zijn gebleken. Ook dit onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
4.7 Aan de orde is ten slotte de derde schadepost, het verlies op de Fortis-constructie. Consument heeft onweersproken gesteld dat Aangeslotene hem voor het aangaan daarvan heeft medegedeeld dat bij deze constructie “de onderkant gedekt, echter de bovenkant begrensd” was. De Commissie constateert dat daarmee een misleidende mededeling aan Consument is gedaan; door het aangaan van de call- en putoptiecontracten werd weliswaar een premie van € 5,90 per aandeel verkregen, maar de constructie bood geen dekking voor het geval dat de koers van het aandeel Fortis met meer dan € 5,90 zou dalen, terwijl het tussen partijen niet in geschil is dat de daadwerkelijke koersdaling van dit aandeel in 2008 veel groter is geweest dan € 5,90. Voorts is de Fortis-constructie naar het oordeel van de Commissie te risicovol in het licht van de beleggingsdoelstellingen van Consument. In het beleggingsvoorstel is immers vastgelegd dat Consument met zijn vermogen “niet te veel risico wenst te lopen” en dat daarom ervoor is gekozen “het vermogen (zeer) breed te spreiden over en binnen de verschillende beleggingscategorieën en ten dele gebruik te maken van beleggingsproducten met een hoofdsomgarantie.” Met dit uitgangspunt valt het aangaan van de Fortis-constructie niet te verenigen, aangezien Consument bij deze constructie wordt blootgesteld aan het risico dat hij aandelen Fortis moet aankopen tegen
een koers die ver boven de marktwaarde ligt, terwijl de constructie alleen bescherming geeft tegen het daardoor ontstane verlies voor zover de koersdaling niet meer bedraagt dan
€ 5,90. De Commissie volgt Aangeslotene dan ook niet in haar verweer dat deze constructie toelaatbaar was op grond van de overeenkomst. De omstandigheid dat het aangaan van opties toegestaan was op grond van de overeenkomst, neemt immers niet weg dat Aangeslotene zich daarvan had dienen te onthouden omdat dit niet in overeenstemming was met de beleggingsdoelstellingen van Consument.
4.8 Als verweer heeft Aangeslotene voorts aangevoerd dat Consument bekend moet worden verondersteld met dergelijke constructies omdat hij, toen de portefeuille naar Aangeslotene werd overgeboekt, put- en callopties ABN AMRO in portefeuille had. In dit verband stelt Aangeslotene voorts dat de Fortis-constructie op initiatief van Consument is aangegaan en dat Consument “vast is op financials”, wat ook zou blijken uit de omstandig-heid dat hij op eigen initiatief aandelen Fortis heeft bijgekocht. De Commissie is van oordeel dat deze omstandigheden, ook indien ze zouden komen vast te staan, nog niet meebrengen dat een dergelijke constructie zich verdraagt met de beleggingsdoelstellingen van Consument, terwijl Aangeslotene evenmin feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat Consument bekend is geweest met de risico’s van de constructie. Gelet daarop wordt ook dit verweer verworpen.
4.9 Gezien het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de Fortis-constructie niet had mogen worden aangegaan en dat Aangeslotene aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade.
4.10 Consument heeft zijn verlies op de Fortis-constructie begroot op € 40.000. De Commissie constateert evenwel dat dit schadebedrag geen steun vindt in de vaststaande feiten. Vast staat alleen dat Aangeslotene in maart 2008 1.500 aandelen Fortis voor een koers van € 15,69 heeft gekocht en dat op grond van de call- en putoptiecontracten € 5,90 per aandeel is ontvangen, terwijl het onduidelijk is of deze 1.500 aandelen inmiddels zijn verkocht en zo ja, voor welke koers. Ook is het onduidelijk hoeveel transacties op grond van de call- en putoptiecontracten zijn verricht en hoeveel winst of verlies op die contracten is behaald. De Commissie zal daarom Aangeslotene in de gelegenheid stellen opgave te doen van de bedoelde ontbrekende gegevens. Deze gegevens dient Aangeslotene tegelijkertijd ter beschikking van Consument te stellen, aangezien de Commissie beide partijen vervolgens de gelegenheid zal bieden een nadere berekening van het schadebedrag over te leggen, voorzien van een inzichtelijke toelichting. Uitgangspunt van deze schadeberekening dient te zijn dat Consument in de positie wordt gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als de Fortis-constructie nooit zou zijn aangegaan, en dat de aandelen Fortis, voor zover niet reeds verkocht, aan Aangeslotene worden overgedragen. Deze nadere berekening dienen partijen per gelijke post aan elkaar te sturen, waarna zij nog op elkaars zienswijzen kunnen reageren, alles binnen de hierna gestelde termijn.
4.11 Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.

5. Beslissing

De Commissie bepaalt dat Aangeslotene binnen een termijn van vier weken na de dag waarop een afschrift van deze beslissing aan partijen is verstuurd, per gelijke post aan de Commissie en aan Consument de volgende gegevens dient te verstrekken:
(a) of de in overweging 4.10 genoemde aandelen Fortis inmiddels zijn verkocht en zo ja, voor welke koers;
(b) hoeveel transacties er zijn verricht uit hoofde van de in overweging 4.10 genoemde call- en putoptiecontracten en hoeveel winst of verlies op die contracten is behaald;
(c) een berekening van het verlies dat Consument heeft geleden op de Fortis-constructie, voorzien van een inzichtelijke toelichting.
De Commissie bepaalt voorts dat beide partijen, binnen vier weken na de dag waarop Aangeslotene de zojuist genoemde gegevens zal hebben verstrekt, een nadere berekening kunnen overleggen, tegelijkertijd aan de Commissie en aan de wederpartij, van het nadeel dat Consument heeft ondervonden in vergelijking met de situatie waarin de Fortis-constructie niet zou zijn aangegaan, ervan uitgaande dat Aangeslotene de aandelen Fortis die Consument nog in bezit heeft tegen de dan geldende koers van Consument zal overnemen.
De Commissie bepaalt ten slotte dat beide partijen, binnen vier weken na de dag waarop zij deze nadere schadeberekening van elkaar hebben ontvangen, daarop nog schriftelijk mogen reageren.
Alle overige beslissingen worden aangehouden.

Samenvatting

Vermogensbeheer. Einduitspraak na tussenuitspraak waarin de vermogensbeheerder is verzocht de schade toe te lichten. Naar het oordeel van de Commissie bestaat er geen grond voor het vergoeden van gevolgschade. De vordering tot schadevergoeding wordt gedeeltelijk toegewezen.

2. Procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de tussenuitspraak van 30 september 2011;
– de brief van 24 oktober 2011 van Aangeslotene;
– de brief van 28 november 2011 van Consument; en
– de brief van 28 december 2011 van Aangeslotene.
In vervolg op deze brieven heeft de secretaris aan partijen bericht dat de Commissie zich voldoende voorgelicht acht en haar einduitspraak zal wijzen.

2. De verdere beoordeling

2.5 In de tussenuitspraak van 30 september 2011 heeft de Commissie overwogen dat de Fortis-constructie niet had mogen worden aangegaan en dat Aangeslotene aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade. Verder heeft de Commissie, omdat zij aan de hand van de ingediende stukken nog niet de schade kon begroten, Aangeslotene verzocht opgave te doen van de daarvoor relevante gegevens; aan beide partijen is gelegenheid geboden voor het overleggen van een schadeberekening.
2.6 In de brief van 24 oktober 2011 heeft Aangeslotene het verlies op de Fortis-construc-tie begroot op € 28.405,15. Consument heeft dit bedrag niet betwist, zodat vast is komen te staan dat dit verlies € 28.405,15 bedraagt. Ook de overige in deze berekening opgenomen bedragen zijn door Consument niet betwist; evenmin heeft Consument betwist dat de Fortis-constructie is aangegaan op 26 maart 2008 en dat de aandelen Fortis op 4 september 2009 zijn verkocht, zodat ook dit is komen vast te staan.
2.7 Naar het oordeel van de Commissie is Aangeslotene niet gehouden tot vergoeding van het gehele verlies van € 28.405,15. Het te vergoeden bedrag moet immers worden berekend door een vergelijking te maken tussen (a) het daadwerkelijke verlies ad € 28.405,15 over de periode van 26 maart 2008 tot 4 september 2009 en (b) het verlies dat in die periode zou zijn geleden in het hypothetische geval dat er effecten zouden zijn gekocht
die wel voldeden aan de beleggingsdoelstellingen van Consument. Aannemelijk is dat in dat geval reguliere aandelen zouden zijn gekocht, aangezien de Fortis-constructie behoorde tot het aandelengedeelte van de portefeuille. Het verlies dat in dat geval zou zijn geleden, dient te worden berekend over het bedrag dat op 26 maart 2008 per saldo in de Fortis-construc¬tie is belegd; dit bedrag kan worden afgeleid uit de berekening in de genoemde brief van
24 oktober 2011 en is gelijk aan € 14.685 (de aankoopsom van de aandelen Fortis ad € 23.535 minus de opbrengst van de call- en putoptiecontracten ad € 8.850) en aan de hand van de daling van de AEX-index in die periode, die 33,09% bedroeg. Daarvan uitgaande zou in het genoemde hypothetische geval een verlies van (0,3309 x € 14.685 =) € 4.860 zijn geleden. Het verschil tussen het hypothetische verlies (€ 4.860) en het daadwerkelijke verlies (€ 28.405,15) komt daarmee uit op € 23.545,15. Gelet daarop komt een bedrag van € 23.545,15 voor vergoeding in aanmerking.
2.8 Consument stelt dat ook de gevolgschade op de Fortis-constructie moet worden vergoed. Volgens Consument kan de gevolgschade op twee manieren worden berekend: ten eerste aan de hand van het percentage waarmee de portefeuille als geheel in waarde is gestegen na 26 maart 2008 (de dag waarop de Fortis-constructie is aangegaan), ten tweede door het toekennen van een redelijk te achten rentevergoeding vanaf 26 maart 2008, waarbij aansluiting kan worden gezocht bij de wettelijke rente. Aangeslotene heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze stellingen.
2.9 De Commissie begrijpt deze stelling van Consument als een vermeerdering van eis, die toelaatbaar is omdat Aangeslotene de mogelijkheid heeft gehad hiertegen verweer te voeren en dit ook heeft gedaan. De Commissie zal daarom beoordelen of de vordering tot vergoeding van gevolgschade toewijsbaar is.
2.10 De eerste methode die Consument hanteert voor het berekenen van de gevolg¬scha-de (aan de hand van de waardestijging van de portefeuille na 26 maart 2008) houdt in dat niet alleen het verlies op de Fortis-constructie zou worden vergoed, maar ook de winst die Consument op de aankoopsom van deze constructie had kunnen behalen. De vordering tot vergoeding van deze winst berust kennelijk op de veronderstelling dat – nu de portefeuille als geheel na 26 maart 2008 in waarde is gestegen – ook op de afzonderlijke effecten in de portefeuille een waardestijging zou zijn behaald. Met dit standpunt miskent Consument even¬wel dat het tekortschieten van Aangeslotene niet is gelegen in het feit dat op de Fortis-con¬structie geen winst is behaald, maar in het feit dat deze constructie niet paste bij zijn beleg¬gingsdoelstellingen (zie overweging 4.7 en 4.8 van de tussenuitspraak); ook als Aangeslotene effecten zou hebben gekocht die zich wel met zijn beleggingsdoelstellingen verdroegen, zou immers de mogelijkheid hebben bestaan dat op die effecten na 26 maart 2008 geen winst zou zijn behaald. De op deze wijze berekende gevolgschade komt dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.
2.11 Voor de tweede methode die Consument voorstelt – het berekenen van de wette-lijke rente over het schadebedrag – acht de Commissie van belang dat wettelijke rente wordt vergoed indien sprake is van een vertraging in de voldoening van een geldsom en dat Consument deze rente vordert vanaf 26 maart 2008. Uit de stellingen van Consument in zijn brief van 28 november 2011 wordt echter niet duidelijk op welk tijdstip Aangeslotene had behoren te beseffen dat zij door Consument aansprakelijk was gesteld, zodat niet is komen
vast te staan dat zij reeds in 2008 in verzuim was geraakt met de betaling van een schade-bedrag. Daar komt bij dat Aangeslotene een gespreksnotitie van 30 september 2008 heeft overgelegd, waaruit blijkt dat Consument op die dag telefonisch informatie heeft gevraagd over de Fortis-constructie en aan de orde heeft gesteld of met deze positie niet een te groot risico was genomen. In het kader van zijn stellingen over de gevolgschade is Consument echter niet op dit telefoongesprek ingegaan, zodat naar het oordeel van de Commissie onvoldoende duidelijk is geworden of en zo ja, op welk moment hij de schade had kunnen beperken; in zoverre heeft Consument zijn stellingen over de gevolgschade onvoldoende onderbouwd. Dit brengt mee dat de gevolgschade, ook als deze wordt gelijk gesteld aan de wettelijke rente over het schadebedrag, niet voor vergoeding in aanmerking komt.
2.12 Gezien het voorgaande zal de vordering van Consument gedeeltelijk worden toege-we¬zen. Aangeslotene zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 23.545,15. Voorts zal Aangeslotene, omdat Consument gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, bestaande uit de eigen bijdrage ad € 50 van Consument. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

3. Beslissing

De Commissie beslist als bindend advies dat Aangeslotene binnen vier weken na de dag waarop een afschrift van deze beslissing aan partijen is verstuurd aan Consument vergoedt:
(a) een bedrag van € 23.545,15; en
(b) het bedrag van € 50, betaald door Consument als eigen bijdrage aan de behandeling van dit geschil.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 13:00

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact