Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2016-014 (bindend)

Uitspraak Commissie van Beroep 2016-014 d.d. 10 mei 2016
(mr. C.A. Joustra, voorzitter, mr. W.J.J. Los, mr. A. Bus, drs. P.H.M. Kuijs AAG en
mr. A. Smeeïng-van Hees, leden, en mr. G.A. van de Watering, secretaris)

Samenvatting

Beleggingsverzekering. In geschil is of de verzekeraar een gegarandeerd rendement heeft toe-gezegd. Ontvankelijkheid van het hoger beroep, voorwaarde dat het belang van het geschil ten minste euro 25.000,- beloopt.

Klik hier voor de uitspraak in eerste aanleg.

1. De procedure in hoger beroep

1.1 Bij een op 19 januari 2015 door de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening (verder: Commissie van Beroep) ontvangen beroepschrift heeft Belanghebbende een uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (verder: Geschillencommissie) van 9 december 2014 (kenmerk [nummer]) ter toetsing voorgelegd.

1.2 Bij brief van 16 februari 2015 heeft de secretaris van de Commissie van Beroep aan de tussenpersoon van Belanghebbende meegedeeld dat het beroep niet voldoet aan het bepaalde in artikel 5.1 van het Reglement van de Commissie van Beroep en dat het Belanghebbende vrijstaat tegen deze beoordeling binnen twee weken bezwaar te maken. Bij brief van 15 juli 2015 heeft de secretaris Belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld binnen twee weken zorg te dragen voor indiening van de gronden waarop het bezwaar berust.

1.3 Belanghebbende heeft bij brief van 6 augustus 2015, bij Kifid op die datum binnen¬¬gekomen, een aantal bezwaren geformuleerd tegen de uitspraak van de Geschillencommissie. Bij brief van 14 augustus 2015 heeft de secretaris van de Commissie van Beroep Belanghebbende wederom verzocht alsnog te reageren op de brief van 16 februari 2015. Hierop heeft Belanghebbende bij brief van 24 augustus 2015 toegelicht dat hij deze toelichting reeds in het nadere beroep¬schrift van 6 augustus 2015 heeft gegeven.

1.4 Verzekeraar heeft een op 17 november 2015 gedateerd verweerschrift, met bijlagen, ingediend.

1.5 De Commissie van Beroep heeft het beroep mondeling behandeld op 7 maart 2016. Beide partijen waren aanwezig.

2. De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst de Commissie van Beroep naar de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van de Geschillencommissie.

3. Inleiding op de beoordeling van het beroep

3.1 De Commissie van Beroep gaat uit van de door de Geschillencommissie onder 3.1 tot en met 3.4 van haar uitspraak vermelde feiten, voor zover relevant aan¬gevuld met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.

(i) Belanghebbende beschikte via zijn toenmalige werkgever over een beleggings¬¬verzekering bij een rechts¬voorgangster van Verzekeraar. Het ging om het [naam] pensioen, waarbij een deel van de premie werd belegd in de volgende beleggingsfondsen:
o Swiss Life Aandelenfonds 25%
o Swiss Life Euro Aandelenfonds 25%
o Swiss Life Obligatiefonds 25%
o Swiss Life Mixfonds 25%

(ii) In 2002 is het dienstverband van Belanghebbende geëindigd. In verband daarmee is aan Belanghebbende een offerte met een rekenoverzicht uitgebracht voor een nieuwe levens¬verzekering, het [naam] pensioen. In de offerte werd als uitgangspunt genomen dat Belanghebbende zou beleggen in de volgende fondsen:
o Swiss Life Aandelenfonds 25%
o Swiss Life Euro Aandelenfonds 25%
o Swiss Life Obligatiefonds 25%
o Swiss Life Mixfonds 25%

(iii) Op 25 juli 2002 is er een aanvraagformulier voor het [naam] pensioen ingevuld. Het formulier is door Belanghebbende ondertekend. Op het formulier kon Belanghebbende aankruisen welke verdeling van de investerings¬¬premie over de zes beschikbare fondsen hij wenste. Belanghebbende heeft de volgende keuze gemaakt:
o Swiss Life Aandelenfonds 25%
o Swiss Life Euro Aandelenfonds 25%
o Swiss Life Obligatiefonds 25%
o Swiss Life Geldmarktfonds 0%
o Swiss Life Mixfonds 25%
o Swiss Life Garantiefonds 0%

(iv) [verzekeraar] heeft op 8 november 2002 de polis met nummer [nummer] aan de tussenpersoon van Belanghebbende afgegeven. In de polis is onder meer het volgende bepaald:
– De ingangsdatum van de verzekering is 1 juli 2002 en de beoogde einddatum is 1 juli 2035.
– Bij in leven zijn van de verzekerde zal op de beoogde einddatum de beleggings¬¬¬waarde van de verzekering worden uitgekeerd.
– Bij overlijden van de verzekerde vóór de einddatum wordt 90% van de beleggings-waarde uitgekeerd.
– De premie bedraagt vanaf 1 augustus 2002 € 233,89 per maand en vanaf 1 mei 2035
€ 224,- per maand.
– Van elke vóór 1 juli 2012 vervallende premie wordt 75,27% geïnvesteerd in beleg¬gings-eenheden; vanaf 1 juli 2012 96,50%.
– Het investeringsdeel van de premie wordt belegd in de in de offerte en het aanvraag-formulier genoemde fondsen.
Belanghebbende heeft op 5 juli 2002 een extra storting gedaan van € 2.865,36.

(v) Belanghebbende heeft de verzekeringsovereenkomst op 1 augustus 2012 premievrij doen maken.

3.2 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat Verzekeraar een gegarandeerd rende¬ment van 5,5% per jaar heeft toegezegd, maar het dan tot nu toe behaalde rendement slechts ongeveer1% bedraagt. Hij heeft in eerste aanleg gevorderd dat Verzekeraar een nader vast te stellen bedrag aan hem betaalt, zijnde de waarde van de verzekering die zou zijn behaald met een volgens Belanghebbende gegarandeerd rendement van 5,5% te vermin¬deren met de huidige waarde. Verzekeraar heeft betwist dat sprake was van een gegarandeerd rendement.

3.3 De Geschillencommissie heeft de vordering afgewezen. Zij heeft overwogen dat in de over¬gelegde stukken geen aanwijzingen zijn aangetroffen die wijzen op een gegarandeerd rendement van 5,5% of (zoals Belanghebbende aanvankelijk had gesteld) 6%.

4. De ontvankelijkheid van het beroep

4.1 De artikelen 5.1 en 5.5 van het Reglement van de Commissie van Beroep (zoals dit gold ten tijde van het indienen van beroep) luiden als volgt:

5.1 De Commissie oordeelt over beroep van Consumenten en Aangeslotenen tegen beslissingen van de Geschillencommissie die in de vorm van een bindend advies zijn gegeven en waarbij het belang van het Geschil ten minste EUR 25.000 beloopt.
5.5 Indien een beroep geen vordering tot een bepaald bedrag bevat, kan de Commissie van Beroep de Consument of Aangeslotene verzoeken dit alsnog op te geven, bij gebreke waarvan de Commissie van Beroep het gevorderde bedrag zelf kan begroten. (…)

4.2 In beroep heeft Belanghebbende de omvang van zijn vordering desgevraagd als volgt toe-gelicht. In de jaren 2006-2012 is er een totaalbedrag aan premie geïnvesteerd van € 17.696,-, te vermeerderen met een eenmalige inleg bij aanvang van de verzekering van
€ 4.500,-. In totaal is derhalve een bedrag van € 22.196,- geïnvesteerd. Bij een gegarandeerd rendement van 6% per jaar zou de schade in 2035 uiteindelijk € 40.000,- zijn, aldus Belanghebbende.

4.3 Bij de mondelinge behandeling in beroep heeft de Commissie van Beroep Belanghebbende verzocht nader toe te lichten hoe hij het schadebedrag van € 40.000,- heeft berekend. Belanghebbende was op dat moment niet in staat deze nadere toelichting te geven. De Commissie van Beroep ziet daarom aanleiding om het gevorderde bedrag zelf te begroten.

In dat verband gaat de Commissie van Beroep uit van de volgende uitgangspunten:
1. a) De ingangsdatum van de verzekering is 1 juli 2002; de einddatum 1 juli 2035 (mits Belanghebbende op dat moment in leven is). De verzekering is premievrij sinds
1 augustus 2012.
b) Belanghebbende heeft gesteld dat over de in de betaalde premies begrepen investerings¬delen een gegarandeerd rendement van 5,5% is toe¬gezegd tot aan het eind van de looptijd van de verzekering op 1 juli 2035. De Commissie van Beroep gaat niet uit van een rendement van 6%, nu Belanghebbende in eerste aanleg bij repliek heeft aangevoerd dat het gegarandeerd rendement 5,5% bedroeg, zodat de Commissie van Beroep voor het bepalen van de ontvankelijkheid van dat percentage dient uit te gaan. Verzekeraar heeft – onweersproken – gesteld dat de actuele waarde van de polis op
1 november 2015 € 30.787,75 bedroeg. De Commissie van Beroep gaat voorts uit van het door Verzekeraar gestelde investeringsdeel van de premie € 21.322,19 (volgens Belanghebbende € 22.196,-). Verzekeraar heeft – onweersproken – gesteld dat het actuele rendement op 1 november 2015 € 9.065,56 bedroeg, dat bij een gegarandeerd rendement van 5,5% het rendement € 14.206,51 zou bedragen en dat het verschil tussen de waarde van de verzekering bij 5,5% rendement en de actuele waarde dus
€ 5.140,95 bedraagt. Teneinde te voldoen aan de in 4.1 genoemde ontvankelijk¬heids-grens dient de waarde van de rentegarantie vanaf 1 november 2015 tot het einde van de looptijd van de verzekering dus ten minste € 19.859,05 te bedragen.
c) Tot slot heeft de Commissie van Beroep rekening gehouden met de levens-verwachting zoals bepaald in de meest recente prognoses van het CBS en is voor de waardering van het verschil tussen het kapitaal per 1 november 2015 en het kapitaal op de einddatum gebruik gemaakt van de rentetermijncurve van de DNB.
4.4 De Commissie van Beroep heeft op basis van de hiervoor genoemde uitgangs¬punten begroot dat het hiervoor genoemde bedrag van € 19.859,05 bereikt wordt indien vanaf
1 november 2015 over de hele looptijd het werkelijk behaalde rendement op jaarbasis ten minste 1,75%-punt beneden de garantie van 5,5% komt te liggen. Hoewel het te behalen rendement tot het einde van de loop¬tijd van de verzekering onzeker is, en dus ook de waarde van de rente¬ garantie, is de Commissie van Beroep van oordeel dat het aannemelijk is dat de waarde van de gevorderde garantie € 25.000,- of meer bedraagt. Dit betekent dat Belanghebbende ontvankelijk is in zijn beroep tegen het bindend advies van de Geschillencommissie.

5. De beoordeling van het beroep

5.1 Belanghebbende voert in beroep aan dat de Geschillencommissie ten onrechte heeft over-wogen dat niet is komen vast te staan dat Verzekeraar een gegarandeerd rendement heeft toegezegd van 5,5%. Volgens Belanghebbende wilde hij een gegarandeerd rendement omdat hij een defensief beleid wenste te voeren. Ook zijn voormalig werkgever en zijn voormalig pensioenfonds eisten in het kader van de waardeoverdracht dat er een gegarandeerd rendement zou zijn. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat noch uit de offerte
noch uit het rekenvoorbeeld kan worden opgemaakt dat het rendement niet zou zijn gegarandeerd. Volgens hem heeft hij dit alles destijds met mevrouw [naam], de pensioen-specialist van Verzekeraar, besproken. Er is toen een gegarandeerd rendement van 5,5 tot 6% toegezegd.

5.2 De Commissie van Beroep overweegt als volgt. Uit het polisblad blijkt niet dat Belanghebbende aanspraak kan maken op een gegarandeerd rendement van 5,5% over het investeringsdeel van de ingelegde premies. Vermeld wordt dat het investeringsdeel zal worden belegd, dat de beleggingswaarde op de eind¬datum zal worden uitgekeerd indien verzekerde op dat moment in leven is en dat bij over¬lijden van verzekerde voor de beoogde einddatum, de met 10% verlaag¬de beleggings¬waarde zal worden uitgekeerd. Van vaste bedragen is geen sprake, behalve in de hier niet ter zake doende situatie dat Belanghebbende arbeids¬ongeschikt zou raken. Op Belanghebbende rust de bewijslast van zijn stelling dat de Verzekeraar niettemin een gegarandeerd rendement van 5,5% heeft toe-gezegd.

5.3 Belanghebbende heeft in dit verband naar de offerte en het reken¬overzicht verwezen. Naar de Commissie van Beroep begrijpt, stelt Belang¬heb¬bende zich op het standpunt dat hij hier-uit redelijkerwijs heeft mogen afleiden dat er sprake was van een gegarandeerd rendement, mede gelet op de uitlatingen van de pensioen¬specialist van Verzekeraar. Belanghebbende stelt voorts dat zijn tussen¬persoon geen bemoeienis met het afsluiten van het [naam] pensioen heeft gehad en dat hij ervan uitging dat alles in orde was omdat hem gebleken was dat Verzekeraar contact had gehad met de pensioenspecialist.

5.4 Naar het oordeel van de Commissie van Beroep volgt uit de offerte en/of het reken-overzicht niet dat Verzekeraar Belanghebbende een aanbod heeft gedaan voor een verzekering met een gegarandeerd rendement. Uit beide documenten blijkt duidelijk dat de Verzekeraar de ingelegde premie zal gaan beleggen. Op de tweede pagina van de offerte wordt toegelicht welk eindbedrag Belanghebbende op de einddatum van de verzekering zou kunnen verwachten. Daarbij wordt uitgegaan van verschillende mogelijke rendementen (7,3% (standaard), 13,9% (gemiddeld historisch) en 4,6% (gemiddeld historisch minus afslag)). Op de derde pagina van de offerte wordt onder het kopje “pensioen¬voorbeelden” vermeld dat voor een eindkapitaal ter grootte van € 366.855,- (welk kapitaal kan worden behaald bij een productrendement van 7,3%), uitgaande van de huidige lijfrente¬tarieven en een rekenrente van 5,5%, op de beoogde einddatum een jaarlijks pensioen van € 33.757,- kan worden aange¬kocht. Dit alles wijst erop dat de offerte niet erop is gebaseerd dat Verzekeraar een rendement van 5,5% op de geïnvesteerde inleg garandeert. Op de derde pagina van de offerte staat boven¬dien de volgende tekst:

– Beleggen bij wie en in welke vorm dan ook brengt financiële risico’s met zich mee.
Dat geldt ook voor deze levensverzekering met beleggingsrisico (…). Beleggen geeft u kans op een hoger, maar ook op een lager dan gemiddeld rendement. Dit risico is voor u.
– Naarmate wordt belegd in meer risicovolle beleggingsvormen, zullen de te behalen rendementen onderhevig zijn aan grotere schommelingen en kan dus ook de eind-opbrengst meer afwijken van de in de voorbeelden gehanteerde bedragen.
– (…)
– Wij wijzen erop, dat de gehanteerde rendementen zijn gebaseerd op behaalde rendementen uit het verleden en daarom geen garantie bieden voor in de toekomst te behalen rendementen. (…)
– De gepresenteerde bedragen zijn uitsluitend bedoeld als voorbeeld en niet als garantie of prognose. (…)

Verzekeraar heeft hiermee expliciet te kennen gegeven dat zij geen garantie verstrekt ter zake van het rendement en dat Belanghebbende beleggingsrisico loopt. Uit het reken-overzicht blijkt evenmin dat Verzekeraar is uitgegaan van een gegarandeerd rendement. In het rekenoverzicht is nog vermeld: “rente¬percentage doelvermogen bij aanvang 5,00%, op einddatum 5,50%”. Anders dan Belang¬hebbende meent, is dit geen verwijzing naar een gegarandeerd rendement, maar ziet deze passage op de door Verzekeraar gehanteerde rekenrente. Mede gelet op de overige informatie in de offerte en het rekenoverzicht, heeft Belanghebbende deze passage ook niet in redelijkheid kunnen opvatten als een garantie ter zake van het rendement.

5.5 Met de keuze voor het Swiss Life Aandelenfonds, het Swiss Life Euro Aandelen¬fonds, het Swiss Life Obligatiefonds en het Swiss Life Mixfonds heeft Belanghebbende – zoals blijkt uit de pagina’s 8 en 9 van de offerte – gekozen voor fondsen met een gemiddeld historisch rendement variërend van 8% tot 19%. De offerte vermeldt niet dat bij deze fondsen sprake is van een gegarandeerd rendement. Op pagina 10 van de offerte staat voorts het Swiss Life Garantiefonds beschreven, welk fonds – naar uit de offerte volgt – de garantie biedt dat het rendement nooit lager zal zijn dan 3%. Belanghebbende heeft, zoals hij zelf heeft toegelicht, bewust niet gekozen voor dit fonds, omdat hij het rendement van dit fonds te laag vond. Ook uit dit laatste vloeit, naar het oordeel van de Commissie van Beroep, voort dat Belanghebbende zich ervan bewust moet zijn geweest dat hij niet ervan kon uitgaan dat Verzekeraar hem een rendement van 5% garandeerde.

5.6 Belanghebbende heeft zijn stelling dat zijn voormalig werkgever/pensioen¬fonds voor de waardeoverdracht van het kapitaal in het [naam] pensioen de eis stelde dat de nieuwe verzekering een gegarandeerd rendement zou hebben, onvoldoende onderbouwd. Hij heeft geen stukken over¬gelegd waaruit deze eis blijkt. De Commissie van Beroep heeft in het dossier veel¬eer aanwijzingen voor het tegendeel aangetroffen. Zoals hiervoor is over-wogen blijkt uit het polisblad, de offerte en het rekenoverzicht niet dat Verzekeraar een gegarandeerd rendement heeft toegezegd, terwijl, naar de Commissie begrijpt, wel een waardeoverdracht heeft plaatsgevonden. Aan¬genomen mag worden dat het voormalig pensioenfonds van Belanghebbende in het kader van deze waardeoverdracht de beschikking had over deze documenten en dat het niet is afgegaan op mondelinge toe-zeggingen van de eerder in 5.1 genoemde pensioen¬specialist die door Verzekeraar overigens zijn betwist.

5.7 De conclusie is dat de stelling van Belanghebbende dat Verzekeraar hem een gegaran¬deerd rendement van 5,5% heeft toegezegd, niet is komen vast te staan. Zijn op deze stelling gebaseerde vordering kan derhalve niet worden toe¬gewezen. Verder vloeit uit het vorenstaande voort dat het beroep op dwaling even¬min gegrond is, nu niet is gebleken dat Verzekeraar Belanghebbende onvoldoende informatie heeft verschaft over het rendement van de verzekering.

5.8 Voor zover Belanghebbende zich erop beroept dat sprake is van een woeker¬polis, heeft hij onvoldoende onderbouwd welke concrete klachten hij over de verzekering heeft, nog daargelaten dat hij geen vordering heeft ingesteld die aansluit op zijn stelling.

5.9 De conclusie is dat het beroep faalt. Het advies van de Geschillen¬commissie moet worden gehandhaafd.

6. Beslissing

De Commissie van Beroep handhaaft het bindend advies van de Geschillencommissie.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 13:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact