Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2016-252 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2016-252 d.d.
10 juni 2016
(mr. drs. S.F. van Merwijk, voorzitter, drs. L.B. Lauwaars RA en J.C. Buiter, leden en mr. S. van der Hoorn, secretaris)

Samenvatting

Beleggingsadvies: Consument vordert vergoeding van het verlies op haar portefeuille dat zij heeft geleden door slechte adviezen van Aangeslotene. Partijen zijn het oneens over de hoogte van dat verlies en houden er verschillende berekeningen op na om de hoogte van het verlies weer te geven. De Commissie is van oordeel dat Consument haar standpunt dat zij op haar portefeuille een verlies heeft geleden van € 24.385,20 en derhalve de berekening van Aangeslotene dat er een verlies is geleden van € 731,05 onjuist zou zijn, onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat sprake is van een zodanig verlies op de portefeuille van Consument dat Aangeslotene hierover uitleg dient te geven. Consument heeft ook niet concreet gemaakt op welke gronden Aangeslotene te kort zou zijn geschoten en ook niet concreet gemaakt wat Consument wel van Aangeslotene mocht verwachten. De vordering van Consument wordt afgewezen.

Consument,

tegen

de besloten vennootschap Wijs & Van Oostveen B.V., gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen Aangeslotene.

1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:

– het dossier van de Ombudsman Financiële Dienstverlening;
– het door Consument ondertekende klachtformulier met begeleidende brief en bijlagen van 5 juni 2015;
– de brief van Consument van 14 februari 2015 met bijlagen;
– het verweerschrift van Aangeslotene;
– de repliek van Consument;
– de dupliek van Aangeslotene;
– de spreekaantekeningen van Consument, overlegd ter zitting;
– de brief van Consument van 29 april 2016;
– de brieven van Aangeslotene van 10 mei 2016 en 26 mei 2016 met de
spreekaantekeningen van Aangeslotene.

De Commissie stelt vast dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid en dat partijen haar advies als bindend aanvaarden.
Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op 24 maart 2016 en zijn aldaar verschenen.

2. Feiten

De Commissie gaat uit van de volgende feiten:

2.1. Op 3 november 2010 is Consument met Aangeslotene een adviesovereenkomst aangegaan. Naar aanleiding van deze adviesrelatie heeft Consument haar beleggingsportefeuille overgeboekt van ABN AMRO Bank N.V. naar Theodoor Gilissen Bankiers N.V.
Op 3 november 2010 heeft Consument een cliëntrapport ondertekend. In het cliëntrapport staat onder meer:
“(…)
Startvermogen € 220.000
(…)
Doelhorizon 18 jaar

Uw doelstelling
Inkomen en groei. Gericht op het voorzien in (toekomstige) niet noodzakelijke bestedingen alsmede op het realiseren van vermogensgroei.
(…)
Inkomsten en/of uitgaven of stortingen en/of onttrekkingen
Beschrijving Eenheid Waarde Van – t/m Indexatie
Wenselijk inkomen Bedrag € -10.000 2011-2028 Prijsinflatie
(…)

Vragenlijst beleggingsprofiel
(…)
Vraag 4
Uw ervaring met beleggen is:
* Ik heb meer dan 6 jaar ervaring.
(…)
Vraag 11
Uw stortingen en onttrekkingen zijn tijdens de beleggingshorizon als volgt gepland:
* (Periodieke) onttrekking binnen 10 jaar.
(…)

Keuze beleggingsprofiel
X Neutraal
(…)”

2.2. In het mutatieoverzicht van de portefeuille van Consument in de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 oktober 2014 staat dat Consument in de maanden november 2010 en december 2010 in totaal een bedrag van € 223.320,- aan beleggingen in haar portefeuille bij Theodoor Gilissen heeft gedeponeerd.

2.3. In de maandrapportage van december 2010 staat dat de waarde van de portefeuille van Consument per 31 december 2010 € 232.391,55 bedroeg en de samenstelling bestond uit 60% aandelen en 40% vastrentende waarden.
In de maandrapportage van de beleggingsportefeuille van oktober 2013 staat dat de waarde van de portefeuille per 31 oktober 2013 € 198.071,90 bedroeg en de samenstelling bestond uit 41% aandelen, 48% vastrentende waarden en de rest uit liquide middelen.

2.4. Op 14 november 2013 is op initiatief van Consument de adviesovereenkomst met Aangeslotene beëindigd. Behalve de Obligatie Heerenstede Duitsland Vastgoed (hierna: “de Heerenstede Obligatie”) en een bedrag aan liquide middelen die bij Theodoor Gilissen zijn achtergebleven, is de beleggingsportefeuille van Consument op haar verzoek overgeboekt naar ABN AMRO Bank N.V.

2.5. Bij brief van 19 november 2013 heeft Aangeslotene Consument onder meer medegedeeld:
Hierbij doen wij u de eindafrekening van de performance fee toekomen.

Eindwaarde van de hoofdportefeuille 14-11-2013 € 196.980,00
Beginwaarde van de hoofdportefeuille 30-06-2013 € 196.025,03

Waardemutatie € 954,97
Saldo van stortingen en onttrekkingen € 8.000,00

Netto waardemutatie € 8.954,97

Performancefee 10% € 895,50
21% BTW € 188,06

Performancefee incl. BTW € 1.083,56

2.6. Op het financieel jaaroverzicht van 2014 van de beleggingsportefeuille van Consument staat dat op 1 januari 2014 de totale waarde van portefeuille van Consument
€ 15.768,- bedroeg en op 31 december 2014 € 0,-.

3. De vordering en grondslagen

3.1. Consument vordert dat Aangeslotene wordt veroordeeld tot vergoeding van 50% van het verlies op haar beleggingsportefeuille, te weten de helft van een bedrag van
€ 49.000,-. In correspondentie na de zitting heeft Consument haar vordering bijgesteld naar een bedrag van € 24.385,20.

3.2. Deze vordering steunt kort en zakelijk op de volgende grondslagen:
– door slechte adviezen van Aangeslotene heeft Consument verlies geleden op haar beleggingsportefeuille. Consument heeft haar beleggingsdoelstelling niet gehaald en de overeengekomen jaarlijkse onttrekkingen van € 10.000,- per jaar zijn niet haalbaar gebleken;
– Aangeslotene heeft Consument ten onrechte nimmer gewaarschuwd voor veel lagere rendementen dan verwacht en nimmer gewaarschuwd voor de gevolgen van het onttrekken van vermogen uit de beleggingsportefeuille voor het behalen van haar beleggingsdoelstelling;
– de door Aangeslotene geadviseerde fondsen Heerenstede, Laurel en Scholz zijn beperkt offensief en pasten niet bij een neutraal profiel;
– Aangeslotene had tijdig moeten signaleren dat de Heerenstede Obligatie niet verhandelbaar zou worden en had actie moeten ondernemen om deze tijdig te verkopen;
– Consument heeft in 2010 op advies van Aangeslotene haar aandelen in Credit Agricole met verlies verkocht, waarbij Aangeslotene ten onrechte heeft nagelaten Consument te adviseren de betaalde bronbelasting terug te vorderen;
– Aangeslotene stelt ten onrechte dat Consument slechts een verlies op haar beleggingsportefeuille heeft geleden van € 731,05. Aangeslotene neemt in haar berekening ten onrechte niet het verlies mee van de Heerenstede Obligatie die is gewaardeerd op € 0,-, een verlies van € 15.000,-, en gaat Aangeslotene in haar berekening uit van een startkapitaal bij aanvang van € 223.320,- terwijl Aangeslotene vanaf 1 januari 2011 is gestart met haar dienstverlening en de waarde van de portefeuille op dat moment € 231.241,13 bedroeg.

3.3. Op de stellingen die Aangeslotene tot verweer heeft opgeworpen, wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Beoordeling

4.1. Tussen partijen bestaat een adviesrelatie. Daarbij is het uitgangspunt dat de belegger in beginsel zelf verantwoordelijk is voor de gevolgen van zijn beslissingen, tenzij er adviezen worden gegeven die een redelijk bekwaam en redelijk handelend beleggingsadviseur in de gegeven omstandigheden niet had mogen geven.

4.2. Vast staat dat Consument verlies heeft geleden op haar beleggingsportefeuille en dat partijen het oneens over de hoogte van dat verlies. Partijen houden er verschillende berekeningen op na om de hoogte van het verlies weer te geven. In correspondentie na de zitting heeft Consument naar voren gebracht dat tussen partijen alleen nog discussie bestaat over de waarde van de Heerenstede Obligatie en welke waarde van de portefeuille als uitgangspunt bij de berekening wordt genomen. Consument stelt dat de waarde van de portefeuille op het moment dat de advisering is aangevangen het uitgangspunt is. De advisering is feitelijk aangevangen in januari 2011, toen voor het eerst effecten zijn aangekocht op advies van Aangeslotene. De portefeuille bedroeg op dat moment € 231.241,13. Aangeslotene neemt bij haar berekening als uitgangspunt de waarde van de beleggingen, een bedrag van in totaal
€ 223.320,-, die Consument in haar portefeuille heeft gestort om met advies van Aangeslotene te gaan beleggen.

4.3. De Commissie is van oordeel dat bij de berekening van het verlies van de portefeuille de waarde van € 223.320,- als uitgangspunt moet worden genomen. Dit bedrag is immers de totale waarde van de beleggingen waarmee de adviesrelatie is gestart en waarvoor Aangeslotene vanaf het moment van deponering op grond van de adviesrelatie verantwoordelijkheid draagt. Dat op het moment dat er voor het eerst werd gehandeld de totale waarde van de beleggingen is gestegen ten opzichte van de waarde op het moment van deponering, maakt dit niet anders. De Commissie verwerpt dan ook de stelling van Consument dat de waarde van de portefeuille per januari 2011 het uitgangspunt dient te zijn.

4.4. Aangeslotene heeft onweersproken gesteld dat de Heerenstede Obligatie binnen de door Consument aangegeven beleggingshorizon kan worden afgelost. Consument ontvangt uit deze obligatie nog steeds een jaarlijks rendement van 8%. Ook heeft Consument niets concreets gesteld aangaande de noodzaak om de Heerenstede Obligatie eerder te verkopen. De stelling van Consument dat de waarde van de Heerenstede obligatie nihil is en een verlies van € 15.000,- voor rekening van Aangeslotene dient te komen, treft dan ook geen doel. De Commissie hecht er in dit verband nog wel aan om op te merken dat het Aangeslotene bepaald niet had misstaan om een wat welwillendere uitleg te geven over de stand van zaken rondom die obligatie en waarom daarvan geen concrete waarde is terug te vinden in het financieel jaaroverzicht van 2014.

4.5. Gelet op bovenstaande heeft Consument haar standpunt dat zij op haar portefeuille een verlies heeft geleden van € 24.385,20 en derhalve de berekening van Aangeslotene dat er een verlies is geleden van € 731,05 onjuist zou zijn, onvoldoende onderbouwd. De Commissie is van oordeel dat niet gebleken is dat sprake is van een zodanig verlies op de portefeuille van Consument dat Aangeslotene hierover uitleg dient te geven. Consument heeft ook niet concreet gemaakt op welke gronden Aangeslotene te kort zou zijn geschoten en ook niet concreet gemaakt wat Consument wel van Aangeslotene mocht verwachten.

4.6. Dat er sprake is van een teleurstelling met betrekking tot het verwacht rendement is evident, doch dit gegeven is op zichzelf geen grondslag voor een tegemoetkoming van Aangeslotene. Van Aangeslotene had mogen worden verwacht dat zij – veel meer dan zij heeft gedaan – Consument op een voor haar begrijpelijke wijze uitlegt waar haar berekening van het verlies op de portefeuille mank gaat. Daar waar Aangeslotene dit heeft verzuimd, betekent dit echter nog niet dat ook daadwerkelijk sprake is geweest van een schending van zorgplicht en daaruit voortvloeiende schade.

4.7. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vordering van Consument wordt afgewezen.

5. Beslissing

De Commissie wijst de vordering af.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening. Daarbij geldt een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor https://www.kifid.nl/consumenten/klacht-voor-1-oktober-2014-bij-kifid-ingediend.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 13:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact