Mijn Kifid
Mijn Kifid

Uitspraak 2016-434 (Bindend)

Geschillencommissie Inzake Geschillenbeslechting Rentederivaten nr. 2016-434
(mr. C.E. du Perron, voorzitter, J.C. Buiter en drs. J.C.P.M. van Erp, leden en mr. T.R.G. Leyh, secretaris)

Uitspraak

Klacht ontvangen op : 19 februari 2015
Ingesteld door : Klant
Tegen : Deutsche Bank Nederland N.V. (inmiddels Deutsche Bank AG, Amsterdam Branch),
gevestigd te Amsterdam, verder te noemen DB
Datum uitspraak : 20 september 2016
Aard uitspraak : Bindend advies

Samenvatting

De vraag die voorligt is of Deutsche Bank jegens de Klant de zorg in acht heeft genomen die in de gegeven omstandigheden van haar mocht worden verwacht. Daarbij komt het vooral aan op de omstandigheden van het geval. In het bijzonder is daarbij van belang dat Deutsche Bank als professionele en ter zake kundige dienstverlener staat tegenover een relatief kleine ondernemer waarvan in beginsel geen bijzondere kennis over renterisico’s en de instrumenten ter afdekking daarvan mag worden verwacht.
De Commissie stelt vast dat voorafgaand aan het afsluiten van de renteswap naast de voordelen ook de risico’s van de swap aan de orde zijn gekomen. Wel geldt dat door de wijze waarop Deutsche Bank in haar e-mail aan de Klant de nadruk heeft gelegd op twee aspecten van de renteswap, namelijk het afdekken van het renterisico en de flexibiliteit van het product, de voordelen naar het oordeel van de Commissie te zeer op de voorgrond hebben gestaan. In concreto is daarmee sprake van een tekortkoming van Deutsche Bank.
Met name op het punt van de voorgespiegelde flexibiliteit sloot de renteswap in onvoldoende mate aan bij de bedrijfsvoering van de Klant, die er mede op gericht was aan- en verkopen in onroerend goed te bewerkstelligen. De schade die zich heeft gemanifesteerd is gelegen in de door de Klant betaalde afkoopsom welke hij uit hoofde van de renteswap verschuldigd bleek op het moment dat hij het bewuste onroerend goed wenste te verkopen, de financiering wenste af te lossen en de renteswap voortijdig wenste te beëindigen. De Commissie is van oordeel dat een deel van deze schade voor rekening van de Klant dient te blijven.
1. Procesverloop

De Commissie beslist met inachtneming van haar reglement en op basis van de volgende stukken:

• het door de Klant ondertekende Klachtformulier met bijlagen;
• het verweerschrift van DB;
• de pleitnotities van de advocaat van de Klant.

Partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 16 maart 2016 te Den Haag en zijn aldaar verschenen.

Overeenkomstig artikel 46 lid 3 van haar Reglement doet de Commissie uitspraak in de vorm van een bindend advies.
2. Feiten

Bij de beoordeling van de klacht gaat de Commissie uit van de volgende feiten.

2.1 De klacht is gericht tegen DB. DB is in deze zaak rechtsopvolger van ABN AMRO Bank N.V. Waar in het hiernavolgende wordt gesproken over DB, wordt en/of worden daarmee zowel DB als haar rechtsvoorganger(s) aangeduid.
2.2 De Klant heeft een klus- en afbouwbedrijf, een eenmanszaak. In het kader van deze onderneming handelt de Klant tevens in onroerend goed.
2.3 Een tussen partijen gesloten kredietovereenkomst uit 2006 vermeldt een kredietfaciliteit met een omvang van € 635.000 bestaande uit een rekening-courant krediet van € 20.000, een
10-jarige euriborlening van € 445.000 en een 25-jarige euriborlening van € 170.000.
2.4 Een tussen partijen gesloten kredietovereenkomst van mei 2007 vermeldt een kredietfaciliteit met een omvang van € 804.997 bestaande uit een rekening-courantkrediet van € 20.000, een 10-jarige euriborlening van € 445.000, een 25-jarige euriborlening van (pro resto) € 164.997 en een 10-jarige euriborlening van € 170.000.
2.5 Op 27 juni 2007 hebben partijen een bespreking gehad waarbij over renterisico is gesproken. DB heeft daarbij een PowerPointpresentatie gebruikt getiteld ‘Afdekken renterisico. Treasury oplossingen’ waarin de werking van een renteswap als volgt wordt uitgelegd: “Een renteswap doet niets anders dan ervoor zorgen dat het bedrijf per saldo niet meer of minder betaalt dan swaprente plus opslag.”
2.6 Naar aanleiding van het gesprek van 27 juni 2007 heeft DB de Klant op 28 juni 2007 als bijlage bij een e-mail een offerte voor een renteswap doen toekomen. In de e-mail schrijft DB onder meer:
Enkele belangrijke voordelen van de Rente Swap, ten opzichte van een “traditionele” lening zijn, naast prijs, onder andere:
* de Rente Swap staat los staat van de lening en is verhandelbaar waardoor u deze op elk moment weer kunt verkopen en daardoor de rente weer variabel kunt maken.
* De Rente Swap is eenvoudig aan te passen aan wijzigingen in het renteklimaat. Dit betekent dat, indien u uw lening vroegtijdig zou willen openbreken, u bij een hogere marktrente de positieve waarde kunt ontvangen en de Euribor-lening kunt aflossen (bij gedaalde marktrente is de waarde van de Swap daarentegen negatief).
Waar het openbreken van een traditionele lening altijd boeterente met zich meebrengt, kan dit met een Swap dus geld opleveren.
* u kunt tussentijds gemakkelijk toekomstige rente-afspraken maken (waar u bij een traditionele lening met een rentevaste periode moet wachten tot de renteherzieningsdatum of einddatum).
* Er is een breed scala aan alternatieven
Eenvoudig samengevat: Met een Rente Swap wordt het renterisico afgedekt en heeft u meer flexibiliteit.

2.7 In de offerte schrijft DB onder andere:
Naar aanleiding van uw gesprek met onze treasury specialist over de risico’s die de waarde van uw onderneming kunnen beïnvloeden, sturen wij deze brief. Wij informeerden u over mogelijkheden om uw onderneming daartegen te beschermen, door gebruik te maken van OTC derivatenproducten. Zoals afgesproken informeren wij u met dit schrijven nader over die Interest Rate SWAP welke uw onderneming de gewenste bescherming kan bieden. Tevens geven wij alvast aan tegen welk indicatief tarief u uw EURIBOR kunt vastzetten.
De OTC derivatenproducten, die ABN AMRO verkoopt, hebben tot doel de onderneming te beschermen tegen de mogelijke gevolgen uit dat risico (hedging). Het gaat in alle gevallen om maatwerk. Daarom is het belangrijk dat de onderliggende waarde, waarop het derivaat bescherming moet geven, uitdrukkelijk wordt benoemd.
2.8 Bij voornoemde e-mail heeft DB tevens het Productinformatieblad Rente Swap gevoegd. Daarin is onder meer vermeld:
Een Rente Swap (Interest Rate Swap, IRS) is een afspraak tussen twee partijen om gedurende een bepaalde periode de betaling van een geïndexeerde, variabele rente (bijvoorbeeld Euribor) te ruilen tegen de betaling van een vaste rente.
Op deze wijze kan een rentetarief op basis van variabele rente synthetisch worden gefixeerd. (…)
De koper kan een Rente Swap tussentijds beëindigen. Een positieve waarde wordt door ABN AMRO uitgekeerd, een negatieve waarde wordt in rekening gebracht. De waarde is afhankelijk van de marktomstandigheden op het moment van verkoop.
De marktwaarde van de met u overeengekomen Rente Swap kan zich gedurende de looptijd zowel positief als negatief ontwikkelen. Als gevolg hiervan kan door ABN AMRO een zekerheidstelling worden verlangd. (…)
Risico (…)
Hoewel OTC­derivatentransacties veelal worden afgesloten in combinatie met een financiering, valutapositie of andere transactie, is er geen direct verband. Bij voortijdige beëindiging of tussentijdse wijziging van de onderliggende transactie, blijven de rechten en/of plichten voortvloeiende uit de Rente Swap onverminderd van kracht.
2.9 Eveneens op 28 juni 2007 heeft DB de Klant een brief gezonden inzake OTC-derivaten waarmee DB zich bereid verklaart de Klant de mogelijkheid te geven om derivatentransacties aan te gaan. Bij deze brief heeft DB enige bijlagen gevoegd te weten de Algemene Bepalingen Derivatentransacties en de Brochure OTC-Derivatentransacties. De Brochure OTC-derivatentransacties vermeldt voor zover hier van belang:
Derivatenrisico’s (…)
Hoewel een derivatentransactie veelal wordt afgesloten in combinatie met een financiering, valutapositie of andere onderliggende waarde, is er geen direct verband met die waarde. Bij voortijdige beëindiging of hij tussentijdse wijziging van de onderliggende waarde blijven de rechten en plichten van partijen uit hoofde van de derivatentransactie van kracht tot het moment dat ook de derivaten-transactie wordt beëindigd.
Bij derivaten is doorgaans sprake van de zogenaamde hefboomwerking. Dit houdt in dat een kleine veranderingen in de onderliggende waarde een relatief grote verandering van de marktwaarde van het derivaat tot gevolg kan hebben. (…)

Termijncontracten
Een termijncontract is een overeenkomst tussen twee partijen, waarbij de ene partij zich verplicht een specifieke waarde op een bepaald tijdstip in de toekomst tegen een vooraf vastgestelde prijs te ontvangen. De andere partij verplicht zich dan de desbetreffende waarde op dat tijdstip tegen die prijs te leveren. (…) Termijncontracten of variaties daarop zijn onder andere valutatermijnaffaires, forward rate agreements en swaps. Termijncontracten zijn instrumenten. die een hoog risico met zich mee kunnen brengen doordat de prijs van de onderliggende waarde in de periode tussen het sluiten van de overeenkomst en de levering en betaling (sterk) kan stijgen of dalen. (…)
Kosten van voortijdige beëindiging
Indien u – om welke reden dan ook – een derivaten-transactie wilt of moet beëindigen, voordat de looptijd is verstreken, kan dit aanzienlijke kosten met zich meebrengen. Een derivatentransactie is altijd gerelateerd aan een onderliggende waarde. De waarde van een derivaten-transactie is dan ook afhankelijk van de fluctuaties in de prijs c.q. koers van die onderliggende waarde.
Indien een transactie vervroegd moet worden beëindigd, wordt gekeken of die transactie op dat moment een positieve, dan wel een negatieve waarde heeft (waardering tegen marktwaarde). In geval van een positieve waarde zal ABN AMRO deze met u verrekenen. Bij beëindiging van een transactie met een negatieve waarde dient u een bedrag aan ABN AMRO te betalen.”
2.10 De brief van 28 juni 2007 is door de Klant op 7 juli 2007 voor akkoord getekend en aan DB geretourneerd.
2.11 Een brief van DB van 6 juli 2007 vermeldt dat de Klant een renteswap is aangegaan met de volgende kenmerken:
Ingangsdatum: l augustus 2007
Einddatum: 1 augustus 2017
Hoofdsom: EUR 600.000.00
Inzake de vaste rentebetaling vermeldt de brief dat deze 5,05% bedraagt en dat de referentierente voor de variabele rente de 1 maands EURIBOR betreft.
Daarnaast vermeldt de brief:
“3. Door ondertekening van deze bevestiging verklaart Cliënt:
• naar tevredenheid te zijn ingelicht door de Bank over de Transactie en alle benodigde informatie, waaronder een beschrijving en uitleg van de Bank te hebben ontvangen;
• dat Cliënt zelfstandig- of eventueel met behulp van door Clilënt ingeschakelde (financiële) adviseurs -deze Transactie heeft geanalyseerd;
• dat Cliënt zich realiseert dat de Bank uw contractspartij is en niet uw (financieel) adviseur.
• dat de Transactie past in de risicobeheersing strategie van de Cliënt;
• dat de in deze bevestiging vastgelegde variabelen van de Transactie volledig en correct zijn.”
2.12 In haar brief van 12 maart 2009 bevestigt DB aan de Klant dat de rente van de euriborlening met ingang van 1 april 2009 verandert van driemaands euribor in éénmaands euribor. Op basis van het voor de maand maart 2009 geldende éénmaands EURIBOR bedraagt de rentevergoeding (inclusief de individuele opslag van 0,90%) 2,433% per jaar.

2.13 In april 2013 heeft DB de Klant op de hoogte gesteld van de gevolgen van de “aangescherpte strategische focus” in Nederland. Daarin staat onder meer:
“Deutsche Bank in Nederland is niet langer de geschikte bank om u de producten en diensten aan te bieden die u op dit moment afneemt. We vinden het van belang om hier transparant over te zijn en wijzen u op de mogelijkheden van Nederlandse banken die wel een breed lokaal aanbod hebben voor de producten en diensten die u op dit moment bij ons afneemt. We streven ernaar om voor eind juni contact met u op te nemen om de overstap naar een andere bank te bespreken. Individuele overeenkomsten met u zetten we vooralsnog voort, waarbij we rekening houden met de hiervoor geldende voorwaarden.”
2.14 In april 2014 heeft de Klant zich bij DB beklaagd.
2.15 Per brief van 4 november 2014 heeft DB de Kredietovereenkomst van mei 2007 gewijzigd:
“De beëindigingsdatum van de 10-jarige EURIBOR lening I, in hoofdsom EUR 445.000 zal met 1 jaar worden verlengd, waardoor de aflossing als volgt wijzigt:
De 10-jarige EURIBOR lening I
Aflossing in een bedrag op 1 augustus 2017.
2.16 De Klant heeft in 2015 het onroerend goed waartoe hij de financiering met DB was aangegaan, verkocht. Op 30 september 2015 heeft de Klant de financiering afgelost. Voor afkoop van de renteswap was de Klant DB een bedrag van € 29.256 verschuldigd hetwelk hij aan DB heeft voldaan.
3. Vordering, klacht en verweer

Vordering
3.1 De Klant vordert vergoeding van geleden schade, in eerste instantie begroot op een bedrag van € 291.705 hetwelk bestaat uit de onder de renteswap betaalde rente (minus de ontvangen euriborrente) ad € 165.505, de rentederving ad € 44.176 en de negatieve waarde van de renteswap (per december 2014) ad € 82.024. Bij pleidooi heeft de Klant tevens de afkoopsom ad € 29.256 gevorderd en voorts gesteld dat als uitgangspunt bij het vaststellen van de schade een vergelijking dient te worden gemaakt ten opzichte van de situatie zoals die zou zijn geweest als de Klant wél juist zou zijn geadviseerd en wél juist zou zijn voorgelicht.

Grondslagen en argumenten daarvoor
3.2 Samengevat bestaan de klachten van de Klant eruit:
DB was bij het adviseren van de renteswap verplicht om het wettelijk kader in acht te nemen. De Klant is van mening dat dit niet is gebeurd en dat de Bank haar zorgplicht heeft geschonden.
De Klant stelt zich voorts op het standpunt dat hij bij het aangaan en gedurende de duur van de renteswap overeenkomst heeft gedwaald, althans dat de DB wanprestatie heeft gepleegd dan wel onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld.
Verder voert de Klant aan dat hij ten tijde van het aangaan van de renteswap en gedurende de duur ervan onvoldoende en onjuist is geïnformeerd over de risico’s en de werking ervan en dat er sprake is geweest van niet-passende advisering in bijzonder ook in relatie tot de beëindiging van de bancaire relatie door de DB.

Verweer van DB
3.3 DB heeft de stellingen van de Klant gemotiveerd weersproken. Voor zover nodig zal de Commissie bij de beoordeling daarop ingaan.

4. Beoordeling

4.1 De Klant heeft vanwege zijn financieringsbehoefte met DB een aantal kredietovereenkomsten gesloten, met een variabele kredietvergoeding. DB heeft de Klant in het kader van de aldus tot stand gekomen financieringen voorgesteld om het risico op een stijging van de rente, dat hij op de leningen liep, af te dekken. Acceptatie van dat voorstel heeft ertoe geleid dat de Klant met DB een renteswap heeft afgesloten. De klacht van de Klant ziet op deze swapovereenkomst.
4.2 De vraag die voorligt is of DB jegens de Klant de zorg in acht heeft genomen die in de gegeven omstandigheden van haar mocht worden verwacht.
4.3 Naar het oordeel van de Commissie komt het bij de vraag of DB aan haar zorgplicht heeft voldaan vooral aan op de omstandigheden van het geval (vergelijk haar uitspraken van 1 maart 2016, 2016-091, 2016-092 en 2016-093). In het bijzonder is daarbij van belang dat DB als professionele en ter zake kundige dienstverlener staat tegenover een relatief kleine ondernemer waarvan in beginsel geen bijzondere kennis over renterisico’s en de instrumenten ter afdekking daarvan mag worden verwacht. Voorts is van belang dat aan een renteswap – ook als het gaat om een zogenaamde “plain vanilla swap” zoals in deze zaak – risico’s zijn verbonden die voor iemand zonder bijzondere kennis van of ervaring met deze producten niet meteen inzichtelijk zijn. Van DB, die een renteswap adviseert of aanbiedt mag dan ook ten minste worden verwacht dat zij, mede gelet op de eventuele kennis en ervaring van haar klant, deze klant zodanige informatie verschaft over de over de eigenschappen van het aangeboden product, de mate waarin het product beantwoordt aan de wensen en behoeften van de klant, de mogelijke gevolgen en de specifieke risico’s verbonden aan het afsluiten van transacties betreffende het product, en van alternatieve manieren met renterisico’s om te gaan, dat de klant een weloverwogen keuze kan maken. DB dient daarbij te voorkomen dat de klant een product afneemt dat voor hem niet passend is, tenzij de klant er desbewust voor kiest een niet-passend product af te nemen. Het komt er hierbij in beginsel niet op aan of de renteswap al dan niet als een complex product in de zin van het Bgfo moet worden gekwalificeerd, al zal aan voorlichting meer verlangd worden naarmate het product ingewikkelder is. Evenmin is het in het algemeen voor de hier bedoelde verplichtingen doorslaggevend of DB enkel als wederpartij optreedt of expliciet tevens als adviseur van de klant. Indien aan de zijde van de klant de benodigde deskundigheid ontbreekt, zal DB immers in de praktijk gewoonlijk mede een adviserende (in de zin van begeleidende) rol vervullen. Indien DB het aangaan van een renteswap heeft aangeraden, zal moeten worden beoordeeld of een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur dat advies had mogen geven.

Dwaling
4.4 De Klant doet een beroep op dwaling en stelt dat hij bij een juiste voorstelling van zaken de renteswap niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten.

4.5 Als uitgangspunt heeft te gelden dat, onverminderd de hiervoor omschreven verplichtingen van DB, degene die een overeenkomst aangaat moet voorkomen dat hij die overeenkomst sluit onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken. Van hem mag worden verlangd dat hij het verstrekte voorlichtingsmateriaal voldoende grondig bestudeert en vragen stelt indien deze stukken voor hem onduidelijkheden bevatten.
4.6 In het onderhavige geval had de Klant met een redelijke mate van inspanning uit de aan hem verstrekte, onder 2.6-2.11 hiervoor genoemde, documentatie kunnen afleiden dat met de renteswap de Euribor-rente werd begrensd c.q. werd uitgeruild en dat bij voortijdige beëindiging van de renteswap door DB een bedrag in rekening kon worden gebracht of een bedrag door DB zou worden vergoed. Indien hierover bij de Klant onduidelijkheden bestonden, had het op zijn weg gelegen om zich in voldoende mate in de beschikbaar gestelde stukken te verdiepen of DB nadere vragen te stellen.
4.7 Hetzelfde geldt met zoveel woorden voor hetgeen de Klant heeft gesteld over dwaling ten aanzien van de beperking van het renterisico, de flexibiliteit van de renteswap en de renteontwikkeling, waarbij de Commissie opmerkt dat DB niet kan worden verweten dat zij niet heeft voorzien dat de rente niet zou gaan stijgen maar (enige tijd na het afsluiten van de renteswap) is gaan dalen.
4.8 Nu gebleken is dat DB in dit opzicht voldoende informatie heeft verstrekt, en gesteld noch gebleken is dat de Klant het hiervoor bedoelde nadere onderzoek heeft gedaan, moet een eventuele dwaling met betrekking tot essentiële eigenschappen van de renteswap voor rekening van de klant blijven.

Zorgplicht
4.9 Ten aanzien van de gang van zaken rond het voorstel van DB aan de Klant tot (gedeeltelijke) afdekking van het renterisico van de leningen met variabele rente over te gaan, overweegt de Commissie als volgt.

– Informatieverstrekking
4.10 Wat de verplichting tot het verstrekken van informatie betreft, is de Commissie, in aansluiting op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, van oordeel dat voor zover dat uit de afzonderlijke individuele stukken onvoldoende zou blijken, in ieder geval in de onderlinge samenhang daarvan, in combinatie met de voorlichting voorafgaande aan het afsluiten van de renteswap, voldoende duidelijk was wat kenmerken en belangrijkste risico’s van een renteswap zijn. Uit de door DB verstrekte informatie blijkt dat met een renteswap de variabele rente wordt uitgeruild tegen een vaste rente en dat de opslag op de variabele rente daarbuiten blijft, dat bij voortijdige beëindiging van de onderliggende lening de renteswap niet automatisch wordt beëindigd en dat met het voortijdig beëindigen van de renteswap, afhankelijk van de dan geldende rente, de Klant een bedrag ontvangt of een bedrag in rekening wordt gebracht. In het algemeen heeft DB dus aan haar verplichting tot het verstrekken van informatie over de kenmerken en de risico’s van de renteswap voldaan.

– Advisering
4.11 De Commissie stelt vast dat voorafgaand aan het afsluiten van de renteswap naast de voordelen ook de risico’s van de swap aan de orde zijn gekomen. In abstracto is daarin jegens de Klant geen tekortkoming van DB te ontwaren.

Wel geldt dat met name door de wijze waarop DB in haar e-mail van 27 juni 2007 aan de Klant de nadruk heeft gelegd op twee aspecten van de renteswap, namelijk het afdekken van het renterisico en de flexibiliteit van het product, de voordelen naar het oordeel van de Commissie te zeer op de voorgrond hebben gestaan. In concreto is daarmee sprake van een tekortkoming van DB.
4.12 Met name op het punt van de voorgespiegelde flexibiliteit sloot de renteswap in onvoldoende mate aan bij de bedrijfsvoering van de Klant, die er mede op gericht was aan- en verkopen in onroerend goed te bewerkstelligen. Daarmee is naar het oordeel van de Commissie sprake van verwijtbaar handelen van de zijde van DB. Voor zover daardoor schade is ontstaan, komt die schade voor vergoeding in aanmerking.
4.13 Aan de advisering zijdens DB kleefden meer onvolkomenheden. Zo was de renteswap gesloten op basis van éénmaands Euribor terwijl één van de onderliggende leningen op driemaands Euribor gestoeld was. Daarnaast was de looptijd van de swap een jaar langer dan die van één van de onderliggende leningen. De renteswap vertoonde dan ook onvoldoende samenhang met de onderliggende leningen. Hieruit volgt een mismatch op deze twee onderdelen die DB valt aan te rekenen, maar welke DB in een later stadium heeft hersteld. Om de conclusie te kunnen dragen dat uit deze mismatch of uit de ogenschijnlijk forse afdekking van het renterisico ten opzichte van de kredietsom (het is niet onaannemelijk dat een minder groot deel van de onderliggende leningen zou kunnen zijn geswapt) schade is voortgevloeid voor de Klant die voor toewijzing in aanmerking komt conform de onder
3.1. weergegeven vordering, is naar het oordeel van de Commissie onvoldoende door de Klant gesteld.

Schade
4.14 De schade die zich heeft gemanifesteerd is gelegen in de door de Klant betaalde afkoopsom ad € 29.256 welke hij DB uit hoofde van de renteswap verschuldigd bleek op het moment dat hij het bewuste onroerend goed wenste te verkopen, de financiering wenste af te lossen en de renteswap voortijdig wenste te beëindigen.
De Commissie is nochtans van oordeel dat een deel van deze schade voor rekening van de Klant dient te blijven. Er valt hem immers het verwijt te maken dat hij de productinformatie op dit punt niet in voldoende mate tot zich heeft genomen en zelf de keuze heeft gemaakt de renteswap desondanks toch af te nemen. De Commissie acht het om die reden juist dat een derde van de schade uit de afkoopsom voor rekening van de Klant blijft.

4.15 Resumerend is de Commissie van oordeel dat de Klant deels het gelijk aan zijn zijde heeft. Nu de Klant deels in het gelijk is gesteld ziet de Commissie aanleiding hem een vergoeding voor de gemaakte kosten en de kosten voor het bij Kifid aanhangig maken van de klacht toe te kennen.

4.16 Alle overige door partijen naar voren gebracht stellingen kunnen niet leiden tot een ander oordeel van de Commissie en blijven derhalve buiten bespreking.

5. Beslissing

De Commissie beslist dat DB binnen vier weken na de dag waarop een afschrift van deze beslissing aan partijen is verstuurd, aan de Klant een bedrag vergoedt van € 19.504 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de klacht door Kifid is ontvangen, zijnde 19 februari 2015, tot aan de dag van algehele voldoening.

De Commissie beslist voorts dat DB op grond van artikel 46.9 aan de Klant vergoedt de kosten voor het bij Kifid aanhangig maken van de klacht ten bedrage van € 500 en de proceskosten conform het liquidatietarief, begroot op een bedrag van € 4.000.

In artikel 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep Inzake Geschillenbeslechting Rentederivaten is bepaald in welke gevallen beroep openstaat van beslissingen van de Geschillencommissie Inzake Geschillenbeslechting Rentederivaten bij de Commissie van Beroep Inzake Geschillenbeslechting Rentederivaten. Daarbij geldt een termijn van drie maanden na verzending van deze uitspraak. Op de website van Kifid vindt u praktische informatie over het instellen van beroep. Zie hiervoor www.kifid.nl/rentederivaten.

Bekijk de volledige uitspraak

Heeft u een vraag?

070 - 333 8 999

Bereikbaar op werkdagen van 09:00 tot 17:00

consumenten@kifid.nl

Stuur ons een e-mail

Mijn Kifid

Gemakkelijk de behandeling van uw klacht volgen
Contact