Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2016-010 (bindend)

Uitspraak Commissie van Beroep 2016-010 d.d. 22 maart 2016
(mr. F.R. Salomons, voorzitter, mr. S.B. van Baalen, mr. A. Bus, drs. P.H.M. Kuijs AAG en
mr. A. Smeeing-van Hees, leden, en mr. G.A. van de Watering, secretaris)

Samenvatting

Belanghebbende heeft na bemiddeling door zijn assurantietussenpersoon een arbeids-ongeschiktheids¬verzekering gesloten bij Verzekeraar. Verzekeraar heeft Belanghebbende op basis van de door hem opgegeven werkzaamheden ingedeeld in gevarenklasse 3 en op basis van die indeling de premie berekend. Na een (tweede) wijziging van de verzekering is – na tussenkomst van de (nieuwe) assurantietussenpersoon – een lagere premie in rekening gebracht, gebaseerd op een indeling in een andere gevarenklasse.
Na ruim een maand heeft Verzekeraar de onjuistheid van die indeling aan Belanghebbende mee-gedeeld, maar heeft zij de nieuwe (lagere) premie gehandhaafd omdat die premie met de assurantie¬¬tussenpersoon was gecommuniceerd.
Belanghebbende heeft vervolgens restitutie gevorderd van de volgens hem te veel betaalde premie over de periode vanaf de aanvang van de verzekering tot de bovenvermelde wijziging (ruim
11 jaar). De Geschillencommissie heeft die vordering afgewezen. De Commissie van Beroep acht de daartegen gerichte bezwaren ongegrond en handhaaft de bestreden beslissing.

Klik hier voor de uitspraak in eerste aanleg.

1. De procedure in hoger beroep

1.1 Bij een op 2 juni 2015 door de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening (verder: Commissie van Beroep) ontvangen beroepschrift met bijlagen heeft Belanghebbende een uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (verder:
Geschillen¬commissie) van 28 april 2015 (kenmerk [nummer]) ter toetsing voorgelegd.

1.2 De Verzekeraar heeft een op 27 oktober 2015 gedateerd verweerschrift met bijlagen ingediend.

1.3 De Commissie van Beroep heeft het beroep op 9 november 2015 mondeling behandeld. Beide partijen waren aanwezig en hebben hun stand¬punten door gemachtigde en vertegenwoordigers doen toelichten. Voorts hebben zij vragen van de Commissie van Beroep beantwoord.

2. De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst de Commissie van Beroep naar de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van de Geschillencommissie.

3. Inleiding op de beoordeling van het beroep

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) Na bemiddeling door zijn assurantietussenpersoon heeft Belanghebbende, met ingang van 1 augustus 2001 – de dag waarop hij directeur werd van een elektrotechnisch installatiebedrijf – een arbeidsongeschiktheidsverzekering gesloten bij Verzekeraar.

(ii) Op het door Belanghebbende ondertekende aanvraagformulier voor de hiervoor genoemde verzekering is opgenomen dat Belanghebbende 50 uren per week werkt, waarvan 60% commercieel/administratief, 35% toezichthoudend/leidinggevend en 5% reizen/bezorgen. Bij de beschrijving van de uitvoerende werkzaamheden is opgenomen dat deze voor 50% bestaan uit calculatie, planning en administratie, voor 55% uit leiding geven en toezicht houden en voor 5% uit uitvoering en begeleiding. Verder is vermeld dat Belanghebbende (gemiddeld) 15 medewerkers in dienst heeft.

(iii) Verzekeraar heeft Belanghebbende op basis van de door hem opgegeven werkzaam-heden ingedeeld in gevarenklasse 3. Verzekeraar heeft op basis van die indeling de premie berekend en deze vanaf 1 augustus 2001 aan Belanghebbende in rekening gebracht. Belanghebbende heeft die premie nadien steeds betaald.

(iv) Begin 2004 heeft Belanghebbende via zijn assurantietussenpersoon om wijziging van de (verzekerde bedragen van de) bestaande arbeidsongeschiktheidsverzekering verzocht. Verzekeraar heeft daarop op 20 januari 2004 een offerte uitgebracht. Bij de premie-berekening is vermeld dat is uitgegaan van gevarenklasse 3. Op het door Belanghebbende ondertekende aanvraagformulier is bij beroep/functie ingevuld ‘DGA/ Calculatie/in- en verkoop’. Verder is ingevuld dat hij 45 uur per week werkt, waarvan 65% commercieel/administratief, 25% toezichthoudend/leidinggevend en 10% reizen/ bezorgen. Bij de beschrijving van de uitvoerende werkzaamheden is niets vermeld.
De verzekering is daarna gewijzigd en Belanghebbende heeft de op basis van gevaren-klasse 3 vastgestelde premie betaald.

(v) Op 26 september 2011 heeft Verzekeraar op verzoek van de (nieuwe) assurantie-tussenpersoon een wijzigingsofferte afgegeven met betrekking tot het verlengen van de eigenrisico-termijn. In die offerte is uitgegaan van gevarenklasse 3.
Deze assurantietussenpersoon had aan Verzekeraar de beroepswerkzaamheden van Belanghebbende als volgt beschreven:
50% buitendienst (deel van de werkzaamheden op het terrein van de projectleider en het rijden van 25.000 zakelijke kilometers);
50% binnendienst (rekeningen maken en controleren, offertes maken en controleren en het aansturen/inzetten van personeel).
In een overleg met Verzekeraar op 9 november 2011 heeft de assurantietussenpersoon meegedeeld de indeling in gevarenklasse 3 onjuist te vinden.

De Verzekeraar heeft daarop gereageerd bij e-mailbericht van 22 november 2011 met de mededeling dat met de toevoeging van ‘niet medewerkend’ op het beroep, de gevaren¬klasse I kon worden gehanteerd, met daarbij gevoegd enkele op gevarenklasse I berekende premievariaties.
Op 15 december 2011 heeft Belanghebbende een keuze gemaakt conform het voorstel van Verzekeraar. De verzekering is toen per 1 januari 2012 gewijzigd en de premie is gebaseerd op de indeling in gevarenklasse I.

(vi) Bij e-mailbericht van 3 februari 2012 heeft Verzekeraar de assurantietussenpersoon meegedeeld:
‘Bij controle van dit dossier is gebleken dat bij opmaak van de polis de juiste gevarenklasse is toegepast, bij de premieopgave van 22-11-2011 hebben wij de polis o.b.v. uw gegevens ten onrechte in gevarenklasse I geplaatst.

Aangezien dit nu is verwerkt, zullen wij deze gevarenklasse handhaven.’

(vii) In het e-mailbericht van 6 februari 2012 van Verzekeraar aan de assurantie-tussenpersoon staat:
‘(…)
In de beoordeling, naar aanleiding van jouw verzoek van 9 november jl. om eens te kijken naar de gevarenklasse, heeft men ten onrechte de gevarenklasse I gehanteerd.
[Belanghebbende] is nog steeds toezichthoudend en leidinggevend werkzaam en werkt voor 50% in de buitendienst. Gevarenklasse 3 zou dus nog steeds correct zijn geweest.

Normaal gesproken zou voor het beroep zoals vermeld op de polis, eigenaar installatiebedrijf commercieel/administratief werkzaam, de gevarenklasse 2 gelden.

Aangezien de premies (op klasse I) zijn gecommuniceerd met het intermediair en [Belanghebbende] vinden wij het niet netjes om, ondanks het bovenvermelde, de premie te corrigeren.’

3.2 Belanghebbende heeft restitutie gevorderd van de volgens hem te veel betaalde premie over de periode van 1 augustus 2001 tot 1 januari 2012:
– primair ter hoogte van € 45.238,-, zijnde het verschil tussen de premie op basis van indeling in gevarenklasse 1 en de premie op basis van indeling in gevarenklasse 3, inclusief rente en kosten;
– subsidiair ter hoogte van € 22.356,-, zijnde het verschil tussen de premie gebaseerd op indeling in gevarenklasse 2 en de premie op basis van indeling in gevarenklasse 3, inclusief rente en kosten.

3.3 De Geschillencommissie heeft de vordering van Belanghebbende afgewezen op de volgende, samengevat weergegeven, gronden. Op basis van de door Belanghebbende verstrekte gegevens heeft Verzekeraar in dit geval een eigen inschatting kunnen maken en in redelijk¬heid tot indeling in gevarenklasse 3 kunnen komen en een aanbod kunnen doen met een op basis van die indeling berekende premie. Belanghebbende is met dit aanbod akkoord gegaan, zowel bij het sluiten van de verzekering in 2001 als bij de wijzigingen van de verzekering in 2004 en 2011. Belanghebbende heeft de door Verzekeraar voorgestelde premie betaald. Van een toerekenbaar tekortkomen door Verzekeraar is op grond van het vorenstaande geen sprake. Onder de gegeven omstandigheden kan in het midden blijven of Verzekeraar de bij het sluiten van de verzekering betrokken tussenpersoon heeft geïnformeerd over de door haar voorgenomen indeling in gevarenklasse 3. Bij zijn vordering tot premierestitutie heeft Belanghebbende tevergeefs een beroep gedaan op artikel 7:938 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van dat artikel bestaat namelijk alleen recht op premierestitutie als in het geheel geen risico wordt gelopen. Dat is niet het geval. Verzekeraar heeft het bij haar verzekerde risico van arbeidsongeschiktheid van Belanghebbende wèl gelopen.

4. Beoordeling van het beroep

4.1 Belanghebbende heeft tegen de bestreden beslissing drie bezwaren ingebracht. In de eerste plaats is Belanghebbende van mening dat de Geschillencommissie ten onrechte is voorbij-gegaan aan het gegeven dat zijn werkzaamheden vanaf het begin van de arbeids¬ongeschikt-heids¬verzekering ongewijzigd zijn gebleven en dat hij – in zijn functie van directeur – geen risicovolle buitendienstwerkzaamheden (heeft) verricht. In de tweede plaats voert Belanghebbende aan dat het standpunt van Verzekeraar dat hij terecht is ingedeeld in gevarenklasse 3 niet is te rijmen met de per 1 januari 2012 doorgevoerde aanpassing: de indeling in gevarenklasse I. In de derde plaats rustte op Verzekeraar een informatie- en zorg¬plicht om op juiste wijze een verzekering tot stand te laten komen, waaronder met name de risicobeoordeling gebaseerd op een juiste indeling in de gevarenklasse, in het bijzonder omdat die indeling direct gevolgen heeft voor de door Belanghebbende te dragen kosten (de premie).

4.2 Tegen het eerste bezwaar voert Verzekeraar aan dat het niet gaat om het beroep dat iemand uitoefent of de functie die iemand heeft, maar om de feitelijke werkzaamheden die iemand uitvoert en in welke bedrijfstak die werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor de bedrijfstak Industrie en Nijverheid geldt dat gevarenklasse 3 van toepassing is zodra sprake is van leidinggevende/toezichthoudende werkzaamheden. Indien een eigenaar van een installatie¬¬bedrijf uitsluitend commerciële/administratieve werkzaamheden verricht, vindt indeling plaats in gevarenklasse 2. Ter onderbouwing van haar stellingen verwijst Verzekeraar naar een door haar bij het verweerschrift in beroep en ook bij de Geschillencommissie over¬gelegde brief aan de (nieuwe) assurantietussenpersoon van
15 januari 2013, waarin de – sinds 2001 geldende – indelingscriteria binnen de bedrijfstak industrie en nijverheid zijn op¬genomen.

4.3 De Commissie van Beroep acht het eerste bezwaar van Belanghebbende ongegrond. Wel-iswaar zijn de door Belanghebbende verrichte werkzaamheden over de periode vanaf het sluiten van de verzekering in 2001 tot 1 januari 2012 (min of meer) hetzelfde gebleven, maar naar het oordeel van de Commissie van Beroep heeft Verzekeraar genoegzaam toe-gelicht op welke wijze de indeling van Belanghebbende in gevarenklasse 3 in 2001 en 2004 tot stand is gekomen en dat die indeling strookt met de criteria die Verzekeraar destijds hanteerde voor de door Belanghebbende aan haar opgegeven werkzaamheden in de bedrijfs¬¬tak Industrie en Nijverheid. De enkele omstandigheid dat Verzekeraar bij de berekening van de premie vanaf 1 januari 2012, bij min of meer gelijke werkzaamheden in die bedrijfstak, is overgegaan tot indeling in gevarenklasse 1 is onvoldoende om aan te nemen dat die indeling ook voor de periode van 2001 tot 2012 had moeten plaatsvinden. Een en ander te minder gelet op hetgeen de Commissie van Beroep hierna in 4.4 over-weegt ten aanzien van de indeling in gevarenklasse I.

4.4 Naar aanleiding van het tweede bezwaar van Belanghebbende (welk bezwaar nauw aansluit op het eerste bezwaar) overweegt de Commissie van Beroep, in aanvulling op hetgeen hier¬voor onder 4.3 is overwogen, als volgt.
Verzekeraar verwijst naar de – hiervoor onder 3.1 onder (v) tot en met (vii) beschreven – gang van zaken met betrekking tot de per 1 januari 2012 doorgevoerde aanpassing waarbij een indeling in gevarenklasse I heeft plaatsgevonden.
Hiermee heeft zij naar het oordeel van de Commissie van Beroep voldoende gemotiveerd weersproken dat een indeling in gevarenklasse I of in gevarenklasse 2 (de grondslag van respectievelijk de primaire en de subsidiaire vordering van Belanghebbende) voor de periode tot 1 januari 2012 juist zou zijn geweest. Voorts volgt hieruit dat Verzekeraar niet als¬nog tot een andere indeling is overgegaan, maar slechts heeft besloten het risico te dragen van de volgens haar niet terechte indeling in gevarenklasse I door aan Belanghebbende vanaf 1 januari 2012 de bij gevarenklasse 1 (en niet de bij gevarenklasse 3) passende premie in rekening te brengen.
Ook het tweede bezwaar gaat dus niet op.

4.5 De Commissie van Beroep verwerpt ook het derde bezwaar. Uit het door partijen gestelde volgt dat de contacten tussen Verzekeraar en Belanghebbende, zowel bij de aan¬vraag in 2001 als bij de wijzigingen in 2004 en 2011, via een assurantietussenpersoon hebben plaatsgevonden. Verzekeraar mocht ervan uitgaan dat Belanghebbende steeds via zijn assurantietussenpersoon was geïnformeerd en dat zijn belangen in voldoende mate werden behartigd.

4.6 Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat Verzekeraar over de periode van 1 augustus 2001 tot 1 januari 2012 tot indeling van Belanghebbende in gevarenklasse 3 heeft kunnen overgaan, de daarbij behorende premie heeft mogen incasseren en dat Verzekeraar het bij haar verzekerde risico van arbeidsongeschiktheid in deze gevarenklasse heeft gelopen. Belanghebbende heeft daarom tevergeefs een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 7:938 van het Burgerlijk Wetboek.

4.7 De slotsom is dat Belanghebbende de door Verzekeraar over bovenvermelde periode aan hem in rekening gebrachte premie niet (deels) onverschuldigd heeft betaald en dat de Geschillencommissie de vordering van Belanghebbende terecht heeft afgewezen.

5. Beslissing

De Commissie van Beroep handhaaft de bestreden beslissing.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 13:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact