Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2016-292 (Bindend)

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening, nr. 2016-292
(mr. A.M. Wigger, voorzitter en mr. N. Bouwman, secretaris)

Klacht ontvangen op : 15 juli 2015
Ingesteld door : Consument
Tegen : Delta Lloyd Schadeverzekering N.V., gevestigd te Amsterdam,
verder te noemen de Verzekeraar
Datum uitspraak : 29 juni 2016
Aard uitspraak : Bindend

Samenvatting

Aan de B.V. van Consument zijn frauduleuze gedragingen toegerekend. Consument is de enige bestuurder van de B.V. Voor de beoordeling van de vraag of een (rechts)persoon kan worden geregistreerd in het EVR, is van belang of de (rechts)persoon is betrokken bij gedragingen als bedoeld in artikel 5.2 van het Protocol. Vast staat dat Consument ten tijde van de aanrijding de bijrijder was van de BMW. Ook staat vast dat Consument het schadeaangifteformulier heeft ondertekend en hij persoonlijk de schadeclaim heeft ingediend bij de Verzekeraar. De Commissie oordeelt dat Consument voldoende op de hoogte is geweest omtrent alle feiten en omstandigheden rondom het ongeval en dat de gedragingen om die reden in voldoende mate aan Consument kunnen worden toegerekend. Het feit dat niet Consument, maar de B.V., de verzekerde is doet hier niet aan af.
1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:

• het door Consument ondertekende vragenformulier;
• de klachtbrief van Consument met als bijlage de correspondentie in de interne klachtprocedure van de Verzekeraar;
• het verweerschrift van de Verzekeraar;
• de repliek van Consument;
• de dupliek van de Verzekeraar.

Partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 24 mei 2016 te Den Haag en zijn aldaar verschenen.
2. Feiten

Bij de beoordeling van de klacht gaat de Commissie uit van de volgende feiten.

2.1 Consument is directeur van [..naam B.V..] (hierna: ‘de B.V.’). Op naam van de B.V. is een autoverzekering afgesloten bij de Verzekeraar. Op deze verzekering zijn de Polisvoorwaarden Autoverzekering KME 03.5.03 F (hierna: ‘de Voorwaarden’) van toepassing. In artikel 6.2 lid 4 van de Voorwaarden is het volgende bepaald:

‘Artikel 6.2 Opzegging door de maatschappij
De maatschappij heeft het recht de verzekering schriftelijk te beëindigen:
(…)
4. Als u of de verzekerde bij schade opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. De verzekering eindigt dan met onmiddellijke ingang; (…)’

In artikel 8 lid 2 is het volgende opgenomen:

‘Artikel 8 Verjaring en verval van rechten
(…)
2. Indien u of de verzekerde de opzet heeft gehad bij de schade de maatschappij te misleiden vervalt onmiddellijk elk recht op uitkering, tenzij de misleiding het verval van rechten rechtvaardigt. (…)’

‘Artikel 6.2 Opzegging door de maatschappij
De maatschappij heeft het recht de verzekering schriftelijk te beëindigen:
(…)
4. Als u of de verzekerde bij schade opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. De verzekering eindigt dan met onmiddellijke ingang; (…)’

2.2 Op 24 oktober 2014 heeft een aanrijding plaatsgevonden op een oprit van de A20. Hierbij was de BMW 525 met kenteken 04-ZVP-5 van de B.V. betrokken en een Opel Omega met kenteken NP-LH-79. Consument was ten tijde van het ongeluk de bijrijder van de BMW. Na de aanrijding hebben partijen een aanrijdingsformulier ingevuld. Dit formulier is tevens door Consument ondertekend.

2.3 Nadat de schade was gemeld bij de Verzekeraar is er een onderzoek uitgevoerd door Ongevallen Analyse Nederland en een expert van de Verzekeraar naar de gestelde schade. In het rapport d.d. 19 december 2014 is het volgende opgenomen:

‘Uit het door mij, Greijmans, ingestelde onderzoek is gebleken dat:
* het totale schadebeeld van de BMW NIET is ontstaan zoals door betrokkenen wordt opgegeven;
* niet voor 100% uitgesloten kan worden dat beide voertuigen elkaar geraakt hebben;
* de BMW reeds gedemonteerd was zonder dat daar toestemming voor gegeven bleek;
* betrokken partijen een onjuiste toedracht op het schadeformulier hebben opgegeven van de aanrijding;
* er kennelijk sprake is van verzekeringsfraude/opzetaanrijding waar mogelijk alle partijen bij betrokken zijn;
* verzekerde en tegenpartij, kennelijk bewust onjuiste informatie hebben vermeld op het aanrijdingsformulier (valsheid in geschrifte) en bewust onjuist verklaard heeft tegenover een vertegenwoordiger van de verzekeringsmaatschappij met het kennelijke doel een schade-uitkering te ontvangen waarop geen recht bestaat.’

2.4 In het destijds geldende Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (hierna: ‘het Protocol’) van 23 oktober 2013 is – voor zover relevant – het volgende bepaald.

“4 Incidentenregister
4.1 Doel Incidentenregister
4.1.1 Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incidentenregister te hanteren:
“Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:· op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers; op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van oneigenlijk gebruik van producten, diensten en voorzieningen en/of (pogingen) tot strafbare of laakbare gedragingen en/of overtreding van (wettelijke) voorschriften, gericht tegen de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, de financiële instelling zelf, alsmede haar cliënten en medewerkers; op het gebruik van en de deelname aan waarschuwingssystemen.
5 Extern Verwijzingsregister
(…)
5.2 Vastlegging van gegevens in het Extern Verwijzingsregister
5.2.1 De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.
a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of integriteit van de financiële sector. b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een
opsporingsambtenaar. c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Externe Verwijzingsregister.’

2.5 De Verzekeraar heeft Consument bij schrijven van 24 december 2014 laten weten dat sprake is van fraude. Zowel de persoonsgegevens van Consument als die van de B.V. worden opgenomen in het incidentenregister en het Externe Verwijzingsregister (EVR). Ook wordt er een melding gedaan bij het Verbond van Verzekeraars.
3. Vordering, klacht en verweer

Vordering
3.1 Consument vordert verwijdering van zijn persoonsgegeven uit het EVR en het Incidentenregister.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Consument voert hiertoe de volgende argumenten aan:
• Aan een natuurlijke persoon kunnen geen frauduleuze gedragingen van een B.V. worden toegerekend. Daarbij komt dat Consument niet de bestuurder van de auto was en ook niet de eigenaar van de auto is. Ook heeft Consument niet het formulier ingevuld. Voor de diverse meldingen en registraties is meer nodig dan een ‘vermoeden’ dat de diverse gedragingen zijn uitgevoerd door Consument. Het moet gaan om een gerechtvaardigde overtuiging dat Consument zich schuldig heeft gemaakt aan fraude. De Verzekeraar heeft ongemotiveerd gelaten waarom Consument, als natuurlijk persoon, frauduleuze gedragingen kunnen worden toegerekend. Het is aan de Verzekeraar aan te tonen dat het handelen ook daadwerkelijk is uitgevoerd door Consument. De diverse protocollen spreken over de ‘verzekerde’. Alleen zij kunnen worden opgenomen in de diverse registers. Consument is niet te kwalificeren als de verzekerde, waarbij wordt opgemerkt dat de verzekering is gesloten tussen de B.V. en de Verzekeraar.

Verweer van de Verzekeraar
3.3 De Verzekeraar heeft, kort en zakelijk weergegeven, de volgende verweren gevoerd:
• Er is niet slechts sprake van een vermoeden. Het resultaat van het onderzoek laat geen twijfel bestaan over de betrokkenheid van Consument. De betrokken partij is Consument, te weten de verzekeringsnemer, die als natuurlijke persoon en als enig aandeelhouder/bestuurder van de B.V. namens de verzekerde partij (de B.V.) de verzekering afsloot en de schadeclaim indiende. Wij wijzen er op dat het Protocol alsmede de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen (GVPFI) geen beperking oplegt als het gaat om de vraag of alleen verzekerden/verzekeringsnemer(s) mogen worden opgenomen in de database van Stichting CIS. Tevens blijkt uit gespreksverslagen dat Consument het voertuig refereert als ‘mijn auto’. Ook heeft Consument de achterzijde van het saf wel degelijk ondertekend en heeft hij zelf de schadeclaim ingediend bij de Verzekeraar. . Daarmee heeft Consument zich verantwoordelijk gesteld voor de inhoud van het saf.

4. Beoordeling

4.1 Voor wat betreft de vraag of de Verzekeraar de persoonsgegevens van Consument in het EVR mocht opnemen, overweegt de Commissie het volgende.
4.2 De Verzekeraar heeft zich verplicht bij de verwerking van persoonsgegevens in het EVR te handelen conform het hierboven genoemde Protocol. Vermelding van de persoonsgegevens in het EVR wegens verdenking van (poging tot) fraude is een maatregel met mogelijk verstrekkende gevolgen voor de betrokkene. Deze vermelding kan tot gevolg hebben dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het EVR is overgegaan, maar ook andere deelnemers hun (financiële) diensten aan de geregistreerde weigeren. Er moeten daarom hoge eisen worden gesteld aan de grond(en) van de Verzekeraar voor opname van de persoonsgegevens van Consument in het EVR.

4.3 Artikel 5.2.1 onder a en b van het Protocol bepaalt onder welke voorwaarden persoonsgegevens in het EVR mogen worden opgenomen. In voldoende mate moet vaststaan dat de gedraging van de betreffende persoon een bedreiging vormt voor de (financiële) belangen van een financiële instelling, alsmede voor de continuïteit en integriteit van de financiële sector. Dit houdt in dat de gestelde feiten die de registratie dragen een gegronde verdenking moeten vormen van fraude (“opzet te misleiden”). (Zie ook: Hof
Amsterdam 30 november 2010, LJN: BO7581, r.o. 3.5).
4.4 Ingevolge artikel 5.2.1. onder c van het Protocol dient de financiële instelling bij de registratie van persoonsgegevens in het EVR het proportionaliteitsbeginsel in acht te nemen. Dat wil zeggen dat het belang van de financiële instelling bij registratie moet worden afgewogen tegen de nadelige gevolgen daarvan voor Consument. Doel van het Protocol is onder meer de continuïteit en de integriteit van de financiële sector te waarborgen. De dreiging van registratie kan daaraan – al dan niet als preventief middel – een positieve bijdrage leveren, doch alleen indien in betreffende gevallen ook daadwerkelijk tot registratie wordt overgegaan. Het belang van een financiële instelling is er bovendien in gelegen dat hij dient te kunnen uitgaan van de juistheid van de door een klant verstrekte informatie. Desalniettemin kunnen, ook indien overigens aan de voorwaarden voor registratie is voldaan, de belangen van een consument daardoor zodanig zwaar worden geraakt dat in het concrete geval registratie achterwege zal moeten blijven. Het is in eerste instantie aan de financiële instelling die afweging te maken. De consument die verwijdering van een registratie wenst zal moeten onderbouwen op grond waarvan hij disproportioneel wordt geraakt in zijn belangen en waarom zijn belang prevaleert boven dat van de financiële instelling.
4.5 Indien komt vast te staan dat mag worden overgegaan tot registratie in het EVR, kan het proportionaliteitsbeginsel vervolgens een rol spelen bij de duur van de registratie. In artikel 5.3.2 van het Protocol is immers opgenomen dat de duur van de registratie maximaal acht jaar is. Het is ook hier aan de consument die beperking van de duur van registratie wenst, te onderbouwen op grond waarvan hij disproportioneel wordt geraakt in zijn belangen.
4.6 In onderhavige zaak staat vast dat de Verzekeraar de persoonsgegevens van Consument in het EVR heeft opgenomen en dat zij zich hierbij onder andere heeft gebaseerd op het taxatierapport van 19 december 2014. De vraag die beantwoord moet worden is of de gestelde feiten een gegronde verdenking vormen van opzet aan de zijde van Consument om de Verzekeraar te misleiden en de Verzekeraar derhalve in redelijkheid tot het besluit tot registratie heeft kunnen komen.
4.7 De Verzekeraar heeft, gelet op de haar ter beschikking staande gegevens, op goede gronden tot het oordeel kunnen komen dat Consument een onware opgave en/of een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven met het doel de Verzekeraar te misleiden. Uit het taxatierapport is gebleken dat de schade aan de BMW niet kan zijn ontstaan zoals door partijen opgegeven en dat Consument een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Daarbij komt dat de auto van Consument al gedemonteerd was op het moment dat de expert langs kwam. Hiermee staat vast dat Consument opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven teneinde een schadevergoeding te krijgen waarop de B.V. – waarvan hij de enige bestuurder was – geen recht had. Op het moment dat Consument het niet eens was geweest met het standpunt van de expert, had hij op grond van artikel 13.5 van de algemene voorwaarden gebruik kunnen maken van zijn recht op contra-expertise. Dit heeft Consument nagelaten. De registratie in het EVR acht de Commissie onder die omstandigheden gerechtvaardigd en niet buitenproportioneel.
Consument heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden gesteld dat hij in dit geval disproportioneel wordt geraakt in zijn belangen.
4.8 Consument stelt zich op het standpunt dat de frauduleuze gedragingen hem niet toe te rekenen zijn, omdat immers op naam van de B.V. frauduleuze gedragingen zouden zijn gepleegd. De Commissie kan Consument niet volgen in zijn stelling. Voor de beoordeling van de vraag of een (rechts) persoon kan worden geregistreerd in het EVR is van belang of deze (rechts) persoon is betrokken bij gedragingen als bedoeld in artikel 5.2 van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen. Vast staat dat Consument ten tijde van het ongeval de bijrijder was van de BMW. Ook staat vast dat Consument het schadeaangifteformulier heeft ondertekend en dat hij persoonlijk de schadeclaim heeft ingediend bij de Verzekeraar. De Commissie oordeelt derhalve dat Consument voldoende op de hoogte is geweest omtrent alle feiten en omstandigheden rondom het ongeval en dat de gedragingen om die reden in voldoende mate aan Consument, kunnen worden toegerekend. Dat niet Consument, maar de B.V., de verzekerde is doet hier niet aan af.
4.9 Indien is voldaan aan de vereisten van een EVR-registratie mogen de gegevens in het Incidentenregister vermeld blijven staan: het EVR is immers aan het Incidentenregister gekoppeld (artikel 3.1.2 van het Protocol).
5. Beslissing

De Commissie wijst de vordering af.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 13:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact