Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2015-107 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2015-107 d.d.
1 april 2015
(mr. R.J. Paris, voorzitter, drs. A. Adriaansen en mr. W.H.G.A. Filott mpf, leden en mr. E.C. Aarts, secretaris)

Consument,

tegen

de naamloze vennootschap ING Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen Aangeslotene.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:
– het dossier van de Ombudsman Financiële Dienstverlening;
– het door Consument ondertekende klachtformulier inclusief bijlagen, ontvangen op
2 mei 2014;
– de brief van Consument van 30 mei 2014;
– de brief van Consument van 12 juni 2014;
– het verweerschrift van Aangeslotene;
– de repliek van Consument;
– de dupliek van Aangeslotene;
– de brief van Aangeslotene van 13 februari 2015;
– de brief van Consument van 2 maart 2015.

2. Overwegingen

De Commissie heeft het volgende vastgesteld.
Tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening heeft niet tot oplossing van het geschil geleid. Beide partijen zullen het advies van de Commissie als bindend aanvaarden.
Partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 4 november 2014 en zijn aldaar verschenen.

3. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten:
3.1. Consument heeft in 2008 met Aangeslotene een ‘Euroflexlening’ gesloten met een hoofdsom van € 300.000,-.
3.2. In de offerte van 14 november 2008, welke door Consument voor akkoord is ondertekend, is – voor zover relevant – het volgende vermeld:
“Doel: Aankoop en/of verbouwing van onroerend goed.”
3.3. Op enig moment heeft Consument een bedrag van € 90.000,- opgenomen van zijn Euroflexlening ten behoeve van de aankoop van een stuk erfpachtgrond.
3.4. Bij brieven van 24 november 2010 en 28 oktober 2011 heeft Aangeslotene Consument, op diens verzoek om een verklaring van financiële gegoedheid in verband met de aankoop van onroerend goed op een vastgoedveiling, bericht dat nog een bedrag van
€ 210.000,- beschikbaar was voor opname van zijn Euroflexlening.
3.5. Consument heeft Aangeslotene bij e-mailbericht van 26 juli 2012 wederom verzocht om
kennisgeving van de opnamemogelijkheden van zijn Euroflexlening omdat hij mogelijk wilde gaan bieden op een woning. Aangeslotene heeft hierop bij brief van 2 augustus 2012 gereageerd en Consument gewezen op de bestedingscontrole alsmede medegedeeld dat zij de kans minimaal acht dat zij gelden van de Euroflexlening beschikbaar zal stellen ten behoeve van de aankoop van onroerend goed, niet zijnde de eerste eigen woning. Tevens heeft Aangeslotene Consument het volgende voorstel gedaan:
“ • Er wordt een inperking van de opnameruimte doorgevoerd op uw Euroflexlening
68.29.85.562 ad EUR 210.000,-. De hoofdsom na deze inperking bedraagt EUR 90.000,-
• De nieuwe hoofdsom ad EUR 90.000,- zal in 22 jaar lineair worden afgelost;
• U ontvangt van ons EUR 2.100,- aan afsluitprovisie retour.”
3.6. Bij brief van 22 augustus 2012 heeft Consument Aangeslotene bericht dat hij niet instemt met het voorstel van Aangeslotene.
3.7. Bij brief van 28 september 2012 heeft Aangeslotene, in aanvulling op haar eerdere voorstel, aangeboden het volledige bedrag dat Consument aan afsluitprovisie heeft betaald aan Consument te vergoeden. Consument heeft niet met dit voorstel ingestemd.

4. De vordering en grondslagen

4.1. Consument vordert dat Aangeslotene wordt veroordeeld tot het aan hem ter beschikking stellen van het (resterende) bedrag van € 210.000,- van zijn Euroflexlening.
4.2. Aan zijn vordering legt Consument – kort gezegd – ten grondslag dat Aangeslotene toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen partijen in 2008 gesloten overeenkomst. Aangeslotene is gehouden, wanneer Consument daarom verzoekt, het (resterende) bedrag van € 210.000,- van zijn Euroflexlening aan hem ter beschikking te stellen. Ook heeft Aangeslotene Consument nimmer op de hoogte gesteld van het feit dat er sprake is van een onderdekking, dan wel verzocht om aanvullende zekerheden te stellen.
4.3. Op de stellingen die Aangeslotene aan haar verweer ten grondslag legt wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. Beoordeling

5.1. Aangeslotene stelt zich primair op het standpunt dat Consument niet-ontvankelijk is in zijn klacht, aangezien hij geen Consument is in de zin van artikel 1 van het Reglement Ombudsman & Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (hierna: ‘het Reglement’).
Uit het bestedingsdoel van het krediet en ook de beoogde uitgaven van Consument blijkt dat hij het krediet zakelijk wenst aan te wenden, aldus Aangeslotene. Voorts merkt Aangeslotene op dat Consument een onderneming voert in woningadvies en onderhoud, hetgeen het zakelijke bestedingsdoel bevestigt. Volgens Aangeslotene dient Consument als zakelijke klant te worden beschouwd.
5.2. De Commissie stelt voorop dat zij uitsluitend kan oordelen over geschillen tussen consumenten en financiële ondernemingen die bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening zijn aangesloten. Het begrip ‘Consument’ wordt in artikel 1 van het Reglement als volgt gedefinieerd:
“De afnemer van een Financiële dienst, indien en voor zover die afnemer een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Onder het begrip Consument wordt tevens begrepen:
a) een rechtspersoon waarvan de doelstelling zozeer is gericht op het particuliere belang van een of meer natuurlijke personen die aandeelhouder(s) en/of bestuurder(s) van deze rechtspersoon zijn, dat deze als een verlengstuk van die natuurlijke persoon of personen kan worden beschouwd;
b) de deelnemer van een pensioenregeling, zoals bedoeld in artikel 1van de Pensioenwet in zijn hoedanigheid van verzekerde natuurlijke persoon van de overeenkomst van levensverzekering met pensioenclausule;
c) de natuurlijke persoon die een eigen vorderingsrecht ontleent aan een overeenkomst van verzekering.
d) de natuurlijke persoon met een Privacyklacht.”
5.3. De Commissie stelt vast dat Consument in 2008 een overeenkomst betreffende een zogenaamde ‘Euroflexlening’ heeft gesloten met Aangeslotene. In de offerte van voornoemde geldlening is opgenomen dat het doel van de geldlening is: “aankoop en/of verbouwing van onroerend goed”. Uit het bestedingsdoel van voornoemde geldlening alsmede de verklaring van Consument ter zitting omtrent de beoogde uitgaven, namelijk het (mogelijk) aankopen van een beleggingspand, volgt naar het oordeel van de Commissie dat er sprake is van een zakelijke kredietfaciliteit. Eveneens staat vast dat Consument reeds een tweetal beleggingspanden in eigendom heeft en hij overigens een onderneming voert onder de naam ‘[X]’. Bovengenoemde omstandigheden, bezien in hun onderlinge samenhang, leiden naar het oordeel van de Commissie tot de conclusie dat er sprake is van een zakelijk optreden van Consument en hij derhalve niet kan worden aangemerkt als ‘Consument’ in de zin van het Reglement. Hieraan doet niet af dat – zoals door Consument ter zitting gesteld – hij nog nooit gebruik heeft gemaakt van de door hem verzochte verklaringen van financiële gegoedheid.
5.3. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het verweer van Aangeslotene doel treft en Consument in zijn klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

6. Beslissing

De Commissie verklaart Consument niet-ontvankelijk in zijn verzoek om klachtbehandeling.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/wie-behandelt-mijn-klacht-1/4#stappen-plan.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact