Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2014-370 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2014-370 d.d. 7 oktober 2014
(mr. R.J. Paris, voorzitter en mr. F. Faes, secretaris)

Samenvatting

Consument vordert uitbetaling van de in de spaarbankboekjes vermelde spaartegoeden. De Commissie stelt vast dat de vordering van Consument is verjaard en de bank reeds om die reden terecht heeft kunnen weigeren over te gaan tot uitbetaling van het door Consument gevorderde. Ten overvloede overweegt de Commissie dat de bank voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het saldo, zoals opgenomen in de spaarbankboekjes, op enig moment moet zijn uitgekeerd. Consument kan daarom, ook voor zover zijn vordering niet reeds zou zijn verjaard, geen aanspraak maken op uitbetaling van de in de spaarbankboekjes vermelde spaartegoeden.

Consument,

tegen

de coöperatie Coöperatieve Rabobank De Zuidelijke Baronie U.A., gevestigd te Baarle-Nassau en de coöperatie Coöperatieve Rabobank Walcheren/Noord-Beveland U.A., gevestigd te Vlissingen, hierna tezamen te noemen Aangeslotene.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:
– het dossier van de Ombudsman Financiële Dienstverlening;
– het door Consument ondertekende klachtformulier inclusief bijlagen, ontvangen op
22 mei 2014;
– het verweerschrift van Aangeslotene.

2. Overwegingen

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid en dat beide partijen het advies van de Commissie als bindend aanvaarden. De Commissie heeft voorts vastgesteld dat het geschil zich leent voor een schriftelijke afdoening als bedoeld in artikel 37.7 van haar Reglement.

3. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten:

3.1. Consument is in het bezit van een drietal in 1976 door een rechtsvoorganger van Aangeslotene uitgegeven spaarbankboekjes. Het spaarbankboekje met nummer 0000 staat op naam van de dochter van Consument en de spaarbankboekjes met nummers 1111 en 2222 staan op naam van de echtgenote van Consument.

3.2. Uit de vermeldingen in het spaarbankboekje van de dochter van Consument blijkt dat de laatste mutatie dateert van 20 oktober 1977. Het tegoed na de laatste mutatie bedraagt
ƒ 741,93.
3.3. Uit de vermeldingen in het spaarbankboekje van de echtgenote van Consument met nummer 1111 blijkt dat de laatste mutatie dateert van 30 september 1977. Het tegoed na de laatste mutatie bedraagt ƒ 529,88.
3.4. Het spaarbankboekje van de echtgenote van Consument met nummer 2222 vermeldt een laatste mutatie van 31 december 1976. Het tegoed na de laatste mutatie bedraagt
ƒ 9.677,99.
3.5. Begin 2013 heeft Consument de spaarbankboekjes aan Aangeslotene aangeboden en aanspraak gemaakt op de in de spaarbankboekjes vermelde spaartegoeden.

4. De vordering en grondslagen

4.1. Consument vordert dat Aangeslotene wordt veroordeeld tot uitbetaling van de in de spaarbankboekjes vermelde spaartegoeden met een tegenwaarde van ƒ 10.949,80, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.2. Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslagen.
– Aangeslotene heeft op geen enkele aanvaardbare of logische wijze aangetoond dat de in de spaarbankboekjes vermelde spaartegoeden zijn uitgekeerd.
– Consument acht het ondenkbaar dat de spaartegoeden zijn uitgekeerd, zonder inlevering van de originele spaarbankboekjes.
– Van uitkering van de spaartegoeden door middel van ondertekening van een kwitantie (omdat de spaarbankboekjes zouden zijn zoekgeraakt) kan geen sprake zijn nu Consument de spaarbankboekjes in zijn bezit heeft. Bovendien beschikt Aangeslotene niet over een afschrift/kopie van een dergelijke kwitantie.
4.3. Aangeslotene heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
– Uit onderzoek is gebleken dat ter zake de betreffende spaarbankboekjes niets meer in de bankadministratie is terug te vinden. Evenmin werden op de zogenaamde kerkhofrekeningen nog tegoeden aangetroffen die verband houden met de spaarbankboekjes. Aangeslotene is dan ook van mening dat de aan de spaarbankboekjes gekoppelde dan wel daarmee verband houdende rekeningen op enig moment zijn opgeheven. Aangeslotene kan een rekening alleen opheffen indien er geen saldo meer op staat.
– Het feit dat iemand in het bezit is van één of meer spaarbankboekjes, houdt niet in dat iemand nog recht heeft op de in de spaarbankboekjes vermelde tegoeden. In het verleden is het vaker voorgekomen dat spaarsaldi zijn uitgekeerd zonder dat daarbij de spaarbankboekjes zijn overgelegd, bijvoorbeeld omdat deze zoekgeraakt waren. In die gevallen is het spaarsaldo aan de rechthebbende uitbetaald tegen ondertekening van een kwitantie.
– De door Consument gestelde vorderingen zijn verjaard. Hierbij merkt Aangeslotene op dat indien uit haar administratie zou zijn gebleken dat er nog tegoed aanwezig zou zijn, zij zich nooit zou beroepen op verjaring en altijd aan de beschikkingsbevoegde zou uitbetalen.

5. Beoordeling

5.1. Alvorens de Commissie kan toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering van Consument, zal zij eerst het beroep van Aangeslotene op verjaring beoordelen.
5.2. De Commissie stelt vast dat Consument beschikt over een drietal spaarbankboekjes, waarvan de laatste mutaties dateren van respectievelijk 20 oktober 1977, 30 september 1977 en 31 december 1976. Voor verjaring van de betreffende vordering is het bepaalde in artikel 3:307 lid 2 Burgerlijk Wetboek van toepassing. Het gaat hier immers om een overeenkomst van verbruikleen die voor onbepaalde tijd is aangegaan. In onderhavig geval is de verjaringstermijn in 1976 respectievelijk 1977 gaan lopen. Onder het toen toepasselijke (oude) recht gold voor deze vordering een verjaringstermijn van 30 jaar. Inmiddels geldt echter een verjaringstermijn van 20 jaar. Nu na respectievelijk 20 oktober 1977, 30 september 1977 en 31 december 1976 geen mutaties meer hebben plaatsgevonden en ook geen (andere) stuitingshandelingen zijn verricht, is de Commissie niet gebleken dat Consument de verjaring van zijn vordering tijdig en rechtsgeldig heeft gestuit. Dit betekent dat, met inachtneming van het toepasselijke overgangsrecht, de vordering van Consument in ieder geval in respectievelijk oktober 1997, september 1997 en december 1996 is verjaard. Aangeslotene heeft dan ook reeds om die reden terecht kunnen weigeren over te gaan tot uitbetaling van het door Consument gevorderde.
5.3. Gelet op het feit dat Aangeslotene in haar verweerschrift heeft gesteld dat indien uit haar administratie zou zijn gebleken dat er nog tegoed aanwezig zou zijn, zij zich nooit zou beroepen op verjaring en altijd aan de beschikkingsbevoegde zou uitbetalen, overweegt de Commissie (ten overvloede) als volgt.
5.4. Uit de administratie van Aangeslotene is gebleken dat er geen informatie over de spaarbankboekjes, de aan de spaarbankboekjes verbonden rekeningen dan wel nog openstaande tegoeden, is terug te vinden. Ook op de zogenaamde kerkhofrekeningen van Aangeslotene is geen saldo verband houdende met de spaarbankboekjes aangetroffen. Gelet op het tijdsverloop kan van Aangeslotene niet worden verwacht dat zij inzicht geeft in de exacte wijze waarop en de persoon aan wie is uitgekeerd. Voldoende is dat Aangeslotene duidelijk maakt dat het in haar systeem onmogelijk is dat de aan de spaarbankboekjes gekoppelde dan wel daarmee verband houdende rekeningen met een openstaand saldo zouden zijn opgeheven of op andere wijze zouden zijn verdwenen. Aan die verantwoordingsplicht heeft Aangeslotene voldaan.
5.5. Naar het oordeel van de Commissie heeft Aangeslotene dan ook voldoende aannemelijk gemaakt dat het saldo, zoals opgenomen in de spaarbankboekjes, op enig moment moet zijn uitgekeerd. Het feit dat de spaarbankboekjes nog in het bezit zijn van Consument en niet ongeldig zijn verklaard maakt dit niet anders. De ervaring heeft de Commissie geleerd dat het tot de vaste praktijk behoorde saldi uit te keren zonder overlegging van de spaarbankboekjes. Dit beleid was destijds in het belang van consumenten die hun spaarbankboekje waren kwijtgeraakt, maar van wie de bank wel wist dat zij over een spaarsaldo beschikten. Er bestaat daarom geen aanleiding om Aangeslotene een zwaardere verantwoordingsplicht op te leggen dan hiervoor onder 5.4. is aangenomen.
5.6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van Consument, ook voor zover deze niet reeds zou zijn verjaard, moet worden afgewezen. Alle overige door partijen ingebrachte stellingen en argumenten kunnen niet tot een ander oordeel leiden en zullen onbesproken blijven.

6. Beslissing

De Commissie stelt bij bindend advies vast dat de vordering van Consument wordt afgewezen.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor kifid.nl/consumenten/wie-behandelt-mijn-klacht/4#stappen-plan.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact