Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2015-129 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2015-129 d.d.
28 april 2015
(mr. A.W.H. Vink, voorzitter en mr. I.M.L. Venker, secretaris)

Consument,

tegen

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij NV, gevestigd te Den Haag, hierna te noemen Aangeslotene.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:
– het dossier van de Ombudsman Financiële Dienstverlening;
– de brief van de gemachtigde van Consument met bijlagen, waaronder het door Consument ondertekende vragenformulier, ontvangen op 18 juli 2014;
– het verweerschrift van Aangeslotene;
– de repliek van Consument;
– de dupliek van Aangeslotene.

2. Overwegingen

De Commissie heeft het volgende vastgesteld.
Tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening heeft niet tot oplossing van het geschil geleid. Beide partijen zullen het advies van de Commissie als bindend aanvaarden.
Partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op1 april 2015 en zijn aldaar verschenen.

3. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten:
3.1. Consument heeft in 2001, met tussenkomst van zijn tussenpersoon, een arbeidsongeschiktheidsverzekering gesloten. In het door Consument ondertekende aanvraagformulier staat dat Consument per 1 augustus 2001 een elektrotechnisch installatiebedrijf overneemt en daarvan per die datum directeur is. Over zijn werkzaamheden en de bedrijfsgegevens heeft Consument het volgende ingevuld:

“Hoeveel uren werkt u gemiddeld per week? 50 uren per week
Waaruit bestaan uw werkzaamheden? 60 % commercieel/administratief
35 % toezichthoudend/leidinggevend
5 % reizen/bezorgen

Uitvoerende werkzaamheden, graag 50 % calculatie/planning/adm
uitgebreid beschrijven. 55 % leidinggeven toezichthoudend
5 % uitvoerend en begeleidend.

(…)

Hoeveel mensen heeft u in dienst 15 mensen”
(gemiddeld)?

3.2. Aangeslotene heeft de Consument op basis van de door hem opgegeven werkzaamheden ingedeeld in gevarenklasse 3 en op basis daarvan de premie berekend. De verzekering is tot stand gekomen en de premie is door Consument betaald.
3.3. Aangeslotene heeft op 20 januari 2004 een offerte uitgebracht voor een wijziging in de verzekering. Op de offerte staat dat Aangeslotene bij de premieberekening is uitgegaan van gevarenklasse 3. Consument heeft onder verwijzing naar de offerte op 27 januari 2004 een door hem ondertekende aanvraag ingediend voor aanpassing van de bestaande verzekering. Over zijn beroep/functie heeft Consument ingevuld: “D.G.A. / Calculatie / in- verkoop”. Verder heeft hij ingevuld dat hij gemiddeld 45 uur per week werkt en dat zijn werkzaamheden als volgt zijn verdeeld:
“65 % commercieel/administratief
25 % toezichthoudend / leidinggevend
10 % reizen/bezorgen”.
De verzekering is vervolgens gewijzigd en Consument heeft de door Aangeslotene op basis van gevarenklasse 3 vastgestelde premie betaald.
3.4. Op 26 september 2011 heeft Aangeslotene opnieuw een vrijblijvende offerte uitgebracht voor een wijziging van de verzekering. In deze offerte is Aangeslotene voor de premieberekening ook uitgegaan van gevarenklasse 3. Namens Consument heeft zijn tussenpersoon Aangeslotene gevraagd naar de indeling in de gevarenklasse. Per 1 januari 2012 is de verzekering gewijzigd voortgezet waarbij de premie is gebaseerd op indeling in gevarenklasse 1. Bij e-mailbericht van 3 februari 2012 heeft Aangeslotene de tussenpersoon van Consument hierover bericht:

“Bij controle van dit dossier is gebleken dat bij opmaak van de polis de juiste gevarenklasse is toegepast, bij de premieopgave van 22-11-2011 hebben wij de polis o.b.v. uw gegevens ten onrechte in gevarenklasse 1 geplaatst.

Aangezien dit nu is verwerkt, zullen wij deze gevarenklasse handhaven.”

In het e-mailbericht van 6 februari 2012 van Aangeslotene aan de tussenpersoon van Consument staat:
“(…)
In de beoordeling, naar aanleiding jouw verzoek van 9 november jl. om eens te kijken naar de gevarenklasse, heeft men ten onrechte de gevarenklasse 1 gehanteerd.
[Consument] is nog steeds toezichthoudend en leidinggevend werkzaam en werkt voor
50 % in de buitendienst. Gevarenklasse 3 zou dus nog steeds correct zijn geweest.

Normaal gesproken zou voor het beroep zoals vermeld op de polis, eigenaar installatiebedrijf commercieel/administratief werkzaam, de gevarenklasse 2 gelden.

Aangezien de premies(op klasse 1) zijn gecommuniceerd met het intermediair en [Consument] vinden wij het niet netjes om, ondanks het bovenvermelde, de premie te corrigeren.”

3.5. Aangeslotene heeft per e-mailbericht van 12 april 2012 aan de tussenpersoon van Consument bericht:
“(…)
Op 26 september 2011 hebben wij op verzoek een wijzigingsofferte afgegeven met betrekking tot het verlengen van het eigenrisicotermijn.
Als reactie hierop kregen wij jouw mail van 9 november 2011 waarin de beroepswerkzaamheden van [Consument] werden beschreven:

50% buitendienst (deel van de werkzaamheden op het terrein van de projectleider en rijdt 25.000 zakelijke kilometers);
50% binnendienst(rekeningen maken en controleren,offertes maken en controleren en het aansturen/inzetten van personeel.

Wij hebben hierop gereageerd met onze mail van 22 november 2011 waarin wij aangeven dat met de toevoeging op het beroep, van niet medewerkend ,de klasse 1 kan worden gehanteerd. Tevens zijn enkele premievariaties berekend op klasse 1.
Op 15 december 2011 kregen wij hierop de reactie dat de mail van ons was besproken met de relatie en dat er een keuze was gemaakt conform ons voorstel. Wij hebben toen de verzekering per 1-1-2012 conform de keuze van [Consument] gewijzigd.
(…)”

4. De vordering en grondslagen

4.1. Consument vordert primair betaling van een bedrag van € 45.238,-, te weten een bedrag van € 33.892,- aan premierestitutie vermeerderd met 5 % rente van € 9.924,- en vergoeding van juridische kosten ter hoogte van € 1.422,- en subsidiair betaling van een bedrag van € 22.356,-, te weten een bedrag van € 15.994,- premierestitutie vermeerderd met 5 % rente van € 4.940,- en vergoeding van juridische kosten ter hoogte van € 1.422,-.
4.2. Deze vordering steunt kort en zakelijk op de volgende grondslagen:
– Consument is in 2001 ten onrechte ingedeeld in gevarenklasse 3 en had moeten worden ingedeeld in gevarenklasse 1, althans gevarenklasse 2. Aangeslotene is bij de indeling in de gevarenklasse uitgegaan van de indelingscriteria die golden binnen de bedrijfstak industrie en nijverheid en derhalve ook gehouden deze criteria objectief toe te passen. Toepassing van deze criteria zou gelet op de werkzaamheden van Consument leiden tot een indeling in gevarenklasse 2. Dit blijkt ook uit de informatie van maatschappijen op basis van de gegevens van Consument die hij destijds op het aanvraagformulier had ingevuld.
– Uit het vragenformulier blijkt welke werkzaamheden Consument verricht.
Het percentage uitvoerende werkzaamheden is volgens de opgave van Consument
110 %. Op basis hiervan had Aangeslotene hem om nadere informatie moeten vragen. Door dit na te laten en door een onjuiste toepassing van de criteria die gelden in de betreffende bedrijfstak is Consument in een verkeerde gevarenklasse ingedeeld. Aangeslotene is hiermee toerekenbaar tekortgeschoten. De schade, bestaande uit de door Consument teveel betaalde premie, dient zij Consument te vergoeden.
– Consument heeft premie betaald berekend op basis van een indeling in gevarenklasse 3 terwijl het risico behorende bij deze gevarenklasse niet is gelopen. Omdat hij ingedeeld had moeten worden in gevarenklasse 1, althans 2, heeft hij over de periode 1 augustus 2001 tot januari 2012 teveel premie betaald voor een niet bestaand risico. Consument heeft op grond van art. 7:938 BW recht op premierestitutie.
– De overeenkomst is rechtstreeks tussen Aangeslotene en Consument tot stand gekomen. De tussenpersoon heeft, anders dan Aangeslotene stelt, met Aangeslotene geen inhoudelijk overleg gevoerd over de gevarenklasse. Consument biedt aan dit te bewijzen door het laten horen van die tussenpersoon als getuige.
– Op 9 november 2011 hebben Aangeslotene en de tussenpersoon van Consument overleg gehad over de indeling in de gevarenklasse. De tussenpersoon beschikte over de juiste informatie over de uitvoerende werkzaamheden van Consument. De indeling per 1 januari 2012 in gevarenklasse 1 is dus juist en niet, zoals Aangeslotene stelt, onterecht.
– De vordering is niet verjaard. Consument was pas in 2012 bekend met het bestaan van de vordering.
4.3. Aangeslotene heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
– Tussen partijen is in 2001 door aanbod en aanvaarding overeenstemming bereikt over de soort verzekering en de daarbij behorende premie. Over de indeling in gevarenklasse 3 heeft Aangeslotene, blijkens een telefoonnotitie van 17 september 2001, overleg gehad met de tussenpersoon van Consument. Consument heeft de overeengekomen premie ook betaald. Er is sprake van een geldige overeenkomst. Van onverschuldigde betaling is geen sprake.

– Aangeslotene heeft op 20 januari 2004 een offerte uitgebracht in verband met gewijzigde omstandigheden. Op de offerte staat dat Consument is ingedeeld in gevarenklasse 3. Consument heeft op 27 januari 2004 het aanvraagformulier waarin wordt verwezen naar de offerte ondertekend. De premie is vervolgens betaald.
– De gevarenklasse 3 waarin Consument is ingedeeld is juist. Aangeslotene heeft in 2011, naar aanleiding van een verzoek van de tussenpersoon, een nieuwe premieberekening gemaakt en is daarbij per abuis uitgegaan van gevarenklasse 1. Omdat Consument hiermee akkoord is gegaan heeft Aangeslotene, coulancehalve, de indeling in deze gevarenklasse gehandhaafd.
– De indeling in gevarenklassen en de daaraan verbonden premie verschilt per verzekeraar en is aan wijzigingen onderhevig. Het opvragen bij (andere) maatschappijen in welke gevarenklasse men ingedeeld zou worden heeft dus in dit verband geen waarde.
– Consument wist in 2001 dat hij was ingedeeld in gevarenklasse 3, althans hij had dit toen, maar in ieder geval op basis van de in 2004 afgegeven offerte, kunnen weten. Op dat moment is ingevolge art. 3:309 BW een verjaringstermijn gaan lopen wat meebrengt dat de vordering van Consument in 2009 is verjaard.
– Indien de indeling van de gevarenklasse onjuist zou zijn, kan dat niet aan Aangeslotene worden tegengeworpen. Consument wordt vertegenwoordigd door een tussenpersoon die sinds 2001 op de hoogte is van de gevarenklasse en Consument over zijn verzekeringen adviseert. De kennis van de tussenpersoon dient aan Consument te worden toegerekend. Consument wordt dus geacht vanaf 2001 op de hoogte te zijn van de gevarenklasse zodat ook om die reden zijn vordering is verjaard.

5. Beoordeling

5.1. Aan de orde is de vraag of Consument recht heeft op terugbetaling van de premie door Aangeslotene ter hoogte van het verschil met de premie indien hij zou zijn ingedeeld in gevarenklasse 1 of 2.
5.2. Aangeslotene is bij de indeling in de gevarenklasse uitgegaan van de criteria van de bedrijfstak industrie en nijverheid. Dit neemt niet weg dat het haar vrij staat om – binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid – op basis van de door Consument verstrekte gegevens een eigen inschatting van de juiste indeling in een gevarenklasse te maken. Aangeslotene heeft gelet op die vrijheid en de door Consument verstrekte gegevens in dit geval in redelijkheid tot een indeling in gevarenklasse 3 kunnen komen en Consument een aanbod kunnen doen met een op basis van die indeling berekende premie. Het is vervolgens aan Consument om dit aanbod wel of niet te accepteren. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Consument met het aanbod van Aangeslotene bij het sluiten van de verzekering en bij de wijzigingen in 2004 en in 2011 akkoord is gegaan en de door Aangeslotene voorgestelde premie ook heeft betaald. Van een toerekenbare tekortkoming door Aangeslotene is derhalve geen sprake.
Onder deze omstandigheden kan in het midden blijven of de tussenpersoon die bij het sluiten van de verzekering in 2001 betrokken is geweest door Aangeslotene is geïnformeerd over de door haar voorgenomen indeling in gevarenklasse 3. Voor een getuigenverhoor ziet de Commissie derhalve geen aanleiding.

5.3. Consument heeft zich nog beroepen op art. 7:938 BW. Dit artikel geeft recht op restitutie van de premie wanneer in het geheel geen risico is gelopen. Nu niet kan worden gezegd dat het risico van arbeidsongeschiktheid waartegen Consument zich bij Aangeslotene heeft verzekerd, in het geheel niet is gelopen kan van premierestitutie geen sprake zijn.
5.4. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van Consument wordt afgewezen.

6. Beslissing

De Commissie wijst de vordering van Consument af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/wie-behandelt-mijn-klacht-1/4#stappen-plan.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact