Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2016-055 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2016-055
(prof. mr. M.L. Hendrikse, voorzitter en mr. G.A. van de Watering, secretaris)

Klacht ontvangen op : 14 april 2015
Ingesteld door : Consument
Tegen : E.A.G. Eindhovense Assuradeuren Groep B.V., gevestigd te Eindhoven, verder te
noemen Gevolmachtigde;
Datum uitspraak : 27 januari 2016
Aard uitspraak : bindend advies

Samenvatting

Schorsing van dekking motorrijtuigenverzekering in verband met wanbetaling. Gevolmachtigde heeft niet aangetoond dat hij Consument conform het bepaalde onder artikel 934 BW heeft gewaarschuwd voor de consequenties van niet tijdige premiebetaling. Verzekeraar heeft Consument dan ook ten onrechte afgifte van een artikel 34 WAM-verklaring onthouden. Vordering tot vergoeding opgelegde RDW-boetes toegewezen.
1. Procesverloop
De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:

• het door Consument ondertekende vragenformulier met bijlagen waaronder de met Gevolmachtigde in diens interne klachtprocedure gevoerde correspondentie;
• het verweerschrift van Gevolmachtigde van 7 mei 2015;
• de repliek van Consument van 15 mei en 1 juni 2015;
• de dupliek van Gevolmachtigde de dato 15 juni 2015.

De Commissie stelt vast dat partijen haar advies als bindend zullen aanvaarden en dat het geschil zich leent voor afdoening op stukken, nu voor mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 40.1 van haar reglement geen aanleiding bestaat.
2. Feiten
Bij de beoordeling van de klacht gaat de Commissie uit van de volgende feiten.

2.1. Consument heeft in het recente verleden bij Gevolmachtigde een tweetal
bromfietsverzekeringen gesloten met polisnummer [nr.1] en [nr.2].
Op deze verzekeringen zijn van toepassing de algemene voorwaarden EAG-BR-14K.
2.2. Artikel 4 van deze algemene voorwaarden luidt als volgt;
(…)
Artikel 4
Verplichtingen van verzekerde
Verzekeringnemer of een andere verzekerde, voorzover het hem aangaat, moet:
a. ervoor zorgen dat de verschuldigde premie, de kosten en de assurantiebelasting uiterlijk op de 28ste dag nadat zij verschuldigd worden, in het bezit zijn van verzekeraar. Als dat niet het geval is, wordt verzekeringnemer door middel van een brief aan het aan verzekeraar laatst bekende adres gemaand alsnog het te betalen bedrag te voldoen voor de 15de dag na dagtekening van de aanmaning.
Is ook deze termijn verstreken zonder dat het verschuldigde door verzekeraar ontvangen is, dan wordt zonder nadere ingebrekestelling geen dekking meer verleend voor gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden na de vervaldag van de premie en kan de verzekering in zijn geheel worden geroyeerd per eerstkomende premie-vervaldag. Het voorgaande neemt niet weg dat verzekeringnemer verplicht blijft het verschuldigde te voldoen. Indien verzekeraar genoodzaakt is het verschuldigde bedrag langs gerechtelijke weg of via een andere externe procedure te innen, komen alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten voor rekening van verzekeringnemer. Op de dag na die waarop het verschuldigde inclusief gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten door verzekeraar is ontvangen en geaccepteerd, gaat de dekking weer in, tenzij de verzekering inmiddels is geroyeerd. Het is verzekeringnemer niet toegestaan het verschuldigde bedrag te verrekenen met een vordering op verzekeraar.
b. (…)

2.3. Op 20 augustus 2014 wordt Consument door Gevolmachtigde de twee jaarlijkse
prolongatienota’s toegestuurd met het verzoek om deze binnen een termijn van
30 dagen na de vervaldatum van 10 september 2014, te voldoen.

2.4. Bij gebreke daarvan worden Consument op 1 oktober 2014 voor beide
verzekeringen herinneringsnota’s toegezonden waarin deze er op wordt gewezen dat
de betalingstermijn bijna is verstreken en bij niet tijdige betaling, krachtens de
verzekeringsvoorwaarden, vanaf de vervaldatum geen rechten meer aan de
verzekering(en) kunnen worden ontleend terwijl de plicht tot premiebetaling blijft bestaan.

2.5. Op 2 oktober 2014 wordt door Gevolmachtigde voor beide verzekeringen een tweede herinnering gestuurd. Daarin wordt Consument verzocht om per ommegaande voor betaling van de premie zorg te dragen. Aangegeven wordt tevens dat de dekking van de verzekering is komen te vervallen aangezien de betaling niet binnen 30 dagen na de vervaldatum bij Gevolmachtigde is binnengekomen.

2.6. Op 29 oktober 2014 gaat ten behoeve van beide verzekeringen een
derde herinneringsnota uit naar Consument waarbij deze wordt
gewaarschuwd voor de extra incassokosten die in rekening worden gebracht
indien betaling uitblijft. Een en ander wordt gevolgd door een brief – in
tweevoud – van 19 november 2014 waarin, onder overlegging van een
royementsaanhangsel, wordt aangekondigd dat de verzekeringen zijn of worden
beeindigd.

2.7. Op 18 november 2014 wordt bij een controle van de RDW vastgesteld dat beide aan
Consument toebehorende brommers niet verzekerd zijn van welk feit Consument
schriftelijk in kennis wordt gesteld.

2.8. Op 19 november 2014 voldoet Consument de openstaande premie voor beide
Verzekeringen. De herinneringskosten worden door hem op 26 november 2014
voldaan. Beide verzekeringen worden vervolgens in kracht hersteld.

2.9. Via zijn tussenpersoon verzoekt Consument Gevolmachtigde hierna om afgifte van twee artikel 34 W.A.M-verklaringen teneinde deze te kunnen overleggen aan de RDW. Gevolmachtigde weigert echter daaraan zijn medewerking te verlenen waarna Consument door de RDW een tweetal boetes worden opgelegd omdat zijn brommers niet waren verzekerd. Na het doorlopen van de interne klachtprocedure van Gevolmachtigde is het over dat standpunt dat Consument op 14 april 2015 een klacht aan Kifid voorlegt.
3. Vordering, klacht en verweer
Vordering
3.1. Consument vordert vergoeding van een bedrag ad € 674,- zijnde de door hem opgelegde boetes omdat zijn beide brommers niet voldeden aan de wettelijke verzekeringsplicht ingevolge de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Deze vordering steunt, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende grondslag. Gevolmachtigde is toerekenbaar te kort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van onderhavige verzekeringsovereenkomst door geen artikel 34 WAM-verklaring af te geven. Consument voert hiertoe de volgende argumenten aan.
• Het is aan de verzender van een poststuk om te bewijzen dat het betreffende poststuk is aangekomen. Dat Gevolmachtigde om hem moverende redenen er niet voor kiest om poststukken aangetekend te verzenden en niet het bewijs kan leveren dat het betreffende poststuk is aangekomen, dient dat voor zijn rekening te komen. Consument kan ook niet plaatsen waarom Gevolmachtigde nalaat om, net als de tussenpersoon van Consument, gebruik te maken van e-mailverkeer dan wel dit soort kleine bedragen niet automatisch incasseert.
• De omstandigheden die Gevolmachtigde aanvoert en waaruit zou moeten blijken dat de aanmaningen wel zouden zijn verzonden, snijden geen hout.
• De derde herinnering die Gevolmachtigde heeft verzonden heeft Consument eerst op
18 november 2014 ontvangen. Consument heeft nog dezelfde avond de minimale bedragen voldaan.

Verweer Gevolmachtigde
3.3. Gevolmachtigde heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
• Gevolmachtigde is niet verplicht om de betalingsherinneringen aangetekend te versturen. De daaraan verbonden kosten zouden ook niet opwegen tegen de verschuldigde premie. Bewijs dat de verzonden poststukken ook daadwerkelijk bij de geadresseerde zijn aangekomen kan Gevolmachtigde ook niet overleggen. Wel dat de poststukken op de desbetreffende data zijn verzonden omdat daarvan kopieën worden opgeslagen.
Bij procedures van de rechtbank wordt er bovendien van uitgegaan dat wanneer administratief kan worden aangetoond dat brieven zijn verzonden, deze ook bezorgd zijn.
• Consument heeft een premie-brengplicht, Gevolmachtigde geen premie-haalplicht. Het is dan ook niet aan Gevolmachtigde om aan te tonen wanneer Consument de betreffende herinneringen heeft ontvangen. Consument kan namelijk ook niet bewijzen dat hij de herinneringen niet al eerder in huis had. Gevolmachtigde heeft aan zijn verplichtingen voldaan door zijn administratie op orde te hebben en het juiste adres van Consument te gebruiken.
• De aanmaningen zijn verzonden naar het laatst bekende adres terwijl Consument ook nooit een adreswijziging heeft doorgegeven.
• De beëindigingsaanhangsels evenals de poststukken met de eerste nota heeft Consument kennelijk wel ontvangen. Vreemd is dat de eerste twee herinneringen niet door Consument zijn ontvangen en de derde aanmaning wel.
• Consument heeft de premie op 19 november 2014 – één dag na de controle door de RDW op 18 november 2014 – voldaan. De herinneringskosten werden op 26 november 2014 voldaan. Daarna werd de dekking in kracht hersteld.
• Automatische incasso is alleen verplicht bij maandbetaling en Consument heeft bij aanvang van de verzekering gekozen voor betaling per acceptgiro. Bij aanvang van de verzekering was ook het verzenden van herinneringsnota’s per e-mail nog niet toegestaan. Gevolmachtigde heeft daarna wel een actie gehouden om aan de e-mailadressen van verzekerden te achterhalen maar daarop is geen reactie gevolgd van Consument.
4 Beoordeling
4.1. Ter beoordeling ligt de vraag voor of Gevolmachtigde in deze kwestie terecht heeft geweigerd om ten behoeve van Consument een zogenoemde artikel 34 WAM-verklaring af te geven. De Commissie meent dat deze vraag in ontkennende zin moet worden beantwoord en overweegt daartoe als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 7:934 van het Burgerlijk Wetboek kan het niet nakomen van de verplichting tot betaling van de vervolgpremie eerst dan leiden tot beëindiging of schorsing van de verzekeringsovereenkomst of de dekking, nadat de schuldenaar na de vervaldag onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van 14 dagen, aanvangende de dag na aanmaning.

4.3. Consument heeft in dit kader betwist dat de door Gevolmachtigde verzonden tweede en derde herinneringen, zoals hierboven onder 2.3. en 2.4. weergegeven, hem hebben bereikt terwijl Consument daarnaast heeft aangegeven dat hij de (twee) derde door gevolmachtigde verzonden herinneringen eerst op 19 november 2014 heeft ontvangen waarna hij direct voor betaling van de openstaande premiebedragen heeft zorggedragen.

4.4. Gegeven dit laatste is het ingevolge het bepaalde onder artikel 3:37 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek in beginsel, aan Gevolmachtigde om feiten en/of omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de door hem verzonden herinneringen tijdig bij Consument zijn aangekomen.

4.5. Gevolmachtigde heeft in dat kader aangevoerd dat de herinneringen en aanmaningen wel degelijk door hem zijn verzonden omdat hij daarvan kopieën in zijn administratie opslaat maar heeft als zodanig ook erkend dat hij geen bewijs kan overleggen dat deze ook daadwerkelijk Consument hebben bereikt. Verder heeft Gevolmachtigde opgemerkt dat hij niet verplicht is om de betalingsherinneringen aangetekend te verzenden en de daaraan verbonden kosten ook niet zouden opwegen tegen de verschuldigde premie.
4.6. Dit verweer van Gevolmachtigde faalt in zijn beide onderdelen. Gevolmachtigde kan inderdaad niet verplicht worden gesteld om zijn betalingsherinneringen aangetekend te verzenden. Het aan deze keuze verbonden risico dat hij in voorkomende gevallen niet kan aantonen dat de betreffende aanmaningen zijn verzekerden tijdig hebben bereikt kan hij echter niet afwentelen op zijn verzekerde. Dat dient eveneens te gelden voor het verweer van Gevolmachtigde dat het aangetekend verzenden van de aanmaningen, gezien de omvang van de geringe premie, te hoge kosten mee zou brengen. Dit betreft een (bedrijfs-) economische afweging die niet voor risico en rekening van een verzekerde kan worden gebracht.

4.7. Het verweer van Gevolmachtigde dat bij procedures van de Rechtbank een andere invulling aan onderhavige bewijslast wordt gegeven, dient naar het oordeel van de Commissie als onvoldoende onderbouwd te worden verworpen. Dat geldt eveneens voor het door Gevolmachtigde aangevoerde dat op Consument een premie-brengplicht rust terwijl voor Gevolmachtigde geen premie-haalplicht geldt en dat het daarom niet aan hem zou zijn om aan te tonen dat Consument de door hem verzonden betalingsherinneringen daadwerkelijk heeft ontvangen. Een en ander is immers niet relevant voor de vraag of als vaststaand kan worden aangenomen dat hij Consument conform het bepaalde onder artikel 7:934 BW heeft gewezen op de consequenties van niet tijdige betaling.

4.8. De overige door Gevolmachtigde aangevoerde argumenten die in de kern hier op neer komen dat het vreemd is dat Consument sommige poststukken wel en andere daarentegen niet heeft ontvangen, laatstgenoemde de openstaande premie kennelijk eerst heeft betaald na ontvangst van de boete van de RDW en betaling via automatische incasso alleen mogelijk is in het geval van jaarbetaling, welke situatie zich hier niet voordeed, zijn niet relevant voor de beoordeling en kunnen mitsdien verder onbesproken blijven.

4.9. Alles overziende, moet de Commissie dan ook vaststellen dat Gevolmachtigde niet is geslaagd is in het bewijs dat hij Consument tijdig heeft aangemaand in de zin van art. 7:934 van het Burgerlijk Wetboek en niet als vaststaand kan worden aangenomen dat hij Consument heeft gewezen op het risico van schorsing van de dekking. Gevolmachtigde komt daarop dan ook geen beroep toe. Gevolmachtigde heeft Consument mitsdien ten onrechte geweigerd een verklaring te overleggen als bedoeld in artikel 34 van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen.

De conclusie dient mitsdien te zijn dat Gevolmachtigde toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van onderhavige verzekeringsovereenkomsten.
De Commissie wijst de vordering van Consument daarom toe.
5 Beslissing
De Commissie beslist dat Aangeslotene binnen vier weken na de dag waarop een afschrift van deze beslissing aan partijen is verstuurd, aan Consument vergoedt een bedrag van
€ 674,-

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van bindende beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/consumenten/hoe-wordt-uw-klacht-behandeld.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact